Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina14/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   25

Hoofdstuk 11

11:1‑6


1 Nu was er iemand ziek, Lazarus van Bethanie, uit het dorp van Maria en haar zuster Martha. 2 (Maria nu was het die de Heer met balsem heeft gezalfd en zijn voeten met haar haren afgedroogd, wier broer Lazarus ziek was.) 3 De zusters dan zonden tot Hem de boodschap: Heer, zie, hij die U liefhebt is ziek. 4 Toen nu Jezus dit hoorde, zei Hij: Deze ziekte is niet tot de dood, maar ter wille van de heerlijkheid van God, opdat de Zoon van God erdoor wordt verheerlijkt. 5 Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief. 6 Toen Hij dan hoorde dat hij ziek was, bleef Hij nog twee dagen in de plaats waar Hij was.

Een geweldig hoofdstuk ligt nu voor ons. Het wonder dat hier beschre­ven wordt vinden we niet in de andere evangeliën. In dit hoofdstuk zien we de Heer in al zijn heerlijkheid; we zien zijn Goddelijke macht en zijn medegevoel en liefde voor ons mensen. Zijn hart vol liefde, een liefde die de kennis te boven gaat, wordt hier getoond. De Heer had gezegd dat Hij dezelfde macht had als de Vader om doden op te wek­ken, en nu laat Hij die macht zien. We zien de Heer als God in de op­wekking van Lazarus uit de doden, en tegelijk zien wij Hem als Mens: “Jezus weende” (vers 35). De Geest van God heeft het zo geleid dat dit grote wonder beschreven wordt als een onweerlegbaar bewijs dat alles wat de Heer over Zichzelf gesproken heeft waar is. De Joden krij­gen hier het teken dat Hij de Messias is, de Zoon van God.

In het eerste vers wordt meteen vermeld dat Lazarus van Bethanië ziek was. Lazarus is de broer van Maria en Martha; hij wordt hier voor het eerst genoemd. Zijn naam is de Griekse vorm van Eliëzer, wat bete­kent “God helpt”. Veel gissingen zijn gemaakt over zijn persoon, maar behalve wat we over hem vinden in dit hoofdstuk, weten we verder niets van hem. We mogen aannemen dat hij welgesteld was en een grote bekendheid genoot, gezien het grote aantal Joden dat zijn begrafenis bijwoonde. Velen kwamen om hem te bewenen en waren als gevolg daarvan getuige van zijn opstanding.

Lazarus was ziek. De Heer had Lazarus lief en toch liet Hij, die al­machtig is, het toe dat hij ziek was. In onze dagen komen we mannen en vrouwen tegen die zeggen de gaven te hebben zieken te genezen. Zij zeggen dat ziekte onder de kinderen van God een bewijs is van hun on­gehoorzaamheid, van hun zonden; een bewijs dat de Heer ontevreden over hen is. Zij durven te beweren dat als een gelovige ziek is, hij iets verkeerds moet hebben gedaan en dat de ziekte daarvan het gevolg is. Deze vreemde theorieën worden door de bijbel tegengesproken. De Heer had Lazarus lief en toch liet Hij toe dat Lazarus ziek werd.

Prachtig is het te zien wat de twee gelovige zusters, Martha en Maria, nu doen. Wat een geweldig voorbeeld geven zij ons. Zij laten de Heer deze boodschap brengen: “Heer, zie, die Gij liefhebt, is ziek”. Zij wendden zich meteen tot de Heer om Hem te vertellen wat met hun geliefde broer gebeurd was. Ongetwijfeld hadden zij ook een dokter geroepen en hadden zij alles gedaan wat zij konden om hun broer te helpen, maar zij stuurden ook onmiddellijk een boodschapper naar de Heer. Het is ook óns grote voorrecht dat we meteen naar de Heer kun­nen gaan bij ziekte en bij andere moeilijkheden. In zekere zin kunnen wij doen als Hizkia die in het huis van de Heer ging en de brief van Sanherib uitspreidde voor de Heer (2 Kon. 19:14).

De boodschap die zij tot de Heer zenden is geen verzoek, geen gebed dat Lazarus meteen genezen zou worden, zoals de knecht van de hoofdman genezen was door een woord van de Heer. Wat een verschil met “genezers” uit onze tijd, die “eisen” dat een zieke weer beter zal worden en denken dat hun “eisen” een teken is van echt geloof. Nee, echt geloof zien we bij deze zusters die zich tot de Heer wenden, Hem bekend maken met het feit dat Lazarus ziek is, en het dan aan de Heer overlaten.

De Heer geeft hun meteen een antwoord: “Deze ziekte is niet tot de dood, maar tot heerlijkheid van God, opdat de Zoon van God er door verheerlijkt wordt”. Deze woorden van de Heer hebben vragen doen oprijzen. Waarom zegt de Heer dat deze ziekte niet tot de dood is, terwijl Lazarus werkelijk gestorven en begraven is? Waarom zei de Heer niet duidelijker dat Lazarus zou sterven en dat de Heer hem uit de doden zou opwekken?

Als de Heer zegt dat deze ziekte niet tot de dood is, moet Hij bedoeld hebben de dood in zijn volledige vorm, wat ook inhoudt de volledige ontbinding van het lichaam, wanneer het wederkeert tot stof. Zover kwam het niet met Lazarus. Het tweede gedeelte van dit vers ziet wel op het sterven van Lazarus, want door zijn opstanding is de Zoon van God verheerlijkt.

Wat een liefde had de Heer voor Martha en haar zuster! We wijzen nog op het woord dat voor liefhebben gebruikt wordt in de oorspronkelij­ke tekst. In het derde vers vinden we het woord “liefhebben” in ver­binding met Lazarus. Het woord dat gebruikt wordt in vers 5 is een uitdrukking van liefde als de hoogste toegenegenheid; het is hetzelfde woord dat gebruikt wordt in Johannes 3:16. Het woord dat in vers 3 gebruikt wordt is een ander woord, met een zwakkere betekenis; het kan vertaald worden door “houden van”.

Het lijkt vreemd dat de Heer, toen Hij hoorde dat Lazarus ziek was, nog twee dagen bleef in de plaats waar Hij was. Natuurlijk wist de Heer wat er zou gebeuren. Hij wist welk groot werk Hij zou verrich­ten, wanneer Lazarus gestorven was. Chrysostomus zei: “Christus bleef daar nog twee dagen, opdat later niemand zou kunnen zeggen dat Lazarus nog niet dood geweest was, maar schijndood of misschien bewusteloos. De Heer wachtte daarom totdat de ontbinding was inge­treden”. Maar wat een smart moeten de zusters hebben doorgemaakt toen de Heer niet meteen kwam. Zij zagen hun geliefde broer zwakker en zwakker worden en tenslotte zagen zij hem sterven. Het was een geweldige beproeving van hun geloof. Zij waren totaal verslagen. En toch bleven zij hopen! Dat blijkt later in de woorden van Martha toen zij de Heer ontmoette.


11:7‑16


7 Daarop zei Hij hierna tot zijn discipelen: Laten wij weer naar Judea gaan. 8 De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi, onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat U weer daarheen? 9 Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in de dag? Als iemand overdag wandelt, struikelt hij niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet; 10 maar als iemand ‘s nachts wandelt, struikelt hij, omdat het licht niet in hem is. 11 Dit sprak Hij en daarna zei Hij tot hen: Onze vriend Lazarus slaapt, maar Ik ga heen om hem uit de slaap te wekken. 12 De discipelen dan zeiden tot Hem: Heer, als hij slaapt zal hij gezond worden. 13 Maar Jezus had over zijn dood gesproken, maar zij meenden dat Hij over de rust van de slaap sprak. 14 Toen zei Jezus dan vrijuit tot hen: Lazarus is gestorven; 15 en Ik ben blij om u dat Ik daar niet was, opdat u zult geloven; maar laten wij naar hem toe gaan. 16 Thomas dan, Didymus geheten, zei tot zijn medediscipelen: Laten wij ook gaan om met Hem te sterven.

Na verloop van twee dagen zegt de Heer tegen de discipelen dat zij terug gaan naar Judéa. De discipelen zijn verbaasd; ze kunnen het niet geloven dat zij terug zullen gaan naar Judéa, waar de Joden onlangs geprobeerd hebben de Heer te stenigen. De Heer geeft een antwoord op hun tegenwerpingen en vrees. Zijn uren om te werken zijn nog niet voorbij. De Joden kunnen Hem nog niet doden, want zijn uur was nog niet gekomen. Als iemand bij dag wandelt, stoot hij zich niet, omdat hij in het licht van de zon de weg voor zich ziet. Zó wandelde de Heer. In de woorden die Hij dan tot de discipelen spreekt zien we zijn alwe­tendheid: “Lazarus, onze vriend slaapt, maar 1k ga heen om hem uit de slaap op te wekken”. Deze woorden spreekt de Heer omdat Hij weet dat Lazarus gestorven is. De dood is een slaap; na deze slaap volgt een ontwaken. De uitdrukking “slapen” in de betekenis van ster­ven wordt alleen gebruikt bij mensen, want zij zullen weer opstaan. Deze uitdrukking wordt dan ook nooit gebruikt voor redeloze dieren.

De Heer noemt Lazarus “vriend”; hoewel hij al gestorven was, is hij nog steeds de vriend van Christus.

De discipelen begrijpen niet wat de Heer bedoelt. Zij denken aan de natuurlijke slaap en veronderstellen dat dit een teken is van herstel. En als Lazarus weer beter wordt, waarom zullen zij dan allen naar Ju­déa gaan? Deze gedachten speelden door hun hoofd. Toen zei de Heer ronduit tot hen: “Lazarus is gestorven”.

Als de Heer in Bethanië geweest was toen Lazarus ziek was, zou Hij hem waarschijnlijk genezen hebben. Daarom was de Heer blij om de discipelen dat Hij daar niet geweest was om de dood van zijn vriend te voorkomen, want nu zouden zij getuige zijn van de grootste van al zijn wonderen. Dat zou hun geloof in Hem versterken. Dan zegt de Heer: “Laten wij tot hem gaan”.

Vermoedden de discipelen dat de Heer bedoelde dat Hij ook wilde sterven om zo bij Lazarus te zijn? Sommigen trekken deze conclusie uit het antwoord van Thomas. Maar dit is wel ver gezocht. A1s Thomas zegt: “Laten wij ook gaan, opdat wij met Hem sterven” geeft hij uit­drukking aan zijn vrees dat als de Heer teruggaat naar Judéa, Hij zeker gedood zal worden. Omdat er zo veel gezegd en geschreven is over de “ongelovige Thomas”, willen wij er hier op wijzen dat hij zó aan de Heer Jezus gehecht was, dat hij wel met Hem wil sterven.


11:17‑29


17 Toen Jezus dan kwam, vond Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf was. 18 Bethanie nu was dicht bij Jeruzalem, ongeveer vijftien stadiën daar vandaan. 19 En velen van de Joden waren naar Martha en Maria toe gekomen om hen over hun broer te troosten. 20 Toen Martha dan hoorde dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet; maar Maria zat in huis. 21 Martha zei tot Jezus: Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn; 22 maar ook nu weet ik, dat God U al wat U van God zult bidden, zal geven. 23 Jezus zei tot haar: Je broer zal opstaan. 24 Martha zei tot Hem: Ik weet dat hij zal opstaan in de opstanding op de laatste dag. 25 Jezus zei tot haar: Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al sterft hij; 26 en ieder die leeft en in Mij gelooft, sterft geenszins in eeuwigheid. Geloof je dat? 27 Zij zei tot Hem: Ja Heer, ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, die in de wereld zou komen. 28 En na dit gezegd te hebben ging zij heen en riep haar zuster Maria in het geheim en zei: De Meester is er en Hij roept je. 29 Toen zij nu dit hoorde, stond zij snel op en ging naar Hem toe.

Dit gedeelte is zo duidelijk en eenvoudig dat het haast bedorven wordt door mensen die het proberen uit te leggen. Hier proberen een uitleg aan te geven staat gelijk met het proberen goud te vergulden of lelies te beschilderen. We zullen het verhaal in al zijn eenvoud en majesteit volgen en bidden of de Heer ons wil helpen om iets op te schrijven dat kan dienen om de vele geestelijke lessen begrijpelijk te maken.

De Heer komt in Bethanië aan met zijn discipelen. Daar horen zij dat hun vriend Lazarus al vier dagen geleden in het graf was gelegd. Na­tuurlijk wist de Heer dat al. Hij wist wat er gebeurd was en Hij wist wat Hij zou doen. Daarom kon de Heer Zich veroorloven de tijd te ne­men en te wachten tot er geen onzekerheid meer kon bestaan over de vraag of Lazarus werkelijk gestorven was. Hiermee is het argument van ongelovigen die beweren dat Lazarus schijndood geweest is, gelogen­straft. Sommige ongelovigen die in het christendom zijn binnengeslopen durven echter nog een stap verder te gaan en beweren dat dit wonder nooit heeft plaatsgevonden.

Het nieuws dat Lazarus gestorven en begraven was had veel Joden naar Bethanië gebracht. Zij kwamen de beide zusters troosten. Lazarus moet een grote bekendheid genoten hebben. Men veronderstelt wel dat Simon de melaatse de vader was van Lazarus en de beide zusters (Matth. 26:6). Hij moet een rijk en invloedrijk iemand geweest zijn in Bethanië. Omdat hij in dit hoofdstuk niet genoemd wordt, veronder­stelt men dat hij gestorven is.

Behalve veel Joden uit de omgeving en uit Jeruzalem waren ook de zo­genaamde klaagvrouwen aanwezig (Markus 5:38) om het gebruikelijke misbaar te maken, zoals was voorgeschreven door de rabbijnen. Een grote menigte mensen was bijeen om hun deelneming te betuigen aan de bedroefde zusters en om te doen wat het Joodse gebruik voor­schreef. Maar de Heer had hen in zijn voorzienigheid hier gebracht om hen getuige te laten zijn van het grote wonder dat Hij zou doen. Het is niet onmogelijk dat veel Joden die nu in Bethanië waren van de Heer Zelf gehoord hadden dat Hij de macht had om doden op te wekken (Joh. 5).

Het nieuws dat “de profeet van Nazareth”, zoals velen de Heer noem­den, gekomen was met zijn discipelen, moet een grote opschudding veroorzaakt hebben. Het goede nieuws bereikte ook het huis van de zusters, waar ook veel bedroefde vrienden waren. Beide zusters hoor­den dat Jezus kwam, en meteen zien we hun verschillende aard. Om hier meer van te begrijpen moeten we Lukas 10:38‑42 raadplegen. In dit gedeelte zien we dat de Heer in Bethanië komt en dat Martha Hem in haar huis ontvangt. De Goddelijke Gast is nog maar net binnen of Maria zit aan zijn voeten om zijn woorden van leven te horen. Terwijl Martha in beslag genomen werd door het vele dienen en zij aan en af liep om alles klaar te maken voor hun Gast, liet Maria zich dienen door de woorden van de Heer. En toen Martha het waagde te zeggen dat haar zuster bestraft moest worden en zij er zelfs op zinspeelde dat de Heer er niet om gaf dat zij zich zo uitsloofde, antwoordde de Heer haar: “Martha, Martha, gij zijt bezorgd en verontrust over vele dingen; maar één ding is nodig, doch Maria heeft het goede deel gekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen”.

Hier laat Martha weer haar ware aard zien. Zij is nog steeds de haasti­ge, onrustige, ongeduldige Martha, die meteen naar buiten gaat en de Heer tegemoet snelt, terwijl Maria rustig in huis blijft zitten. Onge­twijfeld zit ze in stilte aan de Heer te denken, ze weet dat ze ook gauw in zijn tegenwoordigheid zal zijn. Wat een zorg, verdriet en geloofsbe­proeving moeten deze beide zusters hebben doorgemaakt in de tijd na­dat hun geliefde broer begraven was. Martha, in haar bezorgdheid, heeft misschien steeds weer gedacht: “Heer, bekommert u zich er niet om”? Terwijl Maria vol vertrouwen gedacht zal hebben: “Wat de Heer doet is altijd goed”.

Martha gaat de Heer tegemoet, waarschijnlijk tot buiten Bethanië. Zij heeft er geen schade van geleden dat ze meteen naar de Heer is gegaan, want de Heer heeft geweldige dingen tegen haar gezegd. Maria die stil in huis blijft zitten hoort deze woorden niet en wordt ook niet zo getroost als haar zuster.

De woorden waarmee zij de Heer begroet spreken van haar geloof en van haar grote teleurstelling: “Heer, als gij hier geweest waart, mijn broeder zou niet gestorven zijn”. In de tegenwoordigheid van de Heer verdwijnt de dood. Als de Heer terug zal komen, wanneer zijn stem de heiligen bij elkaar zal roepen om Hem in de lucht te ontmoeten, zal er geen dood meer zijn voor de zijnen die dan nog leven: “Zie, Ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik” (1 Kor. 15:51).

In de woorden van Martha horen we geloof, teleurstelling en een licht verwijt: als de Heer eerder gekomen was, zou haar broer er nog zijn.

Maar haar geloof overwint; haar vertrouwen in de Heer is groter dan haar twijfel en verwijt. Dit blijkt uit haar woorden: “Maar ook nu weet ik (niet: ‘hoop ik’), dat al wat gij van God begeren zult, God het u geven zal”. Net zoals Abraham, toen hij zijn zoon moest offeren, “tegen hoop op hoop geloofd heeft” (Rom. 4:18) zo stelt zij haar vertrouwen in Hem die de macht heeft om doden op te wekken.

Toch doet Martha te kort aan de waardigheid en macht van de Heer; misschien ziet ze door haar droefheid de dingen niet meer zo goed. De Heer hoeft niets aan God te vragen, alsof Hij ondergeschikt aan God zou zijn. De Heer had duidelijk geleerd dat de macht van de Vader ook zijn macht is (Joh. 5:21).

Toch geeft de Heer meteen een antwoord en daarbij een duidelijke be­lofte: “Uw broeder zal opstaan”. Besefte Martha wat de Heer hiermee bedoelde? Als de discipelen deze woorden ook gehoord hebben, zullen zij de betekenis ervan wel begrepen hebben, want de Heer had tegen hen gezegd: “Ik ga heen om hem uit de slaap op te wekken”. Uit het antwoord van Martha blijkt dat zij niet denkt aan een opstanding die nu zal plaatsvinden. Uit haar woorden blijkt wel haar geloof, en dat geloof is in overeenstemming met haar kennis van het oude testament. “Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding op de laatste dag”. De orthodoxe Joden geloven dat alle doden naar het dodenrijk gaan en daar wachten op de komst van de Messias. Dan zal Hij de rechtvaardi­gen terugroepen om met Hem te gaan en de bozen blijven achter in het dodenrijk. In haar antwoord horen we ook teleurstelling: de laat­ste dag is voor haar een gebeurtenis die nog zo ver weg ligt; het geeft haar zo weinig troost bij haar verdriet van dit ogenblik.

Dan spreekt de Heer woorden uit die we nooit moeten vergeten. Woorden die al de eeuwen door, voor ontelbaar veel gelovigen, hoop, troost, vrede en een geweldige zekerheid hebben gegeven. “Ik ben de opstanding en het leven; hij die in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven; en een ieder die leeft en in Mij gelooft zal niet sterven in eeuwigheid”.

Wie is in staat aan deze woorden een bevredigende uitleg te geven? Zoals alle woorden die spreken van eeuwig leven dat van de Heer komt, zijn ook deze woorden onuitputtelijk. Hier spreekt de Heer van Zichzelf als de opstanding en het leven. Eerst noemt Hij de opstanding en dan het leven. Zeker, Hij is het leven, en het leven is het licht van de mensen (Joh. 1). Als de Heer hier eerst spreekt over de opstanding, dan ziet Hij hier vooruit op zijn dood. Nog eens spreekt de Heer over Zichzelf als de “Ik ben”, Jahweh. Tot Johannes op het eiland Patmos zei Hij: “Vrees niet, Ik ben de eerste en de laatste en de levende; en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid en Ik heb de sleutels van de dood en de hades” (Openb. 1:18).

“Ik ben de opstanding en het leven”. Dit heeft geen profeet vóór Hem gezegd, hoewel sommigen doden hebben opgewekt. Geen profeet heeft zoiets kunnen zeggen. Dit is een unieke uitspraak en het is één van de sterkste argumenten voor de Godheid van onze Heer. De Heer die deze woorden sprak is de eeuwige Jahweh, de oorsprong en bron van al het leven. En Hij ging door de dood; daarom kon hij tegen Jo­hannes zeggen: “Ik ben dood geweest”. Zó is door Hem de macht van de dood teniet gedaan. Hij is de opstanding en het leven voor allen die in Hem geloven.

Sommigen hebben van de woorden: “Hij die in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven” gezegd dat ze dezelfde betekenis hebben als Johannes 5:25. Ze zouden namelijk slaan op geestelijke doden. Nu is het waar dat de geestelijke doden die zijn stem horen en geloven in Hem, leven; in dit gedeelte wordt echter niet gesproken over dode zondaars, maar over lichamelijke doden. Zij die in de Heer geloven, hebben leven; zij zijn één met Hem.

Als een gelovige sterft, zoals Lazarus, dan zal hij leven. Want Hij die stierf voor zijn zonden, die dood en graf overwon, leeft ook. En als de Heer er aan toevoegt: “En een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid”, geeft Hij de verzekering dat degenen die in Hem geloven en nog leven op de dag dat de rechtvaardigen in de graven de stem van de Zoon van God zullen horen, de dood niet zullen zien. De apostel Paulus mocht in zijn brief aan de Thessalonikers uit­voeriger over deze dingen schrijven: “Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God neerdalen van de hemel; en de doden in Christus zullen eerst op­staan; daarna zullen wij, de levenden, die overblijven, samen met hen in wolken opgenomen worden de Heer tegemoet in de lucht; en zó zullen wij altijd met de Heer zijn” (1 Thess. 4:16, 17).

Hier in Johannes 11:25 en 26 hebben wij ook deze twee groepen.

Enerzijds zij die in Hem gestorven zijn en uit de doden zullen worden opgewekt; anderzijds zij die nog leven tot de Heer komt, en die niet lichamelijk zullen sterven. Op die geweldige dag van zijn komst zal de waarheid dat Hij de opstanding en het leven is, ten volle gezien wor­den.

Dan vraagt de Heer aan Martha: “Gelooft gij dat”? Haar antwoord ge­tuigt van haar geloof, maar zij kon de woorden die de Heer gesproken had, niet helemaal begrijpen. “Ja, Heer, ik geloof dat gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou”. Haar belijdenis is even groot, zo niet groter dan de belijdenis van Petrus. Zij gelooft dat Hij de beloofde Messias is, de Zoon van David, de Zoon van God, en dat Hij in de wereld kwam om de Verlosser en de Koning te zijn.

Dan denkt zij aan haar zuster. De boodschap die ze fluisterend door­geeft voor Maria is dat de Meester is gekomen en haar roept. Maria staat op; het is de roepstem van de Heer! Zij gaat naar Hem toe.


11:30‑37


30 Jezus nu was nog niet in het dorp gekomen, maar was nog op de plaats waar Martha Hem ontmoet had. 31 Toen nu de Joden die met haar in het huis waren en haar vertroostten, zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging, volgden zij haar in de mening dat zij naar het graf ging om daar te wenen. 32 Toen Maria dan kwam waar Jezus was, zag zij Hem, viel aan zijn voeten en zei tot Hem: Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. 33 Toen Jezus haar dan zag wenen en de Joden die met haar waren meegekomen, zag wenen, werd Hij verontwaardigd in de geest en ontroerd; 34 en Hij zei: Waar hebt u hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heer, kom en zie. 35 Jezus weende. 36 De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had. 37 Maar sommigen van hen zeiden: Kon Hij die de ogen van de blinde opende, niet maken dat ook deze niet stierf?

Uit vers 30 blijkt dat het gesprek tussen de Heer en Martha plaatsge­vonden heeft buiten Bethanië. Als Maria plotseling opstaat, denken de Joden die bij haar zijn in huis om haar te vertroosten, dat zij naar het graf gaat om daar te wenen; daarom gaan zij met haar mee. Het is duidelijk dat zij niet gehoord hebben welke boodschap Martha aan Maria bracht, want dit was in het geheim gebeurd. Zij volgen Maria ‑ maar straks zullen zij Iemand anders ontmoeten, en getuige zijn van zijn macht en heerlijkheid.

Dan komt Maria bij de Heer. Zo gauw zij de Heer ziet, valt zij aan zijn voeten. Dat had haar zuster niet gedaan. We zien Maria drie maal aan de voeten van de Heer Jezus. Zij zat aan de voeten van de Heer en luis­terde naar zijn woorden; hierin erkent zij Hem als Profeet. Hier valt zij aan zijn voeten en smeekt om medegevoel; zij erkent Hem als Pries­ter. Later zien wij haar nog eens aan de voeten van de Heer, als zij Hem zalft; dit deed zij voor zijn begrafenis (12:3‑7).

Nu valt zij aan de voeten van de Heer in de tegenwoordigheid van de Joden; zij erkent Hem openlijk als haar Heer in deze daad van aanbidding. Dan begint ze met dezelfde woorden die Martha ook gesproken had tot de Heer, maar zij zegt niet zo veel. “Heer, als gij hier geweest waart, mijn broeder zou niet gestorven zijn”. Dan stopt zij, misschien kan zij niet meer praten van droefheid. We lezen niet dat Martha ge­weend heeft aan de voeten van de Heer; als Maria echter weent, zijn de Joden die bij haar zijn zo ontroerd dat zij ook wenen. Het woord dat hier voor “wenen” gebruikt wordt, betekend “luid weeklagen”. Als later gesproken wordt over het wenen van de Heer wordt een heel ander woord gebruikt.

Bij dit schouwspel wordt de Heer heftig bewogen in de geest. Hij is ontroerd bij het zien van haar verdriet en zwakheid. Hier zien we de echte mensheid van de Heer. De Heer is “heftig bewogen”, er is diepe smart en verontwaardiging in zijn hart.

De Heer heeft zijn ware mensheid niet afgelegd toen Hij naar de hemel ging. Nu is Hij aan de rechterhand van God en kan Hij mee lijden met onze zwakbeden en als wij verdriet hebben kan Hij het aanvoelen. On­ze grote Hogepriester is de Vriend die wij nodig hebben. Hij is in staat ons te redden als God en met ons mee te voelen als Mens.

Dan vraagt de Heer: “Waar hebt gij Hem gelegd”? Het antwoord is: “Heer, kom en zie”. Deze vraag stelt de Heer niet omdat Hij niet weet waar het graf is. Hetzelfde vinden we ook als God Adam roept: “Waar zijt gij?” God wist heus wel waar Adam zich bevond.

Zij die het antwoord geven, moeten wel gelovigen geweest zijn, want zij spraken Hem aan als Heer. Misschien waren het Martha en Maria die dit zeiden: “Heer, kom en zie”.

Toen kon de Heer zijn tranen niet langer inhouden. “Jezus weende”. In deze geweldige tekst van twee woorden zien we de echte mensheid van de Heer Jezus Christus. Zoals we zeiden is het woord voor wenen een ander woord dan het woord dat gebruikt wordt als het gaat over Maria en de Joden. Het woord dat hier gebruikt wordt (dakruo) be­tekent zacht wenen, het storten van tranen. Het eerstgenoemde woord (klaio) betekent luid wenen; de evangelist Lukas gebruikt het ook als de Heer Jeruzalem nadert en over haar weent (Lukas 19:41). Toen weende de Heer luid; hier, toen Hij het graf van Lazarus naderde, weende Hij zacht. Het wenen over Jeruzalem was het in het openbaar wenen van een profeet; hier was het een uiting van medegevoel met het verdriet van de beide zusters.

We moeten wel bedenken dat Hij nog steeds dezelfde liefhebbende, meevoelende Heer is. “Want wij hebben niet een Hogepriester, die niet met onze zwakheden kan mee lijden, maar een, die in alle dingen ver­zocht is als wij, met uitzondering van de zonde” (Hebr. 4:15).

De Joden zeiden: “Zie, hoe lief Hij hem had”. Anderen zeiden: “Kon Hij, die de ogen van de blinde opende, niet maken dat ook deze niet stierf?” Sommigen waren geraakt door zijn liefde en medegevoel, an­deren maakten een spottende opmerking. Zij herinnerden zich de blin­de man die de Heer in Jeruzalem genezen had. Waarom, zeiden zij sar­castisch, kon Hij dan niet voorkomen dat deze man gestorven is?

11:38-46


38 Jezus dan, opnieuw in Zichzelf verontwaardigd, kwam bij het graf; nu was dat een spelonk en een steen lag er tegen aan. 39 Jezus zei: Neemt de steen weg. Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem: Heer, hij riekt al, want hij is daar vier dagen. 40 Jezus zei tot haar: Heb Ik je niet gezegd, dat je, als je gelooft, de heerlijkheid van God zult zien? 41 Zij namen dan de steen weg. En Jezus hief de ogen op naar boven en zei: Vader, Ik dank U dat U Mij hebt gehoord. 42 Ik wist wel dat U Mij altijd hoort, maar ter wille van de menigte die rondom Mij staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij geloven dat U Mij hebt gezonden. 43 En na dit gezegd te hebben riep Hij met luider stem: Lazarus, kom naar buiten! 44 De gestorvene kwam naar buiten, zijn voeten en zijn handen gebonden met grafdoeken, en zijn gezicht was met een zweetdoek omwonden. Jezus zei tot hen: Maakt hem los en laat hem heengaan. 45 Velen dan van de Joden die naar Maria toe waren gekomen en hadden gezien wat Hij had gedaan, geloofden in Hem; 46 maar sommigen van hen gingen naar de farizeëen en zeiden hun wat Jezus had gedaan.

Jezus is opnieuw in Zichzelf heftig bewogen. Hij komt bij het graf, een grot, afgesloten door een steen. Deze grot was een soort kamer, horizontaal in de rots uitgehouwen. De begraafplaatsen die de Joden gebruikten waren soms door de natuur gevormd (Gen. 23:9), soms wa­ren ze door mensen gemaakt, uitgehouwen in de rots (Jes. 22:16; Matth. 27:60). Zo’n graf kon in een tuin zijn (Joh. 19:41), ook wel in het veld (Gen. 35:19).

Wat moet dat een ogenblik geweest zijn toen de Heer het bevel gaf: “Neemt de steen weg”. Hij had ook één woord kunnen spreken, en dan zou door zijn almacht de steen vanzelf weggerold zijn. Maar Hij liet de steen wegnemen. Dit bevel confronteerde de getuigen die aanwezig waren met de werkelijkheid van dit grote wonder dat zou plaatsvinden. Zij wisten dat het lichaam van Lazarus vier dagen gele­den in dit graf was gelegd. Daar rustte nu zijn lichaam. Misschien had­den sommigen van deze mensen nog geholpen om de steen voor de opening van het graf te brengen. En nu moesten zij het graf weer open maken. Wat een getuigen zouden zij straks zijn om het wonder dat zou plaatsvinden te bevestigen.

Dan horen we de stem van het ongeloof. Martha zegt tot de Heer: “Heer, hij riekt al, want hij is daar vier dagen”. Met deze woorden be­vestigt zij het onbetwistbare feit dat haar broer Lazarus gestorven is. Zij zou dit nooit gezegd hebben als zij er niet van overtuigd was dat haar broer gestorven was. Misschien was hij in haar armen gestorven. Haar woorden zijn één van de vele bewijzen waardoor het wonder van de opstanding van Lazarus onbetwistbaar is.

Martha had geen idee wat de Heer zou gaan doen. Zij dacht er niet aan, dat de Heer hem uit de doden zou opwekken. Ongelovigen heb­ben de gedachte geopperd dat dit voorval verklaard kan worden als bedrog, maar deze woorden van Martha maken zo’n veronderstelling belachelijk. Zij zegt “hij riekt al”, en dat is een volkomen natuurlijke zaak. In het warme Oosterse klimaat gaat een lijk snel over tot ont­binding. Ongetwijfeld kwam de lucht van ontbinding uit het graf toen de steen weggedaan was. Dat wist Martha, en daarom had zij liever niet dat de steen weggenomen werd, want zij geloofde niet dat de Heer haar broer nu nog tot het leven terug kon brengen. Zij dacht er niet aan dat Hij die het bevel gaf de steen weg te nemen, de almachtige Heer was, de Schepper van alle dingen, die de macht heeft over leven en dood, voor wie niets onmogelijk is.

Het traditionele geloof van de orthodoxe Joden kan misschien licht werpen op de vraag waarom de Heer toeliet dat Lazarus vier dagen in het graf lag en geen drie dagen. Deze traditie beweert het volgende: als iemand gestorven is, blijft de geest van die persoon in de buurt en wacht of hij misschien weer terug kan keren in die persoon. Maar als de kleur van het gezicht veranderd, als de tekenen van ontbinding zichtbaar worden, dan gaat de geest weg en gaat naar zijn plaats.

Daarom verklaarden de Joden pas na drie dagen dat iemand wer­kelijk gestorven was, want dan verandert het gezicht van de gestorve­ne. Na drie dagen verlaat de geest van de gestorvene het graf en is er geen hoop dat de dode terugkeert tot het leven.

Het is maar een traditie, maar als die traditie in ere was in die tijd, wat hoogstwaarschijnlijk het geval was, dan kan dit een verklaring zijn waarom Lazarus niet op de derde, maar op de vierde dag opgewekt is.

Wat een vriendelijk antwoord geeft de Heer op deze woorden van on­geloof: “Heb Ik u niet gezegd, dat gij, als gij gelooft, de heerlijkheid van God zien zult”? Dezelfde woorden gebruikte de Heer in zijn bood­schap aan de zusters voor Hij kwam (vers 4). Hij zegt tegen Martha dat als zij gelooft, zij de heerlijkheid van God zal zien. Bij de Joden was de volgorde altijd andersom: eerst zien, dan geloven (Joh. 20:29). Het is het geloof in Hem dat de openbaring van de heerlijkheid van God mogelijk maakt. Wij twijfelen er niet aan of deze woorden van de Heer doen haar geloof ontvlammen en zij gelooft, zodat de duister­nis van ongeloof en onzekerheid verdwijnt.

Gehoorzaam wordt het bevel van de Heer uitgevoerd. De ongelovige woorden van Maria hadden gemaakt dat men niet meteen gehoorzaam­de aan dit bevel. Het antwoord van de Heer is voor de mannen het teken om de steen weg te nemen van het graf. Dan is de steen wegge­nomen en is de opening van het graf onbedekt. Als men naar binnen kijkt, kan men het lijk zien, gewikkeld in grafkleren. Wat een geweldig ogenblik is dit! Geen schilder kan dit tafereel ten volle uitbeelden, geen pen kan de gevoelens van onrust en ontroering van alle ooggetui­gen beschrijven. De Heer staat midden tussen al deze mensen in met een onverstoorbare kalmte. Waarschijnlijk staan de beide zusters aan beide kanten van Hem. Beiden kijken niet naar de opening van het graf, maar zij zullen naar de Heer gekeken hebben. Er is geen twijfel meer in hun harten, zij geloven. Iets naar achteren staan de vele Joden, op hun gezichten is een geweldige verwachting, nieuwsgierigheid en verbazing af te lezen.

Enkele ogenblikken is het stil. Dan horen we de stem van de Heer; de ogen opgeheven naar de hemel zegt Hij: “Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt. Ik wist wel, dat Gij Mij altijd hoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij mogen geloven dat Gij Mij gezonden hebt”.

Steeds weer in dit evangelie, als de Heer getuigt over Zichzelf, spreekt Hij over zijn één zijn met de Vader en over het feit dat de Vader Hem gezonden heeft. Hij spreekt de onzichtbare God, die Hij kent en ziet, aan als Vader. Wat de Heer zegt is ook ter wille van de mensen die rond­om Hem staan, “opdat zij mogen geloven dat Gij Mij gezonden hebt”.

De Heer begint niet met een smeekbede, zoals profeten doen, maar met het uitspreken van dank. Wij zouden in dit geweldige ogenblik een gebed tot God verwacht hebben met het verzoek of God zijn macht zou willen laten zien. Maar in plaats daarvan horen we: “Va­der Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt”. Er is wel verondersteld dat de Heer al tot God gebeden zou hebben, vanaf het moment dat Hij wist dat Lazarus gestorven was. Maar deze mening kan niet juist zijn. Dit blijkt ook uit het volgende vers: “Ik wist wel, dat Gij Mij altijd hoort”. Wij zien hier geen twijfel, maar zekerheid; de Heer weet dat Hij al hééft wat Hij gaat vragen. Hij weet dat zijn gebed al beantwoord is, voordat Hij het heeft uitgesproken.

Chrysostomus zei van dit gedeelte: “Wie heeft ooit op deze manier gebeden? Voordat de Heer een gebed uitspreekt, zegt Hij “Ik dank U”; daardoor laat de Heer zien dat Hij niet hoeft te bidden”.

Omdat zijn gebed was verhoord voordat Hij het uitsprak, kon de Heer de Vader danken. Weer zien we dat Hij en de Vader één zijn. De Heer spreekt deze woorden uit voor de mensen die om Hem heen staan op­dat zij overtuigd zouden zijn en zouden geloven, dat de Heer alleen handelde in overeenstemming met de Vader. Het is zoals de Heer ge­zegd had: “De Zoon kan niets doen van Zichzelf, tenzij Hij de Vader iets ziet doen; want alles wat die doet, dat doet ook de Zoon evenzo” (5:19). De woorden die de Heer in hun tegenwoordigheid uitspreekt zijn een bewijs dat Hij de Christus is, Degene die de Vader heeft ge­zonden, en die op het punt staat te doen, wat de Vader doet: “Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil” (5:21).

Dan komt het geweldige ogenblik. De Heer roept met een luide stem: “Lazarus, kom naar buiten!” Wat een roepstem moet dit geweest zijn! En die luide stem die gehoord werd voor het open graf van Lazarus, zal weer gehoord worden. Nóg eens zal de Heer met een bevelend roepen de geweldige woorden “komt naar buiten” spreken. Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen neerdalen van de hemel (1 Thess. 4:16). Dan zullen de graven van de doden in Christus geopend worden; vergankelijkheid zal onvergankelijkheid aandoen en wij, de levenden, zullen veranderd worden in een ondeelbaar ogenblik; dit onsterfelijke zal onsterfelijkheid aandoen.

De ogen van allen zijn gericht op de opening van het graf. Men wacht ademloos. Dan ziet men plotseling in de duisternis van de grot vaag een witte gedaante. Langzaam komt die gedaante naar de opening en nu zien allen dat het Lazarus is. Aan handen en voeten gebonden met grafdoeken stapt Lazarus, die weer leeft, naar het daglicht. Hij komt naar buiten! Hij is een geweldige getuige van de Godheid van de Heer, een getuige van al de woorden die de Heer gesproken heeft, het bewijs dat die woorden waar zijn. Hier is de getuige van de geweldige macht van de Heer over de dood.

Maar Lazarus kwam naar buiten “aan handen en voeten gebonden met grafdoeken en om zijn gezicht was een zweetdoek gewonden. Jezus zei tot hen: Maakt hem los en laat hem heengaan”. Dat levert geen moeilijkheid op, zoals sommigen veronderstellen, die zeggen: hoe kon Lazarus naar buiten gaan als hij aan handen en voeten gebonden was met doeken van linnen? Maar het was de gewoonte van de Joden het linnen tamelijk los om het lijk te wikkelen. Om de kaak was ook een doek gewonden, om te voorkomen dat de onderkaak naar bene­den zou vallen. Deze doeken zijn opnieuw een bewijs dat Lazarus wer­kelijk dood is geweest.

Daar staat hij nu in de opening van het graf. Het leven is hem gegeven door Hem die de opstanding en het leven is. Maar nu heeft hij iets anders nodig. De grafdoeken en de zweetdoek moeten verwijderd worden; hij moet vrij gemaakt worden, opdat hij vrij kan rondlopen en vrij kan ademen. Dat kan hij niet zelf, want zijn handen en voeten zijn gebonden. De Heer had maar één woord hoeven te spreken en deze dingen die Lazarus hinderden, waren op de grond gevallen. De Heer geeft echter de omstanders de opdracht om dit te doen. Dit bevel brengt hen weer terug tot de werkelijkheid; het is wel mogelijk dat de­zelfde mensen die Lazarus in doeken gewikkeld hadden, hem nu weer moeten losmaken.

Het grootste wonder was gebeurd. Alles wat de Heer over Zichzelf getuigd had (hoofdstuk 5) was nu bevestigd. Van de woorden die de Heer gesproken had, was bewezen dat ze waar waren. Maar in het aan­gehaalde hoofdstuk sprak de Heer over lichamelijke doden en over geestelijke doden. Beiden zullen de stem van de Zoon van God horen. De opstanding van Lazarus heeft daarom ook een symbolische betekenis; het is een beeld wat de Heer van het Leven doet voor geestelijke doden.

Lazarus die gestorven en begraven was in de duisternis van het graf is een beeld van de natuurlijke mens, dood in misdaden en zonden. Hij is in de duisternis en zijn beste prestaties zijn net vuile vodden, afschu­welijk voor een heilig en rechtvaardige God. Wat de mens nodig heeft is leven en dat kan hij zichzelf niet geven. Hij is net zo min in staat zichzelf op te wekken als Lazarus, opgesloten in het graf. Evenmin kunnen doden doden opwekken. Niemand van de omstanders kon iets doen voor Lazarus; zij waren net zo hulpeloos als de dode in het graf. Er is maar één die het leven kan geven, en dat is Hij die “de opstan­ding en het leven” is. Hij moet de woorden van leven spreken: “Kom naar buiten”! Daarna ontstaat meteen het opstandingsleven. Zo gaat het ook met de geestelijke doden. Zij die zijn stem horen, die in Hem geloven, ontvangen het leven door Hem en in Hem, het opstandings­leven, het eeuwige leven (Joh. 5:24). Elke geestelijke opstanding van een verloren zondaar is een wonder.

Maar Lazarus moest vrijgemaakt worden, vrij van de gebondenheid van het graf. Het losmaken van de grafdoeken was de noodzakelijke voor­waarde om gebruik te maken van het leven dat hem gegeven was. Als de grafdoeken niet weggenomen waren was hij weer teruggevallen in het graf. Zo maakt de Heer Jezus ons ook vrij van de grafdoeken, de grafdoeken van het Judaïsme, de wet, een bediening van de dood en niet van het leven. Vrij van de wet, dat is de gelukkige toestand van de zondaar die tot leven gebracht is en gered is door genade. In Chris­tus heeft de gelovige volkomen vrijheid. De grafdoeken zijn weg. “Om vrij te zijn heeft Christus ons vrijgemaakt; staat dan vast en laat u niet weer onder een slavenjuk brengen” (Gal. 5:1).

In dat nieuwe leven is er niet alleen bevrijding van de slavernij van de wet; er is ook bevrijding van de slavernij van de zonde. Om deze vrij­heid bekend te maken maakt de Heer gebruik van zijn gaven, de le­raars van zijn Woord, net zoals de Heer de mensen gebruikte om Laza­rus vrij te maken, zodat hij in volkomen vrijheid kon wandelen.

Het gevolg van dit grote wonder is dat velen uit de Joden in Hem ge­loofden. Wat konden zij anders toen zij dit overtuigend bewijs zagen dat Hij de Christus is, de Zoon van God? Misschien waren er velen van hen onder degenen die zich bekeerden op de pinksterdag. En wat deden de beide zusters? We lezen in dit verhaal verder niets van hen. We kunnen ons voorstellen dat zij beiden eerst aan de voeten van de Heer zijn neergevallen in verering en aanbiddingen dat zij daarna hun broer omhelsd hebben.

Maar de vijanden van de Heer, verblind als zij waren door Satan, gin­gen naar de Farizeeën, om hun te vertellen wat er gebeurd was.

Het moet ons opvallen dat we niet lezen dat Lazarus iets gezegd heeft over zijn toestand toen hij in het graf was en dat er ook niets vermeld wordt van zijn verdere leven. De overlevering zegt dat hij nog dertig jaar geleefd heeft en men hem nooit heeft zien glimlachen; maar dit is waarschijnlijk een uitvinding van mensen die niet op waarheid berust. Dat we nergens lezen dat Lazarus gesproken heeft, moeten we zien als Goddelijke wijsheid. Omdat het aan Paulus niet geoorloofd was te spreken over de dingen die hij in de derde hemel gezien had en hij “onuitsprekelijke woorden” gehoord heeft, is het niet vreemd te veronderstellen dat Lazarus nooit gesproken heeft over de dingen die hij in het paradijs gezien heeft (2 Kor. 12:4).

Wij zien in de bijbel altijd dat personen die het voorwerp zijn geweest van een bijzondere Goddelijke tussenkomst, zwijgen over hun ervaring en gevoelens. De wegen van God zijn niet gelijk aan de wegen van de mensen. De mens houdt van sensatie en opwinding. Hij houdt ervan om van het werk van God een voorwerp van bewondering te maken, een show voor zijn medemensen. Dat leidt tot grote schade. God houdt zulke personen juist ver weg van het grote publiek, voor hun eigen bestwil en tot zijn eer.

Ook valt het ons op dat we niets lezen over de gevoelens van Martha en Maria, nadat hun broer is opgestaan uit de doden. Een sluier is ge­spreid over hun vreugde. Dit was niet het geval met hun verdriet. Van verdriet kunnen we meer leren dan van vreugde.

Tenslotte zien we dat de opwekking van Lazarus het duidelijkste be­wijs is van de Goddelijke macht van Christus. Voor Hem die zo’n wonder kon doen, is niets onmogelijk. Hij kan iedere mens opwekken uit de dood van de zonde, hoe ver weg en hoe zondig hij ook is. Hij zal de gestorven gelovigen opwekken bij zijn tweede komst. Hij die Lazarus uit het graf riep is almachtig. “De doden zullen de stem van de Zoon van God horen en die ze gehoord hebben, zullen leven” (Joh. 5:25).

11:47‑57


47 De overpriesters dan en de farizeëen riepen de Raad bijeen en zeiden: Wat doen wij? want deze mens doet vele tekenen. 48 Als wij Hem zo laten begaan, zullen allen in Hem geloven; en de Romeinen zullen komen en zowel onze plaats als ons volk wegnemen. 49 Maar één van hen, Kajafas, die in dat jaar hogepriester was, zei tot hen: 50 U weet niets, en u bedenkt niet, dat het nuttiger voor ons is dat één mens sterft voor het volk en niet de hele natie verloren gaat. 51 Dit nu zei hij niet uit zichzelf, maar daar hij hogepriester in dat jaar was, profeteerde hij dat Jezus zou sterven voor het volk; 52 en niet alleen voor het volk, maar opdat Hij ook de verstrooide kinderen van God tot één zou vergaderen. 53 Van die dag af dan beraadslaagden zij om Hem te doden. 54 Jezus dan wandelde niet meer vrijuit onder de Joden, maar ging vandaar naar het land bij de woestijn, naar een stad die Efraim heette, en bleef daar met de discipelen. 55 Het pascha van de Joden nu was nabij, en velen uit het land gingen op naar Jeruzalem voor het pascha, om zich te reinigen. 56 Zij zochten dan Jezus en zeiden onder elkaar, terwijl zij in de tempel stonden: Wat denkt u? Zou Hij soms niet op het feest komen? 57 De overpriesters nu en de farizeëen hadden bevelen gegeven dat, als iemand wist waar Hij was, hij het te kennen zou geven, opdat zij Hem zouden grijpen.

Er is een groot wonder gebeurd. Het getuigenis van de Heer over Zich­zelf is bekroond met dit teken van zijn almacht. Veel Joden zijn hier­van ooggetuige geweest; zij kunnen het niet ontkennen. Het Sanhe­drin, de Joodse Raad, wordt bijeengeroepen; hierin hebben priesters, oudsten en schriftgeleerden zitting, terwijl de hogepriester voorzitter is. De grote vraag waarover gediscussieerd wordt is wat zij hieraan moesten doen, en dan volgt een opvallende verklaring: “Want deze mens doet veel tekenen”. Deze vijanden zijn éénstemmig over het feit dat de Heer veel tekenen doet. De wonderen die de Heer gedaan heeft en die vermeld zijn in dit evangelie gaan alle samen met de verklaring van de Heer dat Hij de Messias is, de Zoon van God. Steeds weer zegt de Heer dat Hij en God die Hem gezonden heeft, één zijn; en uit de won­deren die de Heer doet, blijkt dat deze woorden waar zijn. Dat de Heer deze wonderen verrichtte, was niet tegen te spreken. Als het mo­gelijk geweest was de echtheid van de wonderen in twijfel te trekken, dan hadden de godsdienstige leiders van het volk dit zeker gedaan. Vandaag de dag wagen de “godsdienstige leiders” het te ontkennen dat de Heer wonderen heeft gedaan, terwijl de ooggetuigen uit die tijd verklaarden dat Hij veel tekenen deed! Als de Farizeeën en overpries­ters, die Christus gezien hebben, die zijn wonderen zagen en Hem op alle mogelijke manieren tegenwerkten, het niet waagden de echtheid van de wonderen in twijfel te trekken, is het belachelijk en dwaas nu deze wonderen te ontkennen. Het is Satan gelukt deze mensen blind te maken.

Wat moeten wij doen?” Dat is de vraag van het Sanhedrin. “Als wij Hem zo laten begaan, zullen allen in Hem geloven”, zullen allen erken­nen dat God Hem gezonden heeft, dat Hij de beloofde Messias en Ko­ning is. Dan volgt een argument dat het gevolg is van de onwetendheid van hun ongeloof. Zij zijn bang voor hun nationale welzijn. Als allen in Hem zullen geloven. zullen “de Romeinen komen en zowel onze plaats (de tempel) als ons volk wegnemen”; dat zal het einde zijn van ons nationaal bestaan! Zij denken dat het verwerpen van de Heer hun veiligheid zal garanderen en dat het aannemen van de Heer een natio­nale ramp tot gevolg zal hebben.

Maar de ramp waarvoor zij bang waren kwàm over de tempel, over Jeruzalem en over het volk juist omdat zij de Heer verworpen hebben en Hem naar het kruis hebben verwezen. Hun roepen: “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen” is op een verschrikkelijke wijze in vervulling gegaan in de verdere geschiedenis van het Joodse volk.

Eén van hen spreekt. Het is Kajafas, die dat jaar hogepriester was. Hij en zijn schoonvader Annas waren Sadduceeën (Hand. 5:17). Het schijnt dat de sadducceeën in die tijd de leiding hadden in de Joodse Raad. Kajafas en Annas waren beiden hogepriester in die tijd (Lukas 3:2). Dat zij de macht hadden in het Sanhedrin blijkt uit de spottende opmerking van Kajafas in verband met de overleggingen van de Farizeeën. “Gij weet niets; en gij overlegt niet, dat het nuttiger voor ons is dat één mens sterft voor het volk en niet het hele volk omkomt”. Hij stelt voor de Heer uit de weg te ruimen ter wille van een nuttigheids­redenering. “Het is nuttiger voor ons” ‑ wat een opmerking is dat! Of Hij onschuldig is of niet, of Hij de Messias is of niet, of Hij God is geopenbaard in het vlees of niet, voor het welzijn van het hele volk staat voor hen nog één weg open: Hij moet sterven. De vraag of het rechtvaardig is, of volgens de wet, wordt niet overwogen. Aan God denken zij niet. Kajafas spreekt als een knappe politicus, net zoals de politici van deze wereld ook doen. Het is voor hem niet een vraag van recht, maar van nuttigheid.

Maar we kunnen deze opmerking ook van een andere kant bezien. Kajafas handelde in boosheid, maar God gebruikte hem toch als een spreekbuis om een grote waarheid uit te spreken. God gebruikte hem als een instrument, net zoals Bileam, die Israël haatte, gebruikt werd om een zegen over Israël uit te spreken. God sprak door Kajafas; want de woorden die hij in zijn ambt als hogepriester uitspreekt, hebben een profetische waarde. Natuurlijk was Kajafas zich niet bewust dat hij gebruikt werd door de Geest van God en dat hij profetische woor­den uitsprak. Hij sprak deze woorden in de boosheid van zijn hart, aangewakkerd door Satan; het zou een goed ding zijn, een nuttig ding, dat deze mens zou sterven voor het volk, opdat het hele volk niet zou omkomen.

Het was waar dat “Jezus zou sterven voor het volk”! Het volk zou uiteindelijk gered worden door het verzoenend sterven van de Heer Je­zus. Zo had de Geest van God lang geleden gesproken: “Om de over­treding van mijn volk is de plaag op Hem geweest” (Jes. 53:8). Op een wonderlijke wijze gedreven door de Heilige Geest sprak Kajafas over hetzelfde waarover Jesaja zevenhonderd jaar eerder gesproken had. De dag zal komen dat het overblijfsel van Israël gered zal worden om­dat Hij voor hen stierf. Dan zullen zij Hem belijden in dezelfde woor­den van Jesaja’s profetie: “Nochtans, onze ziekten heeft Hij op Zich genomen en onze smarten gedragen; wij echter hielden Hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. Maar om onze over­tredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem en door zijn striemen is ons genezing geworden” (Jes. 53:4‑5).

De Geest van God voegt er nog aan toe: “Niet voor het volk alleen, maar ook opdat Hij de verstrooide kinderen van God tot één zou ver­gaderen”. In de Efezebrief lezen we dat Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven (5:25). Over dit toen nog toekomstige feit wordt hier al gesproken; de roeping van de uitverkorenen van alle volken, de andere schapen, om samen met de gelovige Joden de gemeente te vormen, het lichaam van Christus.

Het advies van Kajafas moet een grote indruk gemaakt hebben op de meerderheid van de Raad. Als Nicodémus daar ook geweest is (wat we mogen aannemen, want hij hoorde ook bij het Sanhedrin), dan is aan de protesten van hem en van anderen het stilzwijgen opgelegd. Naar hèn werd niet geluisterd. “Van die dag af dan beraadslaagden zij om Hem te doden”. Om dit plan uit te voeren gaan zij heel voorzich­tig te werk; want met al hun boze plannen zijn zij grote lafaards. Alles draait om hun eigen belang. We lezen niet hoe vaak zij vergaderd hebben om hun plannen uit te voeren.

Maar de Heer wist dit alles, hoewel Hij er niet bij was toen Kajafas zijn dood voorspelde. Het was niet nodig dat vrienden Hem kwamen vertellen welke plannen tegen Hem gesmeed werden. Hij kende hun gedachten, Hij hoorde hun woorden en daarom wandelde Hij niet meer vrijuit onder de Joden. Hij wist wat er zou gebeuren; Hij wist wanneer zijn uur zou komen, maar nu trok Hij Zich terug in een stad, Efraïm geheten. Daar bleef Hij. We lezen niet wat de Heer daar gedaan heeft of gesproken. We kunnen er zeker van zijn dat Hij de tijd daar doorbracht in gemeenschap met de Vader en in gesprekken met de dis­cipelen.

“Het Pascha van de Joden was nabij”. Grote groepen mensen reisden naar Jeruzalem om het feest bij te wonen in de heilige stad. Het schijnt dat vele van deze Joden de Heer zochten. Zijn naam was wijd en zijd bekend; de mensen hadden gehoord welke wonderen Hij ge­daan had. Zij hadden nu grote verwachtingen, dat Hij op het feest zou komen en nog grotere wonderen zou doen. Zo stonden de mensen in groepjes bij elkaar op het tempelplein en stelden de vraag: “Wat dunkt u? Zou Hij niet op het feest komen?” Het schijnt dat de vijanden van onze Heer een definitieve beslissing hadden genomen. Zij wisten dat de Heer verdwenen was. Niemand wist waar Hij verbleef. Daarom had­den zij “een bevel gegeven. dat als iemand wist waar Hij was, hij het zou te kennen geven, opdat zij Hem konden grijpen” en hun plannen konden uitvoeren.

Maar voorlopig was Christus nog niet in hun handen. Voor Hij zijn le­ven vrijwillig zou afleggen, voor zijn uur gekomen was, moest hij Zich eerst openlijk vertonen aan Jeruzalem als de Koning.


1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   25

  • 11:7‑16
  • 11:17‑29
  • 11:30‑37
  • 11:38-46
  • 11:47‑57

  • Dovnload 1.32 Mb.