Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina13/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   25

Hoofdstuk 10

10:1‑6


1 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie niet binnengaat door de deur in de stal van de schapen, maar van een andere kant naar binnen klimt, die is een dief en een rover; 2 maar wie door de deur binnengaat, is een herder van de schapen. 3 Hem doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn eigen schapen bij name en leidt ze naar buiten. 4 Wanneer hij al zijn eigen schapen heeft uitgedreven, gaat hij voor hen uit; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen. 5 Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zij zullen van hem vluchten, omdat zij de stem van de vreemden niet kennen. 6 Deze beeldspraak sprak Jezus tot hen, maar zij wisten niet wat het was dat Hij tot hen sprak.

De blinde man was door de Heer genezen. Door de blinde leiders was hij uitgeworpen, en hij was aan de voeten van de Heer neergevallen om Hem te aanbidden als de Zoon van God. Nu was hij een schaap van de Herder geworden die gekomen was om te zoeken en te redden wat ver­loren is. De onderwijzing van de Heer in dit hoofdstuk is daarom nauw verbonden met dit voorval.

In het begin van dit hoofdstuk wordt eerst gesproken over de valse le­raars en leidslieden van het Joodse volk, die door de Heer openlijk ver­oordeeld waren in het laatste vers van het vorige hoofdstuk. In het zesde vers lezen we dat de Heer tot hen spreekt in beeldspraak, in een gelijkenis. “In deze beeldspraak sprak Jezus tot hen”. Het is één van de weinige gelijkenissen die wèl in dit evangelie vermeld wordt en niet in de drie andere evangeliën.

Dit gedeelte begint met de woorden: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u”. De herder is een bekende figuur in het oude testament. Jakob sprak in zijn profetie over “de Steenrots Israëls” die “zijn herder” is (Gen. 49:24). In de profetische Psalm 80 wordt de Herder van Israël aange­sproken. Deze Herder van Israël is de Heer Zelf, want “Hij troont op de cherubs” (Psalm 80:1). Jesaja ziet Hem “als een herder zijn kudde weiden” (Jes. 40:11). Ezechiël moest profeteren tegen de valse her­ders van Israël en hun oordeel aankondigen, en hij moest tevens de ware Herder aankondigen die hen weiden zal zoals het behoort (Ezech. 34). Ook Zacharia had een visioen over de herders (hoofdstuk 11), en in Zach. 13:7 lezen we: “Zwaard, waak op tegen mijn herder, tegen de man die mijn metgezel is, luidt het woord van de Heer der heerscharen; sla die herder, zodat de schapen verstrooid worden en Ik zal mijn hand keren tegen de kleinen”.

Als de Farizeeën, de valse herders van het volk, hun eigen Schriften kenden, zouden ze de betekenis van de gelijkenis begrepen hebben, “maar zij begrepen de betekenis niet van wat Hij tot hen sprak” (vers 6).

Met “de stal van de schapen” wordt hier het Joodse volk bedoeld. De Herder van Israël, de beloofde Messias, was gekomen. Hij kwam bin­nen door de deur en niet “langs een andere plaats”, zoals de dief en de rover, zij die hun eigen winst en voordeel zoeken, de valse herders, waartoe ook de godsdienstige leiders van het volk horen. En omdat Hij door de goede deur binnengegaan is, deed de deurwachter Hem open.

De deurwachter is God Zelf die door de macht van zijn Geest de deur opende en de Heer Jezus toegang gaf tot de schapen, ofschoon de val­se herders Hem buiten wilden houden. Hij kwam binnen en als gevolg daarvan hoorden de schapen naar zijn stem. Maar niet alle schapen van Israël hoorden naar zijn stem en namen Hem aan; alleen zij die Hem gegeven waren door de Vader. Zo kwam Hij en riep “zijn eigen scha­pen” bij hun naam. De blindgeborene was één van hen, zo ook Filippus Nathanaël, Maria, Martha, Lazarus en alle anderen die in Hem ge­loofden en de ware Herder volgden.

Dan volgt iets wat we nergens lezen in de profetieën: “Hij leidt ze uit”. Hij leidt de schapen uit de schaapskooi van het Judaïsme en brengt ze in een andere weide. Luther schreef over deze woorden: “Het ‘uitleiden’ duidt op de christelijke vrijheid; de schapen zijn nu vrij; zij zijn niet langer in gevangenschap en vrees onder de wet en het Goddelijk oordeel, maar zij zijn nu in het koninkrijk van de genade van Christus”.

Zij die Hem volgen zijn in de vrijheid gesteld; zij ontvangen van Hem het eeuwige leven. Ze worden uit de Joodse schaapskooi geleid en nu vormen ze samen zijn kudde, die éne kudde, de gemeente.

De Heer Zelf “gaat voor hen uit”, zoals de herder in het oosten voor de schapen uit gaat. Waar de Herder ook heengaat, de schapen volgen Hem. De Joden wierpen Hem uit en toen was Hij buiten; daar zijn de schapen nu met Hem. Op het pad dat Hij gegaan is, volgen de schapen Hem. En toen de Herder stierf voor de schapen, ging Hij hen voor in een nog hogere betekenis. De “goede Herder” werd de “grote Herder van de schapen” in zijn opstanding (Hebr. 13:20) en Hij is de schapen voorgegaan naar de plaats waarheen zij Hem eens zullen volgen.

Het kenmerk van zijn eigen schapen is dat zij zijn stem horen en dat zij een vreemde niet zullen volgen. Zij luisteren slechts naar één stem en erkennen het gezag van die Persoon. Net zoals echte schapen her­kennen ze de stem van de herder, maar als een vreemde stem hen roept worden ze bang, en in plaats van te luisteren naar de stem van de vreemde, vluchten ze. Zo erkennen zijn eigen schapen de stem van de Heer Zelf. Zij hebben geestelijk onderscheidingsvermogen; daarom zullen ze een ander niet volgen ook al bootst de valse herder de stem van de Heer na.

10:7‑13


7 Jezus dan zei opnieuw: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen. 8 Allen die voor Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers; maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. 9 Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. 10 De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben. 11 Ik ben de goede herder; de goede herder legt zijn leven af voor de schapen; 12 wie huurling is en geen herder, wiens eigendom de schapen niet zijn, ziet de wolf komen en laat de schapen achter en vlucht; en de wolf rooft ze en verstrooit de schapen. 13 En de huurling vlucht, omdat hij een huurling is en zich niet om de schapen bekommert.

Er komt geen antwoord van de toehoorders. Hun verduisterd verstand en misschien nog meer hun trotse hart weerhoudt hen om de dingen die tot hen gezegd worden te begrijpen. Als zij de boodschap van Eze­chiël gekend hadden (Ezech. 34) en geloofden wat Ezechiël geschre­ven had, dan hadden zij ook begrepen waarover de Heer sprak.

Daarom spreekt de Heer opnieuw tot hen: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen”. Omdat Hij als de goede Herder door de deur binnengekomen is, spreekt Hij nu over Zichzelf als de deur van de schapen. De enige manier om een schaap van zijn kudde te worden is door Hemzelf; er is geen andere weg naar de kudde van God, dan door de Heer Jezus Christus.

Vers 8 geeft voor velen een moeilijkheid. “Allen, zo velen er vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers; maar de schapen hebben naar hen niet gehoord”. Hiermee kunnen de echte profeten van God die er ge­weest zijn voor de komst van Christus niet bedoeld zijn. In veel be­langrijke handschriften worden de woorden “voor Mij” niet aangetrof­fen.

De moeilijkheid wordt kleiner als we aannemen dat de woorden “voor Mij” betekenen: vóórgaan in gezag, dat het dus ziet op de personen die beweren voorrang te hebben boven de Heer. De tijd van het werkwoord “komen” in het Grieks (aoristus) ziet niet alleen op een komen in het verleden. De Farizeeën verwierpen het gezag van Christus en gaven voor als leraars boven Hem te staan. Dit lieten zij bijvoorbeeld blijken tijdens het verhoor van de genezen blinde (9:16, 24). De uit­leg dat de Heer bij deze woorden dacht aan de Farizeeën uit zijn tijd, die Hem verwierpen en zijn gezag als Messias bestreden, schijnt juist te zijn. Lightfoot schrijft in zijn verklaring dat onze Heer waarschijnlijk zinspeelt op de Farizeeën, Sadduceeën en Essenen, die al lang vóór Christus’ komst de Joden misleidden; deze drie Joodse sekten zouden de drie valse herders zijn die verdelgd worden (Zacharia 11:8). De schapen, de echte gelovigen zoals Simeon en Anna en veel anderen, luisterden niet naar hen en stelden geen vertrouwen in deze aanmati­gende leiders en leraars van hun volk.

In vers 9 spreekt de Heer weer over de “deur” en Hij vermeldt ook de zegeningen die weggelegd zijn voor allen die door Hem binnengaan. “Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden”. Hier ziet de Heer vooruit op de tijd na zijn lijden en sterven. Redding en heil is voor de schapen te vinden door de herder die voor hen stierf. De eerste grote zegening die een zondaar die in Hem gelooft ontvangt, is behoudenis. Deze kostbare gave, waarvoor de Heer betaalde als de plaatsvervanger van de schapen, is het eigendom van elke gelovige; elk schaap van Christus bezit dit nu reeds en tot in eeuwigheid.

De deur staat open voor iedereen (Joh. 3:16; Openb. 22:17). Maar er is meer dan behoudenis; er is vrijheid en ook voedsel. “En hij zal ingaan en uitgaan”, dat duidt op vrijheid. Dat vindt een schaap niet in de kleine stal; daar is het opgesloten, daar heeft het geen vrijheid. Zo was het ook in de Joodse schaapskooi. In het christendom spreekt men van verschillende schaapskooien, maar dat is niet bijbels; boven­dien houdt het onvrijheid in en niet de vrijheid waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt.

In Numeri 27:17 vinden we een tekst die vooruitziet op deze woorden van de Heer. Mozes vroeg aan de Heer een man aan te stellen over de vergadering, over het volk dat Hij weidt, de schapen zijner hand (Psalm 95:7), en Mozes zei dat de man die de Heer zou kiezen een man zou zijn “die voor hun aangezicht uitgaat en die voor hun aangezicht ingaat, en die hen doet uittrekken en hen weer terugbrengt, op­dat de vergadering des Heren niet zij als schapen die geen herder heb­ben”.

Daarna stelde de Heer Jozua aan. Op zijn bevel zouden zij uitrukken en op zijn bevel zouden zij inrukken (vers 21). Jozua is de naam van onze Heer; want het Griekse woord “Jezus” is in het Hebreeuws “Jozua”. Jozua is een beeld van Christus, opgestaan uit de dood, die zijn volk binnenbrengt. De Heer brengt zijn schapen naar buiten, in volkomen vrijheid, en Hij brengt ze binnen. Onder de wet bestond zo’n vrijheid niet, maar Hij kwam, gezonden door God om hen die onder de wet waren vrij te kopen en hen van de slavernij te brengen in de vrijheid van de zonen van God (Gal. 4).

Er is ook voedsel voor de schapen: “en hij zal weide vinden”. Dit voedsel is niet te vinden in de stal; om het te vinden moet het schaap uit de stal gaan. Dat zegt David ook van de grote Herder: “Hij doet mij nederliggen in grazige weiden” (Psalm 23). Onze Herder zorgt voor het voedsel voor zijn eigen schapen, ja, Hij is Zelf het voedsel!

Dan volgt een tegenstelling: “De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben”. Achter de valse herder, de dief, staat de leu­genaar en de moordenaar van het begin; deze komt om te stelen, te doden en te verwoesten. Maar de Heer komt opdat de schapen leven hebben en het overvloedig hebben. De dief komt om het leven te ne­men ‑ Hij komt om het leven te geven.

Wat is dat “leven” en “het overvloedige leven”? Het leven is het bezit van allen die in Hem geloven: de gelovigen van het oude testament bezaten geestelijk leven, want “in Hem was leven en het leven was het licht der mensen” (Joh. 1:4). Maar nu was Hij gekomen, de waarachti­ge God en het eeuwig leven; en zoals we in de voorafgaande hoofd­stukken gezien hebben, is het eeuwige leven zijn gave aan allen die in Hem geloven. “Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven” (3:36).

Zij die de Heer hoorden spreken en in Hem geloofden ontvingen het leven. De Heer heeft immers Zelf gezegd: “Er komt een uur, en het is er, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen en die ze gehoord hebben, zullen leven” (5:25). Wat de Heer toen zei, is nu nog waar: “Wie Mijn woord hoort en gelooft Hem die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in het oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven” (5:24).

De discipelen van de Heer die in Hem geloofden bezaten dit leven, want zij kenden de Vader en de Zoon. “Dit is het eeuwige leven”, zo leert de Heer ons in zijn gebed tot de Vader in hoofdstuk 17, “dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus, die Gij gezon­den hebt” (vers 3).

Maar overvloedig leven, de volheid van dat leven, is bekend gemaakt na het volbrachte werk van de Heer, na zijn sterven en opstanding en zijn gaan zitten aan de rechterhand van God en na de komst van de Heilige Geest. Nu is dat leven in overvloed volledig geopenbaard; wie in Hem gelooft, bezit dat eeuwige leven in Hem. Wij zijn opgewekt met Christus, met Hem gezet in de hemelse gewesten, volmaakt in Christus, zonen van God, erfgenamen van God. De Heilige Geest woont in ons; wij zijn één van geest met de Heer, ééngemaakt met Hem en leden van zijn lichaam. Dit overvloedige leven is het bezit van iede­re gelovige. Het is niet een soort diepere persoonlijke ervaring, een soort “tweede bekering” of “een heilige ervaring”. Elke gelovige is door genade in het bezit van dit leven in overvloed.

Dan volgt het kostbare vers waarin de Heer over Zichzelf spreekt als de goede Herder en over zijn verzoeningswerk. “Ik ben de goede Her­der; de goede Herder zet zijn leven in voor de schapen” (vers 11).

Deze woorden zijn een samenvatting van alle voorspellingen en typen van het oude testament die spreken over Christus en het werk dat Hij in zijn liefde zal volbrengen. Hij kwam om te sterven voor de schapen, die Hem door de Vader gegeven zijn.

Deze woorden zijn ook het antwoord op de bewering dat Christus ge­storven zou zijn als een martelaar voor zijn overtuiging en zijn leer. Hij legde zijn leven niet af voor zijn leer, maar voor zijn schapen.

Nu spreekt de Heer niet meer over “dieven en rovers”, die de schaaps­kooi binnen kwamen, maar Hij spreekt over de huurling. Wat een te­genstelling tussen deze huurling en de goede Herder. De huurling is er op uit om van de schapen te profiteren. “Zij weiden zichzelf ... zij eten het vet ... zij kleden zich met de wol” (Ezech. 34:1‑6). De scha­pen zijn niet van de huurling en hij geeft niet om de schapen. Wanneer hij de wolf ziet komen, vlucht hij, zodat de wolf de schapen kan roven en ze verstrooien. Dit is wat de huurling doet; hij heeft geen liefde voor de schapen. De wolven zijn de valse profeten en leraars (Matth. ­7:15 en Hand. 20:29). Achter hen staat de grote vijand: de satan. Door de huurling krijgt de wolf de kans de schapen te roven en te ver­strooien.

10:14‑18


14 Ik ben de goede herder; en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij, 15 zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik leg mijn leven af voor de schapen. 16 En Ik heb nog andere schapen, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden. 17 Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem. 18 Niemand neemt het van Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af; Ik heb macht het af te leggen en heb macht het weer te nemen. Dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen.

Weer spreekt de Heer over Zichzelf als de goede Herder, maar nu noemt Hij het feit dat Hij zijn schapen kent, de schapen waarvoor Hij stierf. “Ik ken de mijnen”. Hij kent ons door en door. Hij kent onze gedachten en onze gevoelens. Hij kent de dingen die wij niet aan een ander kunnen zeggen. Hij kent elke verleiding van rijkdom en van ar­moede, van eenzaamheid en van de omgang met anderen, van intellec­tuele gaven en van gebrek aan intellect, van meegesleept worden door hartstochten, van verkeerde gedachten die voortkomen uit vleselijke begeerte. Hij kent onze smart en ons verdriet, Hij weet alles van ons. Ja, Hij kent ons! Hij kan op een volkomen wijze met ons meevoelen.

Zo kent Hij zijn schapen, zoals Hij alleen ze kan kennen. Hij kent ze bij de naam. Maar deze kennis is wederzijds: Hij kent ons en wij ken­nen Hem.

Ik ben de goede Herder en Ik ken de mijnen en word door de mijnen gekend, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik leg Mijn le­ven af voor de schapen”.

Dit is een geweldige gedachte: het wederzijds kennen van Christus en zijn schapen is in overeenstemming met het kennen van de Vader door de Zoon en het kennen van de Zoon door de Vader. De kennis van de Vader en van de Zoon heeft een verborgen, onpeilbare diepte; omdat de kennis die de Heer heeft van zijn schapen en de kennis die de scha­pen hebben van de Heer ook zo wonderlijk is, wordt zij vergeleken met het wederzijds kennen van de Vader en de Zoon.

Nog eens spreekt de Heer van het grote werk dat Hij zal volbrengen aan het kruis: “Ik leg Mijn leven af voor de schapen”. In verband met dat verzoeningswerk spreekt de Heer over “andere schapen”. Die an­dere schapen zijn de heidenen. Dat zij uit de volken medeërfgenamen zouden zijn, dat zij zouden horen bij hetzelfde lichaam en mededeel­genoten zouden zijn van de belofte in Christus Jezus door het evange­lie, was in andere geslachten niet bekend gemaakt aan de zonen van de mensen (Efeze 3:16). Hier zinspeelt de Heer er op dat dit zou gebeu­ren nadat Hij zijn leven zou hebben afgelegd voor de schapen; niet al­leen voor de schapen uit de stal van de Joden, maar ook voor de ande­re schapen, de heidenen. De “andere schapen” zijn niet uit de stal van de Joden. Die zal de Heer ook voorgaan; zij zullen naar zijn stem ho­ren en Hem volgen. Dan zal er één kudde zijn en één Herder.

Deze éne kudde is de gemeente, het éne lichaam van Christus; dit le­zen we vooral in de Efezebrief. De stal heeft te maken met het Joden­dom; als men in verband met de gemeente spreekt over een “stal”, gaat men terug naar het Judaïsme, zoals helaas algemeen de praktijk is in de christenheid.

Maar ook velen die de éénheid van het lichaam van Christus onder­schrijven, die spreken en leren over de gemeente als “één kudde”, heb­ben toch hun verschillende “stallen” of groepen en laten zo dezelfde onbijbelse sektarische geest zien als de grote vooraanstaande sekten.

Luther maakte de volgende opmerking over het schaap:

“Het schaap is het eenvoudigste schepsel. Toch heeft het iets vóór boven alle andere dieren en wel dat het meteen luistert naar de stem van de her­der en een ander niet wil volgen. Het weet dat het helemaal van de herder afhankelijk is en alleen hulp bij hem moet zoeken. Het kan zichzelf niet helpen; het kan zelf geen weide vinden, het kan zichzelf niet genezen en zichzelf niet tegen de wolven beschermen ‑ het is helemaal afhankelijk van de hulp van de herder”.

Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem”. In deze veelzeggende zin zien we weer iets van de ver­houding van de Vader en de Zoon. We moeten tevreden zijn met al­leen dat te bewonderen en te geloven wat we niet ten volle kunnen be­grijpen. Iets van deze volledige instemming en goedkeuring van de Va­der over het werk dat zijn Zoon zou volbrengen zien we als de Heer bij het begin van zijn openbaar optreden gedoopt is in de Jordaan. Dan wordt de stem van de Vader gehoord: “Deze is Mijn geliefde Zoon in wie Ik mijn welbehagen heb”. We moeten het feit niet over het hoofd zien dat de Heer in dit vers, net zoals in het volgende vers over Zich­zelf spreekt als God: “Ik leg mijn leven af ... Ik neem het weer ... Ik heb macht het af te leggen ... Ik heb macht het weer te nemen”. Toch zien we tevens zijn nederige gehoorzaamheid: “Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen”.

10:19‑21


19 Er ontstond opnieuw verdeeldheid onder de Joden om deze woorden. 20 En velen van hen zeiden: Hij heeft een demon en spreekt wartaal; waarom luistert u naar Hem? 21 Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden van een bezetene; kan een demon soms ogen van blinden openen?

Het is de derde keer in dit evangelie dat er in Jeruzalem verdeeldheid was om de Heer. Nu zijn de Joden verdeeld om zijn woorden (vgl. 7:43, 9:16). Hier zien we de vervulling van de woorden van Jesaja: “Hij zal zijn ... tot een steen, waaraan men zich stoot” (8:14), en de woorden van Simeon: “Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël en tot een teken dat weersproken wordt” (Lukas 2:34).

Weer beschuldigen de verblinde Joden Hem ervan dat Hij een boze geest heeft, terwijl anderen Hem verdedigen: “Kan soms een boze geest de ogen van blinden openen?” Zijn wonderen zijn échte wonde­ren, tekenen van zijn Goddelijke macht.

In Jesaja 35:5 wordt in de grote profetie over het koninkrijk en de tekenen van het koninkrijk het openen van de ogen van blinden apart genoemd. Sommigen begrepen en geloofden dat Hij de Messias, de be­loofde Koning van Israël was.


10:22‑31


22 En het was het feest van de tempelwijding in Jeruzalem; het was winter. 23 En Jezus wandelde in de tempel in de zuilengang van Salomo. 24 De Joden dan omringden Hem en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt U onze ziel in spanning? Als U de Christus bent, zegt het ons vrijuit. 25 Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en u gelooft niet. De werken die Ik doe in de naam van mijn Vader, die getuigen van Mij; 26 maar u gelooft niet, omdat u niet tot mijn schapen behoort, zoals Ik u gezegd heb. 27 Mijn schapen horen mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. 28 En Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit mijn hand. 29 Mijn Vader die ze Mij heeft gegeven, is groter dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand van mijn Vader. 30 Ik en de Vader zijn één. 31 De Joden namen opnieuw stenen op om Hem te stenigen.

Het feest van de tempelwijding wordt alleen genoemd in dit gedeelte; verder lezen we er nergens van. Het is geen feest dat door Jahweh is ingesteld, maar het is een feest ter herdenking van de inwijding van de tempel na zijn verontreiniging door Antiochus Epifanes. Dit feest is ingesteld door Judas de Makkabeeër in de tweede eeuw voor Christus (zie 1 Makk. 4:52‑59). Nu is dit feest bekend als het Chanoekah‑feest, een feest van grote vreugde en blijdschap.

Terwijl de Joden feest vierden en dachten aan een bevrijding die in het verleden had plaatsgevonden, was de Heer der heerlijkheid bij hen in de tempel. Zijn heerlijkheid konden ze zien met hun ogen; ze konden zijn woorden horen over het eeuwige leven, maar zij kenden Hem niet. De plaats waar de Heer liep was in de buitenste voorhof. Het was een zuilengang, een plaats waar de leraars en de rabbi’s elkaar vaak ont­moetten om over godsdienstige vragen te discussiëren. Een groep Jo­den omringde de Heer, mogelijk Farizeeën. Het was waarschijnlijk een tijdje geleden dat zij verdeeld waren geweest over Hem. In die tijd wa­ren zij overeengekomen Hem een vraag te stellen: “Hoe lang houdt gij ons in spanning? Als gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit”. Zij leef­den in onzekerheid, en daarom vroegen ze aan de Heer om vrijuit te zeggen wie Hij was. Waarschijnlijk verwachtten zij dat de Heer een in het oog vallend teken zou doen dat overeenkwam met hun vleselijke verwachtingen.

Maar de Heer had het hen al verteld en zij hadden het niet geloofd. Steeds weer, vanaf het vijfde hoofdstuk in dit evangelie, had de Heer over Zichzelf getuigd. Bovendien had Hij grote werken gedaan in de naam van zijn Vader en al deze werken getuigden van Hem. Ondanks dit alles geloofden zij niet; zij verwierpen zijn eigen woorden en het getuigenis van de Vader. De Heer voegde er aan toe: “Maar gij gelooft niet, want gij behoort niet tot mijn schapen”. Dat zij niet tot zijn schapen behoren blijkt uit hun ongeloof. De oorzaak van hun onge­loof was niet een soort uitverkiezing. Het was niet voordat zij geboren waren al bepaald dat zij niet bij die kudde zouden horen. Nee, het was hun eigen ongeloof. Dat was de oorzaak dat zij niet tot zijn scha­pen behoorden.

Dan spreekt de Heer nog eens over “zijn schapen” (vers 27). Er is vaak gewezen op de eigenschappen van het schaap. als beeld van de gelovi­ge. Een schaap is hulpeloos en erg afhankelijk van de herder; het is een onschuldig dier, zwak en dwaas en meer dan elk ander dier ver­liest het gemakkelijk de weg en gaat dwalen. Het schaap is een pas­send beeld van ons; elk kind van God zal dat moeten toegeven.

Maar wij zijn schapen van Hem, die voor ons stierf. Hij bewaart en beschermt ons; Hij voedt en leidt ons, omdat wij van Hem zijn. Wij horen zijn stem en volgen Hem.

De woorden die de Heer hier spreekt zijn vol troost en zekerheid. Zijn schapen zullen niet verloren gaan in eeuwigheid. Het eeuwige leven dat zij bezitten is een gave van Hem. Hij heeft het in zijn macht aan hen gegeven; dat leven is zijn eigen leven.

Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. Waarom niet? “Nie­mand zal ze uit Mijn hand rukken”. Zij die geloven in de leer van de afval van de heiligen, zij die denken dat een schaap van de goede Her­der verloren kan gaan, moeten wèl bedenken dat de Heer Zelf deze woorden heeft gesproken. Hij stierf niet alleen voor zijn schapen om hen te redden, maar Hij houdt hen in zijn machtige hand. Dat er machten zijn die proberen de schapen van Christus af te trekken zien we in het woord “rukken”. Elk schaap van Christus weet dat en er­vaart dit in zijn leven. Maar welke macht is groter, de macht van de zonde, de duivel en de wereld of de macht van Christus? Hij stierf en is opgestaan. Hij is verheven boven alle overheden en machten; Hij heeft alle macht in hemel en op aarde. Het antwoord op onze vraag is niet moeilijk te geven. Als iemand denkt dat iets in staat is een gelovi­ge, die het eeuwige leven ontvangen heeft en de Heilige Geest bezit, van Christus af te trekken, zodat hij verloren gaat, dan denkt zo iemand dat de macht van Christus niet voldoende is.

We moeten wel bedenken dat alleen “de schapen van de Heer” nooit verloren zullen gaan. Iemand die zegt dat hij nooit verloren zal gaan en ondertussen in de zonde leeft, bedriegt zich zelf. Hier wordt ge­sproken over het niet verloren kunnen gaan van de heiligen en hier wordt niet gesproken over zondaars en boze mensen. Ongetwijfeld kan deze tekst verkeerd gebruikt worden, maar dat kan met elke goede zaak gebeuren. Voor de gelovige die zijn vertrouwen in Christus heeft gesteld is dit één van de mooiste en meest vertroostende waarheden van het evangelie. Wij zijn veilig in Christus, wij zullen nooit verloren gaan. Of wij dit voelen is een heel andere zaak. Veel echte gelovigen die veilig zijn, beseffen het niet en voelen het niet.

Wij zijn niet alleen de schapen van Christus, wij zijn ook de gave van de Vader aan de Zoon. En de Vader is groter dan allen. Wij zijn dus ook veilig in de hand van de Vader. Dit maakt onze zekerheid nog groter. “Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is groter dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand van Mijn Vader. Ik en de Vader zijn één”. De Vader die de schapen aan Christus heeft gegeven houdt alles tegen wat de schapen kwaad kan doen. Omdat Hij hen aan Christus heeft gegeven is Hij groter dan allen: niemand kan hen uit zijn hand rukken. De Vader en de Zoon zijn één. De nederigste onder de mensen, de Herder van de schapen, is de Zoon van de Vader. Hij is de waarachtige God en het eeuwige leven. De Vader en de Zoon hebben beiden de schapen lief.

Ik en de Vader zijn één”. Deze verklaring van de Heer Zelf moet aan allen die de Godheid van de Heer ontkennen de mond snoeren.

Voor de derde keer nemen de Joden stenen op om de Heer te steni­gen. Augustinus zei over deze gebeurtenis: “Zie, de Joden begrepen wat Arius (een uitlegger die de Godheid van Christus loochende) niet begreep”. En een andere bijbeluitlegger verklaarde: “Deze ste­nen spreken tegen de Unitariërs”.


10:32-42


32 Jezus antwoordde hun: Vele goede werken heb Ik u getoond van mijn Vader; om welk van die werken stenigt u Mij? 33 De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk stenigen wij u, maar om lastering en omdat U die een mens bent, Uzelf God maakt. 34 Jezus antwoordde hun: Staat er niet geschreven in uw wet: ‘Ik heb gezegd: U bent goden’? 35 Als Hij hen goden noemt tot wie het woord van God kwam (en de Schrift kan niet verbroken worden), 36 zegt u van Hem die de Vader heeft geheiligd en in de wereld gezonden: U lastert, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? 37 Als Ik niet de werken van mijn Vader doe, gelooft Mij niet; 38 maar als Ik ze doe en u Mij niet gelooft, gelooft dan de werken, opdat u erkent en weet dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader. 39 Zij trachtten dan opnieuw Hem te grijpen, en Hij ontkwam uit hun hand. 40 En Hij ging opnieuw over de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerst doopte, en Hij bleef daar. 41 En velen kwamen tot Hem en zeiden: Johannes deed wel geen enkel teken, maar alles wat Johannes van Hem zei, was waar. 42 En velen geloofden daar in Hem.

Voor de derde keer proberen de Joden de Heer te stenigen. Achter de­ze poging staat de moordenaar van het begin af, de satan. Al duizen­den jaren probeert hij de plannen van God voor de verlossing te dwars­bomen. En omdat hij weet dat Christus, de Zoon van God, de beloof­de verlosser is, richt hij zijn aanvallen in het bijzonder op Hem. Satan is begonnen met de eerste broedermoord, toen Kaïn zijn broer Abel dood sloeg. Ook de moord op de kleine jongens in Bethlehem, toen het beloofde kind geboren was, is een poging van Satan om het werk van verlossing onmogelijk te maken. Maar de satan faalt steeds weer.

Hier doet hij wéér een poging. Toch is het onmogelijk voor de mensen één enkele steen te werpen. De schreeuwende menigte staat om de Heer en roept: “Stenig Hem”, zoals ze later zullen roepen: “Kruisig Hem”. De Heer staat rustig midden tussen hen als een toonbeeld van kalmte. Hij maakt hen een verwijt. Hij beroept zich op de grote wer­ken die Hij met Goddelijke macht gedaan had. Deze werken zijn het bewijs dat Hij de Messias is; ze laten zien dat Hij God is, één met de Vader. “Ik heb u vele voortreffelijke werken getoond van mijn Vader; om welk van die werken stenigt gij Mij”? Maar de vijanden hebben een antwoord klaar. Zij hebben goed begrepen wat de Heer tot hun gezegd heeft. “Wij stenigen U niet om een voortreffelijk werk, maar om laste­ring en omdat gij, die een mens zijt, Uzelf God maakt”. Ze moesten toegeven dat al de werken van de Heer goed waren. Wat Hij deed was niet kwaad, maar goed en rechtvaardig. Maar het irriteerde hen dat de Heer steeds weer getuigde dat Hij God Zelf is, één met de Vader. Zij waren de woorden die Hij gesproken had bij de genezing van de ver­lamde, namelijk dat God zijn eigen Vader was, niet vergeten (Joh. 5:18).

Dit laat ons duidelijk zien dat de Joden die in die tijd leefden meer waarde en geloof hechtten aan de woorden van de Heer dan velen in onze tijd. Zij beseften goed dat de Heer niets minder bedoelde dan dat Hij aan God gelijk was. Dit ontkennen velen in onze tijd. Het Zoon­schap van de Heer reduceren zij tot de verbinding die er bestaat tus­sen alle gelovigen en God.

In hun antwoord beschuldigen de Joden de Heer van lastering. Zij zeg­gen dat zij strijden voor de eer van God en daarom de Heer willen ste­nigen. Als zij gelijk hadden, zou God in zijn rechtvaardigheid hen heb­ben moeten belonen voor de ijver die zij betoonden in het verwerpen van een lasteraar. Maar nadat zij de Heer verworpen hadden en Hem hadden overgeleverd in de handen van de heidenen, ontvingen zij geen beloning; integendeel, God liet toe dat hun stad verbrand werd, de tempel verwoest en het hele volk verstrooid onder de heidenen. En de verdere geschiedenis van de Joden, een geschiedenis van bloed en tranen, getuigt er van dat Hij, die zij zonder oorzaak verworpen heb­ben, wiens werken zij zagen, wiens woorden zij horden, de Zoon van God is, één met de Vader ‑ geen lasteraar!

Deze verschrikkelijke beschuldiging beantwoordt de Heer met de Schrift. In Psalm 82 staat een korte zin die de Heer in zijn oneindige wijsheid gebruikt om hun te laten zien dat zij zich helemaal vergissen. Zij hadden gezegd: “Gij die een mens zijt, maakt Uzelf God”. In vers 6 van deze Psalm staat: “Ik heb gezegd: Gij zijt goden”. Asaf, die deze woorden opschreef onder de leiding van de Geest van God, spreekt over de mensen die God een plaats van gezag onder het volk had ge­geven, zoals koningen, priesters en leidslieden. Hij noemt hen “go­den”. Hetzelfde vinden we ook in Exodus 7:1: “De Heer zeide tot Mozes: Zie, Ik stel u als God voor Farao”, Mozes moest optreden als vertegenwoordiger van God tegenover de koning van Egypte. Koningen, rechters en regeerders ontlenen hun macht aan God en handelen onder zijn gezag; daarom worden zij “goden” genoemd.

Dan past de Heer deze woorden uit de Schrift toe. “Als Hij hen goden noemt, tot wie het woord van God kwam (en de Schrift kan niet ver­broken worden), zegt gij van Hem, die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon”? De psalmist, geleid door de Geest van God, noemt mensen tot wie het woord van God kwam, goden. Dat zijn mensen die in opdracht van God leiding geven. En nu noemen zij Hem die door de Vader afge­zonderd en aangesteld en tenslotte in de wereld gezonden is, een las­teraar, omdat Hij zegt dat Hij de Zoon van God is?

We moeten speciaal de aandacht vestigen op de uitdrukking: “De Schrift kan niet verbroken worden”. Hier getuigt de Heer van de inspi­ratie en het gezag van elk woord in de oorspronkelijke tekst van de bij­bel. Elk woord is van God en kan niet opzij geschoven worden.

Nog eens beroept de Heer Zich op zijn werken. Als dit niet de werken van de Vader waren, hoefden zij Hem niet te geloven! Maar al de wer­ken die Hij gedaan had, waren van de Vader; daarvan hadden zij over­tuigd moeten zijn. En als Hij de werken van de Vader deed, ofschoon zij zijn woorden niet geloofden, moesten zij toch het bewijs van zijn werken geloven, opdat zij mochten erkennen en geloven dat de Vader in Hem is en Hij in de Vader.

Deze duidelijke verklaring van de Heer maakte hun haat en tegenstand groter. Er leek een groot tumult te ontstaan. Misschien waren de han­den al uitgestrekt om de Heer te grijpen, Hem gevangen te nemen en Hem te doden en zo een eind te maken aan zijn werk. “En Hij ont­kwam uit hun hand”. Dat gebeurde door een wonder; een andere ver­klaring is niet mogelijk. De woedende menigte, opgezweept door Sa­tan, stond op het punt de Heer te vermoorden. Zij kwamen op Hem af ... en plotseling was Hij verdwenen. Hoe dit gebeurd is, weten wij niet. Was de Heer plotseling onzichtbaar geworden of waren hun ogen verblind? Wij weten het niet. Het was niet mogelijk dat de vijanden de Heer konden aanraken, zolang zijn uur nog niet gekomen was. Hij al­léén had macht zijn leven af te leggen en het weer te nemen.

Daarna was de Heer aan de overkant van de Jordaan, op de plaats waar Johannes eerst doopte; daar bleef Hij. Op deze plaats was de Heer zijn openbaar optreden begonnen, ongeveer drie jaar geleden (1:28). Daar hadden de lippen van Johannes de doper, die nu zwegen, Hem aange­kondigd als het Lam van God. En nu het werk van de Heer bijna vol­bracht was, kwam Hij terug naar dezelfde plaats. Binnenkort was de tijd gekomen dat de Heer Zichzelf zou geven als het Lam van God.

Weer komen veel mensen bij elkaar, rondom Jezus. Zij herinneren zich Johannes de doper. Zij herinnerden zich de woorden die de grote voorloper van de Koning had gesproken. Johannes had geen wonderen gedaan, maar wat hij had gesproken over Hem die in de Jordaan was gegaan om gedoopt te worden, was waar. Het gevolg was dat velen daar in Hem geloofden. Hoe ver hun geloof ging, of zij in de Heer ge­loofden als de Messias of dat zij in Hem geloofden als de Zoon van God en de Verlosser, weten wij niet. Het is wel mogelijk dat veel men­sen die tot de Heer kwamen en in Hem geloofden, behoorden tot degenen die op de Pinksterdag gered werden.


1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   25

  • 10:7‑13
  • 10:14‑18
  • 10:19‑21
  • 10:22‑31
  • 10:32-42

  • Dovnload 1.32 Mb.