Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina15/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   25

Hoofdstuk 12

12:1‑1l


1 Jezus dan kwam zes dagen voor het pascha in Bethanie, waar Lazarus was, de gestorvene, die Jezus uit de doden had opgewekt. 2 Zij maakten daar dan een maaltijd voor Hem klaar, en Martha diende; Lazarus nu was één van hen die met Hem aanlagen. 3 Maria dan nam een pond balsem van onvervalste, kostbare nardus, zalfde de voeten van Jezus en droogde zijn voeten met haar haren af; en het huis werd met de geur van de balsem vervuld. 4 Een van zijn discipelen echter, Judas Iskariot, zoon van Simon, die Hem zou overleveren, zei: 5 Waarom is deze balsem niet verkocht voor driehonderd denaren en aan de armen gegeven? 6 Dit zei hij echter, niet omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als degene die de beurs had, droeg wat erin werd gedaan. 7 Jezus dan zei: Laat haar begaan; zij heeft dit bewaard voor de dag van mijn begrafenis. 8 Want de armen hebt u altijd bij u, maar Mij hebt u niet altijd. 9 De grote menigte van de Joden dan wist dat Hij daar was; en zij kwamen, niet alleen om Jezus, maar ook opdat zij Lazarus zagen die Hij uit de doden had opgewekt. 10 De overpriesters nu beraadslaagden om ook Lazarus te doden, 11 omdat velen van de Joden om hem heengingen en in Jezus geloofden.

In dit hoofdstuk zien we dat de Heer voor het laatst in het openbaar optreedt voor de Joden in Jeruzalem. Na dit hoofdstuk krijgen we de gesprekken van de Heer met zijn eigen discipelen. Deze gesprekken worden in de andere evangeliën niet vermeld. Daarna vinden we in hoofdstuk 17 het gebed van de Heer voor de zijnen tot de Vader. In het dan volgend hoofdstuk gaat de Heer naar Gethsémané, en Hij laat Zich binden en meevoeren als een lam dat naar de slachtbank gaat.

In de andere evangeliën lezen we wat er gebeurde op de weg naar Je­ruzalem, zoals de genezing van de blinde man in Jericho, de ontmoe­ting met Zacheüs, enz.. Dit alles vermeldt de apostel Johannes niet.

Het was zijn laatste reis naar Jeruzalem, zoals we in het Lukasevange­lie lezen. Onderweg daarheen vertelde Hij aan de discipelen wat er bin­nenkort zou gebeuren: “Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en alles zal volbracht worden wat aangaande de Zoon des mensen geschreven is door de profeten. Want Hij zal aan de volken overgeleverd worden en Hij zal bespot en smadelijk behandeld en bespuwd worden. En zij zul­len Hem geselen en doden; en op de derde dag zal Hij opstaan” (Luk. 18:31‑33). Zo ging de Heer verder met zijn discipelen in volkomen rust. Hij wist wat Hij zou moeten lijden in de stad van David. Hij maakte zijn gelaat als een keisteen, in het volste vertrouwen dat Hij niet beschaamd zou worden, maar het werk zou volbrengen dat zijn Vader Hem gaf te doen (zie Jes. 50:6‑7).

De Heer komt in Bethanië vlak voor de sabbat, op vrijdagmiddag. Die laatste sabbat brengt de Heer door bij zijn vrienden in Bethanië, die Hij liefheeft. De volgende sabbat zou zijn lichaam in het graf liggen. Op de dag na de sabbat, op de eerste dag van de week zou Hij in het openbaar Jeruzalem binnen rijden op een ezel. Als bijzonderheid wordt vermeld dat Lazarus daar was: “Waar Lazarus was, de gestorve­ne, die Jezus uit de doden opgewekt had”. Sinds Lazarus uit de doden was opgewekt, was hij in Bethanië geweest als de getuige van de al­macht van de Christus. Wijd en zijd had men van dit wonder gehoord; ook de Joden die naar Jeruzalem kwamen hoorden het. En zoals we zien in vers 9 komt een grote schare naar Bethanië om Lazarus te zien.

Zij richtten daar dan een maaltijd voor Hem aan”. Martha was zoals altijd druk met het bedienen. Nu dient zij zonder bezorgd of veront­rust te zijn door veel dienen. “Lazarus was één van hen die met Hem aanlagen”. Hier wordt Lazarus voor de laatste keer genoemd; hierna lezen we nooit meer van hem. Wij weten niet hoe lang hij nog geleefd heeft of hoe hij geleefd heeft. Hier zien we hem voor het laatst, aan tafel met Hem die hem uit de doden had opgewekt.

Deze maaltijd in Bethanië is een prachtig beeld van het grote toekom­stige bruiloftsmaal van het Lam, dat plaats zal vinden in de heerlijk­heid (Openb. 19). Dan zal de Heer Jezus Christus verenigd zijn met de zijnen in heerlijkheid. Lazarus is een beeld van hen die gestorven zijn en uit de doden zijn opgewekt; Martha en Maria zijn een beeld van de levenden die overblijven tot Hij komt.

Maar er is nog een andere les te leren. We hebben gezien dat Lazarus, toen hij gestorven was, een beeld was van de zondaar, dood in misda­den en zonden. In zijn opstanding is hij een beeld van het leven dat ieder ontvangt die in Christus gelooft. Dan volgt de vrijheid: “Maakt hem los en laat hem heengaan”. Hier zien we Lazarus in gemeenschap met de Heer, genietend van de gemeenschap met Hem. Leven, vrijheid en gemeenschap: drie heerlijke feiten die het gevolg zijn van het aan­nemen van het evangelie van de genade.

De grote gebeurtenis tijdens deze maaltijd vindt plaats als we Maria weer zien aan de voeten van de Heer, als zij Hem zalft met onvervalste, kostbare nardus en dan de voeten van de Heer afdroogt met haar haren. Het is de uitdrukking van haar diepste liefde en dankbaarheid, een daad van aanbidding, waarbij zij Hem als Heer erkent. In Mattheüs en Markus lezen we dat zij ook het hoofd van de Heer gezalfd heeft (Matth. 26:6‑13; Mark. 14:3‑9). In beide evangeliën verklaart de Heer dat overal waar dit evangelie gepredikt zal worden in de hele wereld ook haar daad vermeld zal worden. Maar in het evangelie van Johannes wordt vermeld dat het huis vervuld werd van de balsemgeur. Deze fei­ten zijn geen tegenstrijdigheden; het is ook niet nodig om te proberen ze met elkaar in overeenstemming te brengen door te spreken over ver­schillenden zalvingen, zoals sommigen gedaan hebben. Er is maar één zalving geweest in Bethanië. Maria zalfde zowel het hoofd als de voe­ten van de Heer; Johannes legt de nadruk op het feit dat zij de voeten van de Heer gezalfd heeft. Waarschijnlijk is het zo gegaan: eerst heeft Maria het hoofd van de Heer gezalfd, toen is zij neergeknield aan de voeten van de Heer en zalfde de voeten van de Heer als een bewijs van diepe nederigheid, dankbaarheid en aanbidding. Zo heeft zij het li­chaam van de Heer tevoren gezalfd voor de begrafenis. Maria van Be­thanië was niet bij de vrouwen die naar het graf gingen om het lichaam van onze Heer te zalven; zij wist dat Hij zou opstaan uit de dood.

In Lukas 7:38 lezen we ook van een vrouw die een zondares was, die de voeten van de Heer afdroogde met haar haren. Hier lezen we niet van tranen. Maria kwam met een albasten fles met zeer kostbare bal­sem. Zij gebruikte niet maar een beetje balsem, maar zij brak de albas­ten fles en goot die uit op het hoofd en de voeten van de Heer. De Heer is het waard dat Hij àlles krijgt! We lezen dat het een kostbare nardus was. Zulke kostbare zalfolie werd veel gebruikt in de oudheid. Men gebruikte er meestal heel weinig van. Misschien was de albasten fles die deze kostbare balsem bevatte een groot bezit voor de familie. Het was het beste wat Maria bezat; dàt gaf zij aan de Heer.

Zoals we lezen in 1 Korinthe 11:15 is het lange haar een eer voor de vrouw. Maria bracht haar eer aan de voeten van de Heer om Hem te verheerlijken. Op deze manier liet zij zien dat Christus voor haar alles was; zij getuigde van de Godheid van de Heer. Alleen zij had in het ge­loof begrepen dat Hij op weg was naar het kruis, dat Hij zou sterven, begraven worden en weer opstaan.

Zij deed dit zonder een woord te spreken; het was een stille daad van geloof, verering en aanbidding. Maar de balsemgeur vervulde het hele huis. Zij deed het voor de Heer; het was om Hem te verheerlijken.

Deze daad van aanbidding, dit blijk van liefde was aangenaam voor de Heer. Maria is hier een voorbeeld van oprechte toegenegenheid en toe­wijding aan de Heer.

Dit kan alleen voortkomen uit gemeenschap met de Heer, uit het zit­ten aan de voeten van de Heer zoals Maria deed. Zo’n toewijding aan de Heer, zo’n verheerlijking van de gezegende Naam van de Heer, is ook nu nog een liefelijke geur voor Hem dat het hele huis vervult.

Een dergelijke verering van Christus is Satan een doorn in het oog; die kan hij niet zo maar laten begaan. We horen de Satan spreken door één van de discipelen, Judas Iskariot, de zoon van Simon, die Hem overleveren zou. Volgens Mattheüs en Markus waren de andere disci­pelen ook verontwaardigd en beschouwden zij deze daad van liefde als een verkwisting. Hier is het Judas die spreekt en de andere discipelen stemmen er in hun onwetendheid mee in.

Al eerder had de Heer aangeduid wat voor iemand Judas was, die nu op het punt stond Hem te verraden. De Heer wist dat hij een duivel was (Joh. 6:64 en 71). Judas had geen liefde voor de Heer, hoewel hij een discipel was. Hij geloofde ook niet in Hem als Heer en noemde Hem altijd “Rabbi”.

Daarom heeft hij de belangen van de Heer niet op het oog. Waarom is deze balsem niet verkocht voor driehonderd denaren en aan de ar­men gegeven? Maar is Judas werkelijk wel zo bezorgd voor de armen? De alwetende Geest van God vertelt ons dat Judas dit zegt om zijn eigenlijke motieven te verbergen: hij was een dief en had de beurs. De begeerte, de liefde tot geld, had hem er toe gebracht om te stelen. We krijgen hier een beeld van de armoede van Hem, die rijk was en die arm is geworden. Judas moest de vrijwillige bijdragen beheren, in de vorm van geld of van voedsel, die de Heer kreeg van vrienden, zoals Johanna, Susanna en veel anderen (Lukas 8:3). Zo wordt de Zoon van God, de Schepper van alle dingen, in zijn armoede onderhouden door vrijwillige bijdragen van vrienden. Judas had de zorg voor deze dingen op zich genomen.

Veel christenen in onze dagen gebruiken dezelfde voorwendsels als Judas om hun liefde voor geld te verbergen. Zij verontschuldigen zich als er iets van hen gevraagd wordt, bijvoorbeeld een bijdrage voor het zendingswerk. Met de verontschuldiging dat de armen en behoeftigen in eigen kring eerst geholpen moeten worden, onttrekken zij zich aan hun verantwoordelijkheid, maar in werkelijkheid zijn zij geldzuchtig en egoïstisch.

De Heer bestraft Judas en neemt het op voor Maria. Haar daad heeft een profetische betekenis en spreekt van de op handen zijnde dood en begrafenis van de Heer. Het is altijd mogelijk de armen te helpen, want armen zullen er altijd zijn. Maar, voegt de Heer er aan toe: “Mij hebt gij niet altijd”. Hij zou spoedig terugkeren tot de Vader; dan is Hij niet meer lichamelijk bij hen. Deze uitdrukking van de Heer laat ook de dwaasheid zien van de leer van Rome, dat de Heer lichamelijk tegen­woordig zou zijn in de mis.

Op die dag komt een groot aantal Joden naar Bethanië. Zij hadden ge­hoord dat de Heer daar was en omdat Bethanië dicht bij Jeruzalem lag gingen zij er heen om de Heer te zien. Ook wilden zij Lazarus graag met eigen ogen zien, om zich ervan te overtuigen dat hij werkelijk leefde. De toeloop was erg groot, en trok zelfs de aandacht van de overpriesters. Zij beraamden plannen om ook Lazarus te doden. Het wonder konden ze niet ontkennen; daarom proberen zijn de getuige tot zwijgen te brengen. Wat zien we hierin een duidelijke bevestiging van het woord van de Heer: “Ook al stond iemand uit de doden op, zij zullen zich niet laten overtuigen” (Lukas 16:31).

Veel Joden die Bethanië weer verlieten, geloofden in Jezus, dat Hij de Messias was. Ongetwijfeld hebben zij hun mening aan anderen doorgegeven. Overal werd over de Heer gesproken: Hij is de Messias, want alleen de Messias kan iemand uit de dood opwekken!

12:12‑19


12 De volgende dag, toen de grote menigte die naar het feest was gekomen, hoorde dat Jezus naar Jeruzalem kwam, 13 namen zij de takken van de palmbomen en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer, en: De koning van Israël! 14 Jezus nu vond een jonge ezel en ging erop zitten, zoals geschreven staat: 15 ‘Vrees niet, dochter van Sion; zie, uw koning komt, gezeten op een ezelsveulen’. 16 Dit begrepen zijn discipelen eerst niet; maar toen Jezus was verheerlijkt, toen herinnerden zij zich dat dit van Hem geschreven stond en dat zij dit met Hem hadden gedaan. 17 De menigte dan die bij Hem was toen Hij Lazarus uit het graf geroepen en hem uit de doden opgewekt had, getuigde daarvan. 18 Daarom ging de andere menigte Hem ook tegemoet, omdat zij hadden gehoord dat Hij dit teken had gedaan. 19 De farizeëen dan zeiden tot elkaar: U ziet dat u niets vordert; zie, de hele wereld is Hem achterna gelopen.

Enkele keren in dit evangelie hebben we gezien dat de Heer Zich te­rugtrekt, dat Hij plotseling verdwijnt uit de schare en in de woestijn de eenzaamheid zoekt. Maar nu verbergt de Heer Zich niet langer. In hoofdstuk 6:15 lezen we dat men Hem met geweld tot koning wil­de maken ‑ maar nu verschijnt de Heer vrijwillig en vertoont Zich aan Jeruzalem als de beloofde Koning.

Dit moest gebeuren voor de Heer aan het kruis zou sterven, want de voorspelling van Zacharia moest vervuld worden. In dit gedeelte zien we een duidelijke bevestiging van de waarheid dat de Heer tot zijn volk is gekomen als de Koning en dat Hij hun het beloofde koninkrijk heeft aangeboden.

“De volgende dag”, genoemd in vers 12, staat in de christenheid be­kend als “Palmzondag”. Het is de eerste dag van de week waarin de Heer gestorven is als de Rechtvaardige voor onrechtvaardigen en in het graf heeft gelegen. De volgende week begint met de dag van de op­standing. Op die dag zijn de 483 profetische jaren waarover Daniël gesproken heeft, vervuld (Daniël 9:25, 26).

Uit het hele land waren de mensen naar Jeruzalem gekomen om daar het Paasfeest te vieren. Ongetwijfeld waren er honderden, misschien wel duizenden, die Hem gezien en gehoord hadden, die door Hem ge­voed waren in de woestijn. Nu waren zij in de stad. Misschien zoch­ten zij wel naar Hem.

Plotseling verspreidt het nieuws zich als een lopend vuurtje door de menigte: Hij komt! De grote menigte heeft gehoord van het wonder dat in Bethanië heeft plaatsgevonden. Veel mensen waren naar Betha­nië geweest, misschien hebben zij het nieuws naar Jeruzalem gebracht: Jezus komt naar het feest!

A1 gauw is een grote menigte bij elkaar. Terwijl zij langs de weg gaan, plukken zij takken van de palmbomen om de Koning welkom te he­ten. Dat was een oud gebruik; zo werden koningen en zegevierende ge­neraals welkom geheten. De palmtak is daarom een teken van overwin­ning. Dit zien we ook in de Openbaring (7:9). Als Ezechiël de tempel in het duizendjarig rijk beschrijft, noemt hij steeds weer palmen (Ezech. 40 enz.).

Een geweldig geroep wordt gehoord: “Hosanna”! Misschien weer­klonk dit voor het eerst toen de mensen Hem zagen, rijdend op een jonge ezel. Het woord “Hosanna” is ontleend aan de Messiaanse Psalm 118: “Och Heer, geef toch heil” (vers 25). Het is een roep om verlossing. Daarna volgt een andere aanhaling uit dezelfde Psalm: “Ge­zegend Hij die komt in de naam van de Heer, de koning van Israël”. De woorden “de koning van Israël” vinden we niet in Psalm 118:26; het werd er door de mensen in hun enthousiasme bijgevoegd om Hem welkom te heten. Velen van hen geloofden dat Hij de beloofde Messias was.

In Mattheüs 23 lezen we, dat de Heer, nadat Hij een zevenvoudig “wee u” had uitgesproken over de leiders van het volk, en voordat Hij de tempel verliet, de woorden sprak: “Gij zult Mij van nu aan geenszins zien, totdat gij zult zeggen: Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer”. Dit is bij deze gelegenheid niet in vervulling gegaan; het zal in de toekomst in vervulling gaan wanneer de Heer terugkomt in kracht en heerlijkheid en een gelovig overblijfsel van zijn volk Hem zal ver­welkomen als de Verlosser.

Mattheüs vertelt ons meer bijzonderheden over de voorbereiding van deze intocht in Jeruzalem (Matth. 21:7). Een ezel is geen symbool van een grote overwinnaar, maar van nederigheid. Toch blijkt uit “het lied van Debora” dat voorname mensen rondreden op witte ezelinnen (Richt 5:10). Geen Romeins soldaat evenwel in de legerplaats van Je­ruzalem die de Heer zo zag rijden op een ezel, zou aan zijn hoofdman melden dat Hij er uit zag als iemand die met geweld de stadhouder en zijn soldaten zou verdrijven uit de burcht Antonia en met het zwaard zou proberen de onafhankelijkheid te verkrijgen voor Judéa.

De dag zal komen dat de Heer zal verschijnen op een wit paard. Dan zal Hij niet rijden over een stoffige weg, maar Hij zal komen uit een geopende hemel. En dan, en niet eerder, zullen alle koninkrijken val­len, en zal zijn koninkrijk komen.

Ongetwijfeld waren er velen in de menigte die verwachtten dat er nu iets zou gebeuren; dat hun lang gekoesterde wens bevrijd te worden van het gehate Romeinse juk, verwerkelijkt zou worden. Toen dit niet gebeurde en toen zij de Heer later zagen in de handen van de Romeinen als een gebonden gevangene, veranderden hun toejuichingen, hun “Hosanna’s” in de verschrikkelijke uitroep “Kruisig Hem”!

Johannes haalt in het kort de voorspelling van Zacharia aan: “Vrees niet, dochters van Sion; zie uw koning komt, gezeten op een ezelsveu­len”. Niet dat de grote voorspelling van Zacharia op die dag vervuld is: de Heilige Geest laat in deze aanhaling gedeelten weg, die pas vervuld kunnen worden als de Heer terugkomt. Zoals bij zoveel Messiaanse profetieën uit het oude testament, is ook Zacharia 9:9‑10 een voor­spelling van de eerste en de tweede komst.

De discipelen zagen dit alles gebeuren, maar zij begrepen de betekenis ervan niet. Pas “toen Jezus verheerlijkt was” werd de volle betekenis hun duidelijk. Dit betekent: nadat ze de gave van de Heilige Geest ontvangen hadden na Christus’ opstanding en hemelvaart. De Heilige Geest is op aarde om te getuigen van Christus in heerlijkheid. Van Hem had de Heer gezegd: “Die zal u alles leren en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb” (Joh. 14:26). Toen de Heilige Geest gekomen was en in hen woonde, begrepen zij al deze dingen en zagen zij hoe wonderlijk de Schriften vervuld waren.

In vers 17 wordt nog eens gesproken over het grootste van alle won­deren, de opstanding van Lazarus. Ongetwijfeld waren veel mensen die dit wonder met eigen ogen hadden gezien onder de menigte. Anderen waren in Bethanië geweest en hadden Lazarus gezien. De ooggetuigen hebben ongetwijfeld uitvoerig verteld hoe dit wonder heeft plaatsge­vonden. Nu konden ze zeggen dat Hij die daar op die ezel reed de man was die dit grote wonder had gedaan. Zo konden zij getuigen tegen­over deze grote schare. Daarom (door dit getuigenis) ging de schare de Heer ook tegemoet om Hem te zien, Hem te verwelkomen en mee te roepen met de anderen.

Daarop verschijnen de vijanden van de Heer, de Farizeeën, op het to­neel. Zij zijn ook getuige van deze triomfantelijke intocht van deze ge­hate en verachte Nazarener. Zij hadden geprobeerd Hem te stenigen, zij waren van plan Hem te doden, maar nu moeten ze hun hulpeloos­heid toegeven. Zij zeiden tegen elkaar: “Gij ziet dat gij niets verder komt; zie de hele wereld loopt Hem na”. Zij waren ten einde raad. Steeds weer hadden zij plannen gemaakt, zij hadden geprobeerd de menigte tegen Hem op te zetten, zodat zij Hem uit de weg konden rui­men. Misschien wilden zij proberen iets tegen Hem te doen, terwijl grote scharen in de stad waren. Maar nu zien zij dat al deze mensen niet aan hun kant staan, maar aan de kant van deze Jezus en Hem toe­juichen als de Koning van Israël. Machteloos kijken zij toe en zeggen tegen elkaar: “Zie wat er nu gebeurt! Kijk naar al die mensen met hun palmtakken! Luister naar dat Hosanna‑geroep!” Zij moeten toegeven dat de hele wereld Hem achterna loopt. En dat was waar! Volgens de berekening van Josephus waren tijdens het Paasfeest ongeveer drie miljoen mensen in Jeruzalem. Overal kwamen die mensen vandaan en nu roepen zij allen de Naam van deze Jezus. In het volgend gedeelte zien we dat zelfs de Grieken, heidenen dus, het verlangen hadden om de Heer Jezus te zien.

Wat een geweldig ogenblik is dit geweest! Toch wordt er geen woord over de Heer Zelf gezegd. We lezen niet dat de Heer tijdens deze ge­beurtenis gesproken heeft; ook lezen we niet hoe Hij reageerde op het enthousiasme van de menigte. Wij geloven dat de Heer onbewogen is gebleven, want Hij zag verder dan wat hier gebeurde. Hij wist wat er binnenkort zou gebeuren.

12:20‑22


20 Nu waren er enkele Grieken onder hen die opgingen om op het feest te aanbidden; 21 dezen dan gingen naar Filippus, die van Bethsaida in Galiléa was, en vroegen hem aldus: Heer, wij wensen Jezus te zien. 22 Filippus kwam en zei het Andreas; Andreas en Filippus kwamen en zeiden het Jezus.

In dit gedeelte lezen we over enkele Grieken die naar de Heer vragen. Dit zal wel enige tijd na de intocht in Jeruzalem gebeurd zijn, want tijdens die gebeurtenis was de Heer het middelpunt en hadden zij Hem kunnen zien.

Bij deze Grieken moeten we niet denken aan Griekse Joden, Joden die al zo lang niet meer in Palestina woonden, dat zij de Griekse taal en levenswijze hadden overgenomen. Zulke Joden worden genoemd in Handelingen 6.

Hier moeten we denken aan echte Grieken die, net als sommige Ro­meinen, het heidendom vaarwel hadden gezegd en proseliet waren geworden. Proselieten waren tot het Jodendom bekeerde heidenen; zij worden ook wel “Jodengenoten” genoemd. Zij waren ook naar Jeruzalem gekomen om op het feest te aanbidden, want zij hadden de Joodse godsdienst aangenomen en kwamen naar Jeruzalem om deel te nemen aan de feesten die door de Heer waren voorgeschreven. Tot deze groep van proselieten behoorde ook de hoofdman wiens zoon genezen was door de Heer, Cornelius tot wie Petrus gezonden werd, en de kamerling die Filippus ontmoette op de weg naar Gaza.

Misschien was het vanwege de Griekse naam van Filippus dat zij naar hem toegingen en hun verzoek tot hem richtten: “Heer, wij wensen Jezus te zien”. In de oorspronkelijke taal wordt het wat sterker uit­gedrukt: “Wij verlangen Jezus te zien’. Wij weten niet wat hun mo­tieven waren. Waarschijnlijk was het meer dan enkel nieuwsgierigheid. De historicus Eusebius zegt dat zij volgens de overlevering gezonden waren door de Syrische koning Edessa met de opdracht Jezus uit te nodigen om naar zijn rijk te komen, met de verzekering dat Hij harte­lijk en als een vorst ontvangen zou worden. Maar dit is alleen maar overlevering.

Het bezoek van de wijzen uit het Oosten, toen de Heer nog een kind was, heeft een profetische betekenis. De komst van deze Grieken, die ook naar de Heer Jezus vragen, eveneens. De leiders van het volk zoch­ten de Heer ook, maar met de bedoeling Hem te doden. Maar nu zoe­ken de heidenen Hem; zij willen Hem leren kennen. Nu de Heer ver­worpen is door zijn eigen volk, komen de heidenen tot Hem.


12:23‑26


23 Maar Jezus antwoordde hun en zei: Het uur is gekomen dat de Zoon des mensen wordt verheerlijkt. 24 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht. 25 Wie zijn leven liefheeft, verliest het; en wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren tot het eeuwige leven. 26 Als iemand Mij dient, laat hij Mij volgen; en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren.

Hun verzoek wordt niet ingewilligd. Iemand anders zou deze gelegen­heid aangegrepen hebben om zijn roem groter te maken. Eerst hadden de menigten Hem toegejuicht als de Koning van Israël en nu kwam men van veraf om Hem ook te leren kennen. Maar de Heer laat Zich nooit meeslepen door het enthousiasme van de mensen. In plaats van de Grieken tot Zich te roepen om met hen te spreken zegt Hij: “Het uur is gekomen, dat de Zoon des mensen verheerlijkt zal worden”.

Dit is een heel andere verheerlijking dan die door de mensen gezocht wordt. De Heer spreekt hier over de heerlijkheid die zou komen na het lijden. De komst van de Grieken ziet op de tijd, dat zij die vervreemd zijn van het burgerschap van Israël Hem zullen zoeken als hun Heiland. als de scheidsmuur van de omheining weggebroken zal zijn. Dan wordt het heil ook aangeboden aan de heidenen; de schapen die niet van de­ze stal zijn, zullen ook toegebracht worden om met de kudde van Is­raël één kudde te vormen.

Maar dit alles kon niet vervuld worden tijdens het leven van de Heer. Het was noodzakelijk dat Hij éérst stierf. Hij moest eerst aan het kruis verhoogd worden voor Hij allen tot Zich kon trekken. Alleen door de dood kon de heerlijkheid komen, de heerlijkheid die Hij ontvagen zou en de heerlijkheid van het heil voor een verloren wereld.

De woorden die volgen maken dit duidelijk: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen, maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht”. Het zijn eenvoudige woor­den, maar zij hebben een diepe betekenis. Het zaad, de tarwekorrel, kan bewaard worden in de graanschuur, maar daar is ze zonder nut. Om tot een zegen te zijn, om zichzelf voort te planten, om leven te ge­ven, moet de tarwekorrel in de aarde vallen en sterven. Uit de dood komt het leven te voorschijn, en het gevolg is: veel vrucht. De Heer moest sterven. Alleen door zijn dood kon het leven en de redding te­weeggebracht worden. Net zoals de tarwekorrel in de graanschuur, zou de Heer, als Hij alleen geleefd en geleerd en daden van genade gedaan had, alleen gebleven zijn. Zoals de tarwekorrel, die in de aarde gelegd wordt om te sterven, zo stierf Hij. Door zijn sterven alleen komt de oogst van redding, leven en heerlijkheid.

Deze geweldige woorden van de Heer worden ingeleid door een plech­tig “Voorwaar, voorwaar”. We zien uit de woorden van de Heer dat wij niet één met Hem geworden zijn door zijn menswording, doordat Hij een menselijk lichaam heeft aangenomen en onder de mensen ge­leefd heeft. Er zijn ook mensen die beweren dat de Heer de zondige, gevallen menselijke natuur heeft aangenomen en dat Hij daardoor de gevallen mensheid teruggebracht heeft tot de gunst van God. Uit deze woorden van de Heer zien wij dat dit onjuist is. Niet het leven van de Heer, maar alleen zijn sterven kan de mens redden uit de verschrikke­lijke afgrond waarin hij is gevallen.

“De Rechtvaardige stierf voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen” (1 Petr. 3:18).

De moderne theologie beschouwt het sterven van Christus als een daad van zelfverloochening, of men zegt dat de Heer de dood van een mar­telaar is gestorven. Ook op deze dwaalleer geeft de Heer een ant­woord. Hij spreekt in beeldspraak over zijn sterven en de geweldige gevolgen daarvan. De Heer weet welk lijden over Hem komen zal, maar Hij weet ook welke gevolgen dit lijden en sterven zal hebben. Zijn sterven is niet het sterven van een martelaar.

Wie is in staat de kostbare gevolgen van zijn sterven te overzien? De eeuwigheid zal nodig zijn om de overweldigende rijkdom van zijn ge­nade te overzien en er van te genieten. De bron van alles wat we heb­ben en zijn, wat we zullen hebben en zullen zijn, is het kruis van Chris­tus, zijn sterven voor ons.

Als de tarwekorrel sterft, brengt zij andere tarwekorrels voort. Het le­ven van de tarwekorrel wordt bij haar sterven overgedragen aan de tar­wekorrels die uit haar voortgekomen zijn. Zo bezitten wij zijn leven, het leven dat we ontvangen hebben door zijn sterven.

Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen; en wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren tot het eeuwige leven” (vers 25). Deze woorden vinden we op vijf andere plaatsen in de evangeliën (Matth. 10:39; 16:25; Mark 8:35; Lukas 9:24 en 17:33).

Hetzelfde beginsel van zelfverloochening geldt ook voor de gelovige die Christus volgt. De weg van Christus is ook onze weg, een weg van lijden en schande. Dit betekent dat we dood zijn voor de wereld, voor de heerlijkheid van de wereld en het streven van de wereld, en dat we ons voortdurend uitstrekken naar de dingen die boven zijn.

Wat Paulus schrijft maakt de woorden van de Heer duidelijk: “Maar wat winst voor mij was, heb ik om Christus’ wil schade geacht ... Om Hem heb ik de schade van alles geleden en houd het voor drek, opdat ik Christus mag winnen... om Hem te kennen en de kracht van zijn opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, terwijl ik aan zijn dood gelijkvormig word” (Fil. 3:7‑10).

Als we deze woorden van de Heer praktisch verwerkelijken, dan heb­ben ze een geweldige invloed in ons leven. Wat zijn er weinig mensen die hun leven haten! De meeste mensen houden van hun leven. Hun hele streven is erop gericht hun leven zo aangenaam mogelijk te ma­ken. Men denkt niet aan het eeuwige verlies of de eeuwige winst. Wat is er weinig echte zelfverloochening en zelfopoffering, zelfs onder kinderen van God in onze tijd. We houden van een gemakkelijk, ple­zierig en geriefelijk leventje.

“Als gij nu met Christus opgewekt zijt, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand van God. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt ge­storven en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer Christus, ons leven, zal geopenbaard worden, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid” (Kol. 3:14).

De Heer dienen wil zeggen: Hem volgen. “Als iemand Mij dient, hij volge Mij”. Deze dienst is er onafscheidelijk mee verbonden dat we Hem volgen, leven in zijn gemeenschap, in zijn voetstappen wandelen, Hem gehoorzamen. Heel vaak praten we over de dienst van de christen, aan de Heer, terwijl er alleen sprake is van dienst aan de eigen wil.

De Heer geeft hier twee beloftes aan hen die Hem echt dienen. De eer­ste is: “Waar Ik ben, daar zal ook mijn dienstknecht zijn”. Deze gewel­dige belofte wordt herhaald in hoofdstuk 14. “Ik kom weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben” (vers 3). Chris­tus en de gelovigen zullen eeuwig met elkaar verbonden zijn. Allen die van Christus zijn en die Hem dienen, zullen met Hem zijn; waar Hij zal zijn, zullen wij met Hem zijn; wat Hij bezit, zullen wij met Hem bezitten.

Nu komt de tweede belofte: “Als iemand Mij dient, de Vader zal hem eren”. Wat betekenen deze woorden? Dit is een geweldige belofte. Niemand is in staat de volle betekenis ervan te begrijpen. De vreugde van de Vader is zijn Zoon. Hij heeft Hem geëerd, en Hem de eerste plaats gegeven in alle dingen. De vreugde van de Vader is ook in allen die de Zoon eren, die Hem verhogen, die Hem de eerste plaats geven in hun leven, die Hem dienen en zijn voetstappen navolgen. Zulke mensen zal God eren. Hij zal hen zegenen. In de eeuwigheid zal dit ook gezien worden. Allen die de Heer Jezus Christus trouw en oprecht gediend hebben, zullen door de Vader geëerd worden. Dat zal de he­mel zijn: met Christus zijn, en eer en heerlijkheid van de Vader ont­vangen.

“De Heer steunt zijn volgelingen niet in hun aardse verwachtingen. Toch wil Hij hen bemoedigen door hen te laten zien wat zij mogen verwachten. Zij moeten zijn voetstappen navolgen, als zij zijn dienstknechten willen zijn. En als zij de Heer zo volgen zal hun een kruis wachten en geen kroon, wat zij ook mogen denken nu het geroep “Hosanna” nog naklinkt in hun oren. Maar al staat hun een kruis te wachten, de uiteindelijke be­loning zal hun niet ontgaan, en dat zal alles goedmaken. Zij zullen dan met Christus zijn, Zij zullen geëerd worden door God de Vader” (Heng­stenberg).

12:27‑33


27 Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur? Maar daarom ben Ik in dit uur gekomen. 28 Vader, verheerlijk uw naam! Er kwam dan een stem uit de hemel: Ik heb hem verheerlijkt en Ik zal hem opnieuw verheerlijken. 29 De menigte dan die daar stond en dit had gehoord, zei dat er een donderslag was geweest. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken. 30 Jezus antwoordde en zei: Niet om Mij is deze stem er geweest, maar om u. 31 Nu is het oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld worden buitengeworpen. 32 En als Ik van de aarde ben verhoogd, zal Ik allen tot Mijzelf trekken. 33 Dit nu zei Hij om aan te duiden wat voor een dood Hij zou sterven.

Nadat enkele Grieken de wens hadden uitgesproken de Heer te zien, en de Heer gesproken had over de noodzaak van zijn sterven, spreekt de Heer deze woorden uit die getuigen van een diepe bewogenheid. De oorzaak van deze smart is het komende lijden en sterven aan het kruis. Ook in zijn vernedering was Hij de alwetende Heer. Hij weet alle din­gen. Hij weet dat men Hem na een paar dagen in het gelaat zal spu­wen, dat men Hem op de wangen zal slaan, dat men Hem zal geselen en Hem aan het kruis zal spijkeren.

Maar dit lijden is niet de oorzaak van de ontroering van de Heer. Er is iets dat veel erger is, een lijden waarvan wij de diepte niet kunnen peilen. De Heer zou lijden als plaatsvervanger van zondaren. Hij die geen zonde gekend had zou voor ons tot zonde gemaakt worden. Hij zou voor ons tot een vloek worden.

“De oorzaak van deze ontroering van de Heer is het tijden en sterven dat Christus spoedig zou ondergaan. De straf die wij verdiend hebben, zou op Hem zijn. opdat wij vrede zouden hebben. De verschrikking van de dood stond voor Hem. Hij zou de zonde dragen, en het loon van de zonde is de dood. Het lichamelijk lijden was niets vergeleken met het verschrikkelijk zielelijden dat over de Heer zou komen: de volle diepte ervan stond de Heer voor ogen” (Hengstenberg).

De Heer ziet het kruis al vóór Zich. Hij weet wat het betekent dat Hij de zonden zal dragen in zijn lichaam; daarom is zijn ziel bewogen. Wij kunnen de diepte van de woorden van de Heer niet begrijpen: “Nu is Mijn ziel ontroerd”, De Heer voegt er aan toe: “en wat zal Ik zeg­gen”? Deze woorden spreken van zielsangst, verslagenheid en grote droefheid.

Dan volgt een gebed “Vader, verlos Mij uit dit uur”. Deze woorden zijn nauw verbonden met het volgende vers: “Maar daarom ben Ik in dit uur gekomen”. Het gebed om uit dit uur verlost te worden, laat iets zien van de menselijke natuur van de Heer. Hoewel Hij zonder zonde was, kon Hij als Mens lijden en daarvoor deinst de menselijke natuur instinctmatig terug. Het was als Mens dat de Heer de Vader vroeg Hem uit dit uur te verlossen. In Gethsémané bad de Heer deze woorden: “Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker Mij voorbijgaan; maar niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt” (Matth. 26: 39). We zien hier iets van de gevoelens van de Heer als waarachtig mens. Maar Hij geeft Zelf het antwoord op zijn vraag, want Hij weet dat Hij daarom, (om te lijden en te sterven als plaatsvervanger voor zondaren) in dit uur is gekomen. We zien dat de Heer volkomen on­derworpen is aan de wil van de Vader, om het werk te volbrengen waarom Hij in de wereld gekomen is.

Maar we zien nog meer dan alleen onderworpenheid aan de wil van de Vader. Het grootste verlangen van de Heer is dat de Naam van de Va­der verheerlijkt mag worden. “Vader, verheerlijk Uw naam”. In het grote werk dat Hij zou volbrengen, is de Vader ten volle verheerlijkt. De smart en de pijn die hier door de ziel van de Heer gegaan zijn, zijn vergeten als Hij denkt aan zijn grote doel: de Vader te verheerlijken!

In deze woorden van de Heer zien we drie belangrijke punten. Ten eerste dat de Heer als Mens terugdeinst voor het lijden dat voor Hem staat. Verder zien we zijn volkomen onderworpenheid aan de wil van de Vader; en tenslotte het verlangen om de Naam van de Vader te verheerlijken.

Het hoogste wat de vernieuwde wil van de gelovige bereiken kan, is altijd te zeggen: “Vader, verheerlijk Uw naam in mij. Doe met Mij wat Gij wilt; verheerlijk alleen Uw naam”. Alle dingen zijn geschapen opdat God verheerlijkt zal worden. Ook het streven van Paulus was dat “Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door het leven, hetzij door de dood” (Fil. 1:20). Dit schreef Paulus als gevan­gene in Rome.

De Vader geeft meteen een antwoord. Wat daar gebeurd was, wat zijn geliefde Zoon gesproken had, behaagde Hem. Daarom werd de stem van de Vader gehoord vanuit de hemel. Dit is de derde keer dat de stem van de Vader gehoord werd, en Hij getuigt wéér over de Zoon. Die stem werd gehoord toen de Heer in de Jordaan was gegaan om Zich te laten dopen. Op de berg van verheerlijking is die stem opnieuw gehoord. En nu spreekt de Vader voor de derde keer, als de Zoon vlak voor het lijden en sterven staat. Zowel hier als bij de andere gelegenhe­den zien we duidelijk dat de Vader en de Zoon twee afzonderlijke per­sonen zijn. Het was een wonder dat die stem gehoord werd; wij kunnen het niet verklaren, zoals wij geen enkel wonder kunnen verklaren, maar wij geloven het eerbiedig.

De stem zei: “Ik heb Hem verheerlijkt en Ik zal Hem opnieuw verheer­lijken”. Wat voor verheerlijking wordt hiermee bedoeld? Sommigen zien hierin de verheerlijking van de Vader door Christus toen Hij Mens werd, door de wonderen en woorden van de Heer; nu zou zijn naam opnieuw verheerlijkt worden in zijn lijden en sterven. Wij geloven dat het meer ziet op de opstanding van Lazarus uit de doden en op de op­standing van de Heer Zelf. Toen men de Heer vertelde dat zijn vriend ziek was, zei Hij: “Deze ziekte is niet tot de dood, maar tot verheerlij­king van God”. Toen Lazarus uit de doden werd opgewekt, werd dus de naam van de Vader verheerlijkt. En deze naam zou opnieuw ver­heerlijkt worden bij de opstanding van zijn eigen Zoon.

Alle mensen die er bij waren, begrepen dat er iets buitengewoons had plaatsgevonden. Allen hoorden de stem; sommigen zeiden dat het een donderslag geweest was, terwijl anderen, die duidelijk een stem ge­hoord hadden, beweerden dat een engel gesproken had. Niemand her­kende de stem van de Vader; alleen de Zoon hoorde en begreep die stem. Sommigen denken dat de Grieken, die waarschijnlijk nog aanwe­zig waren, zeiden dat het een donderslag geweest was, maar dat de Jo­den wisten dat werkelijk een stem gesproken had en zij dachten dat het een engel geweest was. Maar uit de woorden van de Heer kunnen we afleiden dat er ook sommigen waren die de stem werkelijk gehoord hebben: “Niet om Mij is deze stem er geweest, maar om u”.

Nu is het oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buitengeworpen worden”. Dit vers wordt wel beschouwd als één van de moeilijkste in dit evangelie. Toch wordt het eenvoudiger als we be­denken dat dit vers vooruitziet. De Heer spreekt hier over het werk aan het kruis alsof het al volbracht is. Het gevolg van dit werk zal zijn het oordeel over deze wereld en het buiten werpen van de overste van deze wereld (de satan). Het sterven van Christus houdt de veroordeling in van deze wereld met al haar heerlijkheid. Gelovigen, die in Christus zijn, gestorven en opgestaan met Hem, zijn dood voor de wereld en de wereld is dood voor hen. Het doodvonnis is uitgesproken over de we­reld. De overste van de wereld is ook geoordeeld, en op de bestemde tijd zal hij buitengeworpen worden. Hoe en wanneer dit zal gebeuren, zien we in het boek de Openbaring.

Door het sterven van Christus is aan de overste van deze wereld zijn macht ontnomen en zijn komend eeuwig oordeel is daarmee verze­geld. Door het sterven aan het kruis “heeft Hij de overheden en gezag­hebbers ontwapend en openlijk ten toon gesteld en door het kruis over hen getriomfeerd” (Kol. 2:15).

Als de Heer deze woorden spreekt, ziet Hij vooruit naar de tijd dat al­les vervuld is; en Hij ziet ook wat pas bij zijn tweede komst werkelijk­heid zal worden.

“De grote strijd is gestreden en de overwinning is behaald op Golgotha. De tweede komst van de Heer is niet om de wereld te verlossen, maar om de gevolgen van de verlossing te verwerkelijken voor de wereld in een ge­vestigd en eeuwig koninkrijk van gerechtigheid. Door het kruis is de mensheid geoordeeld, de duivel buitengeworpen. De teksten uit het nieuwe testament die spreken over de nog aanwezige macht van de duivel (Rom. 16:20; 2 Kor. 4:4; Ef. 2:2; 6:12 enz.), zijn niet in tegenspraak met de woorden die Christus hier spreekt, omdat deze woorden profetisch zijn. Hij spreekt over deze dingen alsof zij al vervuld zijn” (Dr. Lyman Abbott).

En Ik, als Ik van de aarde verhoogd ben, zal allen tot Mij trekken. En dit zei Hij om aan te duiden, welk een dood Hij sterven zou”. Deze woorden van de Heer worden vaak toegepast op het prediken van het evangelie, namelijk als Christus verhoogd wordt in de prediking. Dan wordt immers zijn macht om mensen tot Zich te trekken zichtbaar. Dit is op zichzelf wel waar, maar het is niet de betekenis van deze tekst. De Heer spreekt hier over zijn sterven aan het kruis. Het “ver­hoogd worden van de aarde” duidt hier niet op de hemelvaart van de Heer. Ook moeten we er op letten dat als de Heer zegt dat Hij ver­hoogd zal worden, Hij niet zegt “wanneer Ik verhoogd ben” maar “als Ik verhoogd ben”. De kruisiging was afhankelijk van de wil van de Heer, van zijn vrijwillige onderworpenheid. Zelfs toen de Heer ge­vangen werd genomen, had Hij de macht dit te verhinderen.

En nu is dit grote werk volbracht. Christus is gekruisigd, verhoogd, gestorven voor zondaars, waardoor Hij de liefde en de gerechtigheid van God getoond heeft. Nu heeft Hij de macht alle mensen tot Zich te trekken. “Allen” wil niet zeggen alleen de uitverkorenen, zoals Calvijn leerde. Het betekent ook niet de redding van alle mensen, zoals anderen leren.

“Allen” betekent zowel Joden als heidenen, allen die het evangelie horen en in Hem geloven. We moeten niet veronderstellen dat deze woorden betekenen dat alle mensen uiteindelijk gered zullen worden door het sterven van Christus aan het kruis. Vergelijking met andere schriftplaatsen laat ons duidelijk zien dat niet alle mensen tot Christus getrokken worden. Veel mensen leven en sterven in ongeloof en zijn verloren.

De woorden van de Heer hebben nog een ruimere betekenis: de dag zal komen dat de volkeren van de aarde vergaderd zullen worden in het koninkrijk.


12:34‑36


34 De menigte dan antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord dat de Christus tot in eeuwigheid blijft; en hoe zegt U dan dat de Zoon des mensen moet worden verhoogd? Wie is die Zoon des mensen? 35 Jezus dan zei tot hen: Nog een korte tijd is het licht onder u; wandelt terwijl u het licht hebt, opdat de duisternis u niet overvalt. En wie in de duisternis wandelt, weet niet waar hij heengaat. 36 Terwijl u het licht hebt, gelooft in het licht, opdat u zonen van het licht wordt. Dit sprak Jezus, en Hij ging weg en verborg Zich voor hen.

Op de vraag van de schare “Hoe zegt gij dan dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is die Zoon des mensen?” geeft de Heer geen antwoord. Hij weet dat deze vraag niet komt uit een oprecht, zoekend hart. De ondertoon van die vraag is spot en hoon; op zulke vragen geeft de Heer nooit een antwoord. In plaats daarvan leert de Heer hen enkele belangrijke dingen. Hij is het Licht. Nog een korte tijd, nog slechts een paar dagen, zou Hij bij hen zijn. Weldra zou Hij niet langer onder hen zijn. De duisternis zou hen binnenkort overval­len. De donkere wolken van het oordeel pakten zich al samen boven Je­ruzalem en over het hele volk. Daarom spoort de Heer hen aan nu te handelen nu het nog licht voor hen is en tot Hem te vluchten en veilig te zijn. De duisternis kwam snel dichterbij. Binnenkort zouden zij in de duisternis ronddolen, zonder licht, zonder doel en zonder rust en vrede.

De geschiedenis van het Joodse volk leert ons dat dit in vervulling is gegaan nadat zij de Heer hadden overgeleverd in de handen van de hei­denen. De jaren tussen de dood en opstanding van Christus en de over­winning en verwoesting van Jeruzalem door Titus in het jaar 70, waren jaren van duisternis en verwarring. Zij zijn gestraft met geestelijke blindheid. Dat is zo gebleven, ook toen zij verstrooid waren onder de volken. De voorspelling van de Heer is precies uitgekomen; zij wande­len in de duisternis en weten niet waar zij heengaan. Dit is het lot van allen die Hem verwerpen als het Licht, en weigeren Hem aan te nemen als Heer en Heiland. Een mens kan het licht vinden en een zoon van het licht zijn door in Hem te geloven.

De Heer ging weg. Hij was verborgen voor hen. Dat kunnen we zien als een soort symbolische daad, een bevestiging van wat de Heer ge­sproken had.


12:37-41


37 Maar hoewel Hij zoveel tekenen in hun bijzijn had gedaan, geloofden zij niet in Hem; 38 opdat het woord van de profeet Jesaja werd vervuld, dat hij heeft gezegd: ‘Heer, wie heeft onze prediking geloofd? En aan wie is de arm van de Heer geopenbaard?’ 39 Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja opnieuw heeft gezegd: 40 ‘Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, opdat zij niet met hun ogen zien en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’. 41 Dit zei Jesaja omdat hij zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak.

In dit gedeelte vinden we de uitleg van enkele belangrijke profetieën van Jesaja. Dit is ook belangrijk voor onze tijd, nu ook ongelovige pro­testantse critici afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van dit grote profetische boek.

De eerste aanhaling is uit het geweldige hoofdstuk 53. Dit hoofdstuk spreekt van de verwerping, de dood, het plaatsvervangend lijden, de begrafenis, de opstanding en de verheerlijking van de Knecht des He­ren. Dat Jesaja 53 hier aangehaald wordt is een duidelijk bewijs dat dit hoofdstuk spreekt over de Heer Jezus Christus.

De Joden hebben dit altijd geloofd. Maar toen de rabbijnen merkten dat dit hoofdstuk veel gebruikt werd om Joden ervan te overtuigen dat de Heer Jezus Christus de Messias was, gaven zij een andere uitleg aan dit gedeelte. De persoon, in dit hoofdstuk beschreven, zou niet de Messias zijn, maar het Joodse volk; zij zouden plaatsvervangend lijden voor de andere volken. Door deze uitleg aan dit hoofdstuk te geven lieten zij hun verschrikkelijke verblindheid zien en hun haat tegen de Heer. Maar het gevolg is dat op veel theologische hogescholen, waar de moderne theologie wordt aangehangen, deze menselijke uitvinding nog steeds geleerd wordt. Zo gaan zij dus samen met de ongelovige Joden in het verwerpen van de Messiaanse betekenis van deze geweldige profetie van Jesaja.

Jesaja, geleid door de Geest, voorspelde het ongeloof van het volk, dat zou uitlopen op de verwerping van Jezus, onze Heer. Sommige ultra­calvinisten leggen deze woorden zo uit: “Zij geloofden niet in Hem, omdat de woorden van de profeet Jesaja vervuld moesten worden”. Maar het is anders: God wist dat zij niet zouden geloven en daarom sprak Jesaja deze woorden. Chrysostomus schreef: “Het was niet omdat Jesaja deze woorden gesproken had dat zij niet geloofden, maar omdat zij niet zouden geloven, heeft hij gesproken”.

De volgende tekst schijnt nog moeilijker: “Daarom konden zij niet ge­loven, omdat Jesaja op een andere plaats gezegd heeft: ...”. Dit be­tekent niet dat de Joden niet konden geloven (hoewel zij het wel wil­den), omdat Jesaja deze woorden 700 jaar tevoren gesproken had. Lang voordat de Heer op aarde kwam had het Joodse volk hun hart verhard en zich van Hem afgewend. Zij waren al in die toestand van geestelijke blindheid die Jesaja beschreven had, en daarom konden zij niet geloven.

Deze aanhaling komt uit Jesaja 6, waar Jesaja in een visioen de heer­lijkheid van de Heer zag. Deze woorden worden ook aangehaald in Mattheüs 13 en in het laatste hoofdstuk van het boek Handelingen.

In de eerste hoofdstukken van Mattheüs zien we de Heer Jezus als de beloofde Koning, die het beloofde koninkrijk aankondigt. In het twaalfde hoofdstuk zien we, als gevolg van de tegenstand en ongeloof van de Joden, dat de Heer symbolisch de band met het Joodse volk verbreekt. Hij spreekt over een nieuwe verhouding, de band die er is tussen Hem en allen die de wil van de Vader doen. Dan gaat de Heer “uit het huis” en gaat “bij de zee” zitten. Daar leert Hij over het ko­ninkrijk in een andere vorm, de vorm die het krijgt omdat de zijnen Hem niet aangenomen hebben. In verband hiermee wordt Jesaja 6 aangehaald. “En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien en geenszins bemerken; want het hart van dit volk is dik geworden en hun oren zijn hardhorende geworden en hun ogen heb­ben zij toegesloten, opdat zij niet misschien met de ogen zouden zien en met de oren horen en met het hart verstaan en zich bekeren en Ik hen zou genezen” (Matth. 13:14, 15).

Hier in het evangelie van Johannes, vlak voor de dood van onze Heer, wordt dezelfde profetie aangehaald. De Heer had veel wonderen ge­daan, Hij had veel gesproken en Hij had het volk gewaarschuwd, maar zij sloegen er geen acht op. Daarom worden zij overgegeven aan het oordeel van verharding, zoals de profeet voorspeld had.

In het laatste hoofdstuk van de Handelingen zien we dat de gevangene van de Heer, de grote apostel van de heidenen, in zijn gehuurde wo­ning “de voornaamsten van de Joden” samenriep. In het begin van de Handelingen was het koninkrijk nog eens aan het volk aangeboden (3:19, 20), maar weer zien we dezelfde hardheid van hart en verblind­heid bij het volk. Hier geeft Paulus een laatste getuigenis aan deze voornaamsten van de Joden. Omdat zij dit getuigenis niet aannemen wordt het gedeelte uit Jesaja voor de laatste keer aangehaald (Hand. 28:23‑31).

Deze profetie geldt nog steeds voor het Joodse volk, en dit zal zo blij­ven tot de dag dat een overblijfsel zal terugkeren en zij Hem zullen aanschouwen, die zij doorstoken hebben en over Hem een rouw­klacht aanheffen (Zach. 12:1‑14).

Dit is voor velen een moeilijk onderwerp. Is God de bewerker van de ondergang van een mens? Deze gedachte kan de oppervlakkige lezer krijgen. We moeten allereerst bedenken dat God almachtig is, ook in de manier waarop Hij de mensen straft. We zien in de bijbel dat som­migen gedood worden op het ogenblik dat zij zondigen. Anderen wor­den overgegeven aan het oordeel van verharding en verblinding. “Zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?” (Gen. 18:25) Zij die verhard en verblind worden zijn altijd personen die tevoren gewaar­schuwd, vermaand en opgeroepen zijn om zich te bekeren. Dit zien we duidelijk bij Farao en bij de Joden.

Iemand die verblind en verhard is “ziet” het gevaar niet met zijn ogen, hij “verstaat” de ernst van zijn toestand niet met zijn hart. Het gevolg is dat hij op dezelfde weg doorgaat en onbekeerd sterft.

“Zien” en “verstaan” zijn onmisbaar bij de bekering. Waarom zijn er zo ontelbaar veel kerkgangers die zorgeloos hun weg gaan, onbewogen, onbekeerd? Het is omdat zij niet “zien” en niet “verstaan”. God al­leen kan hen doen verstaan en doen zien; predikers kunnen dit niet. En waarom bevinden zich veel mensen in deze toestand? Omdat zij geen acht geslagen hebben op de waarschuwingen van God en daarom gestraft zijn met verharding en verblinding.

De sleutel tot deze moeilijkheid ligt in het antwoord op de vraag: “Is God rechtvaardig als Hij een zondaar straft”? Iedere oprechte christen heeft geen moeite op deze vraag een bevestigend antwoord te geven.

Als we zien dat God rechtvaardig is in het straffen van de goddeloze, dan is er geen moeilijkheid meer. God kan een zondaar straffen met verharding van zijn hart en Hij zal uiteindelijk elke zondaar straffen met het eeuwige vuur. In beide gevallen is God rechtvaardig.

Een ding mogen we niet vergeten. God wil niet de dood van de zon­daar. Hij wil het harde hart week maken en het blinde oog van de grootste zondaar openen. Als we het evangelie verkondigen aan de mensen, mogen we dit nooit vergeten. We mogen hen er wel aan herin­neren dat zij verloren zullen gaan als ze volharden in hun ongehoor­zaamheid. Maar we moeten hen ook op het hart binden dat de genade van God onbeperkt is. Als een zondaar uiteindelijk verloren gaat, heeft hij het aan zichzelf te wijten en zal hij, als hij geoordeeld wordt, moe­ten toegeven dat God rechtvaardig is‑

We zien nog een belangrijk feit in verbinding met Jesaja 6. Toen Jesaja de Heer zag zitten in de tempel en zijn heerlijkheid zag, zag Hij de heerlijkheid van de Heer Jezus Christus. “Hij zag Zijn heerlijkheid en sprak van Hem” (vers 41). Dit is weer een bewijs dat de Heer Zich ge­openbaard heeft voordat Hij als mens geboren werd. Hij is God, en Hij bezit de heerlijkheid van God.


12:42-43


42 Toch geloofden ook zelfs velen van de oversten in Hem; maar om de farizeëen beleden zij Hem niet, opdat zij niet uit de synagoge werden gebannen; 43 want zij hadden de eer van de mensen meer lief dan de eer van God.

Het getuigenis van de Heer is niet tevergeefs geweest. Velen uit de oversten geloofden in Hem; onder hen waren Nicodémus en Jozef van Arimathéa. Toch waren zij lafaards; zij beleden de Heer niet openlijk. In hoofdstuk 9:22 zagen we dat de Joden overeengekomen waren dat, als iemand Hem als de Christus beleed, hij uit de synagoge gebannen zou worden. Dat was voor een Jood een grote schande. Iemand die zo uitgeworpen was, stond op dezelfde plaats als een heiden: hij was bui­ten, hij werd vergeleken met een hond. Voor zo iemand was er geen hoop op heil of hoop om deel te hebben aan toekomstige verwachting van het volk. De blinde man die door de Heer genezen was (hoofdstuk 9) was de eerste die buitengeworpen werd, maar hij werd een schaap van de kudde die de Herder zou vormen.

Maar er was nog een reden dat zij de Heer niet openlijk wilden belijden. “Zij hadden de eer van de mensen lief, meer dan de eer van God”. Zij namen eer van elkaar aan en zochten niet de eer die van de enige God is (Joh. 5:44).

Hieruit blijkt dat zij niet het echte geloof in God hadden; anders zou­den zij wel trouw zijn aan hun overtuiging. Zij wisten dat zij dan bela­chelijk gemaakt zouden worden. Hun reputatie en goede naam ston­den op het spel, en die prijs wilden zij niet betalen.

Dit verschijnsel komen we nu nog tegen. Ik heb gesproken met Joden, die beleden dat zij geloofden dat Jezus de Messias is, maar uit vrees dat hun vrienden hen zouden afwijzen of dat ze hun betrekking zou­den verliezen, durfden zij hun belijdenis niet openlijk uit te spreken. “Vrees voor mensen spant een strik” (Spreuken 29:25). Ook onder belijdende christenen komt dit voor, ja zelfs onder gelovigen. Laatst­genoemden weten vaak dat sommige mannen die leren en prediken, Christus en de waarheid van God loochenen, maar omdat zij de eer van de mensen meer lief hebben dan de eer van God, blijven zij in praktische gemeenschap met deze moderne Judassen, en zo hebben zij gemeenschap met hun boze werken (2 Joh.:10‑12). Hierdoor ver­liezen zij hun loon. Zij die zich niet schamen Hem te belijden voor de mensen, zij die de “legerplaats” verlaten waar de Heer geloochend wordt en Hem oneer wordt aangedaan (Hebt. 13:13), zullen hun loon ontvangen bij de komst van de Heer.

12:44‑50


44 Jezus nu riep en zei: Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem die Mij heeft gezonden. 45 En wie Mij aanschouwt, aanschouwt Hem die Mij heeft gezonden. 46 Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat ieder die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft. 47 En als iemand mijn woorden hoort en niet bewaart, oordeel Ik hem niet; want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om de wereld te behouden. 48 Wie Mij verwerpt en mijn woorden niet aanneemt, heeft dat wat hem oordeelt: het woord dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen op de laatste dag. 49 Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken; maar de Vader die Mij heeft gezonden, die heeft Mij een gebod gegeven wat Ik zeggen en wat Ik spreken moet. 50 En Ik weet dat zijn gebod eeuwig leven is. Wat Ik dan spreek, spreek Ik zo als de Vader Mij heeft gezegd.

Dit is het laatste openbare getuigenis van de Heer in dit evangelie. In het volgende hoofdstuk laat de Heer de massa van ongelovige Joden achter Zich en is Hij alleen met de twaalf discipelen. Judas, die niet in de Heer gelooft, gaat later ook weg (13:30) en dan is de Heer alleen met de elf discipelen.

Hier in vers 44 geeft de Heer een getuigenis over Zichzelf. Zoals we zo vaak in dit evangelie gezien hebben, spreekt de Heer over zijn eenheid met de Vader. In het vijfde hoofdstuk spreekt de Heer voor het eerst over dit geweldige feit. Ook als de Heer alleen is met zijn discipelen, in het volgende gedeelte van dit evangelie, spreekt Hij hierover.

Geloven in Hem betekent niet alleen in Hemzelf geloven, maar ook in Hem die Hem gezonden heeft, dat is God, de Vader. Hem zien betekent Hem zien die Hem gezonden heeft. “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (14:9). Er is zo’n volkomen éénheid tussen de Vader en de Zoon, dat geloven in de Zoon betekent geloven in de Vader. Misschien sprak de Heer deze woorden ook voor degenen die bang wa­ren om Hem te belijden, zoals Hij later ook sprak tot de discipelen: “Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij”.

Daarna spreekt de Heer nog eens over Zichzelf als het Licht. “Ik ben als licht in de wereld gekomen, opdat een ieder die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft”. Hij was altijd het Licht, Hij woonde bij God en in God, in een ontoegankelijk licht. Ook voor Hem gelden de woor­den: “God is Licht en in Hem is in het geheel geen duisternis” (1 Joh. 1:5). Maar Hij kwam in de wereld, een wereld van duisternis en zon­de. Door Hem is de duisternis verdreven, en degenen die in Hem gelo­ven, blijven niet in de duisternis.

“Dit vers laat ons zien

1 dat Christus al bestond voor Hij mens werd, zoals de zon al bestaat voor hij in het oosten opkomt:

2 dat Christus de enige Redder is van de wereld, zoals er ook maar één zon is; en

3 dat Christus niet voor één volk kwam, maar voor alle volken, zoals de zon ook schijnt voor de hele wereld” (Bourgon).

Hen die zijn woorden horen en niet geloven oordeelt Hij niet; want Hij kwam niet in de wereld om te oordelen, maar om de wereld te behou­den. Deze woorden zijn niet in strijd met 5:22 waar de Heer zegt: “Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het oordeel geheel aan de Zoon gegeven”. Dit moeten we begrijpen in verband met 3:17. De eerste komst van de Heer op aarde was niet om te oordelen. Het oordeel staat in verbinding met zijn tweede komst. Over dat toekom­stige oordeel spreekt de Heer in de volgende woorden: “Wie Mij ver­werpt en Mijn woorden niet aanneemt, heeft een, die hem oordeelt; het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen op de laatste dag”. Christus verwerpen houdt niet noodzakelijk in het bewust ver­werpen van zijn persoon. Alleen al Christus op de tweede plaats stel­len, Hem niet zo belangrijk achten, is een verwerping van Hem, die de Vader gezonden heeft. En wie de Heer zo gering acht en Hem niet de plaats geeft die Hein toekomt, neemt zijn woorden niet aan.

Maar degenen die Hem aannemen, buigen voor zijn gezag, ge­loven in Hem als de Redder, de Gezondene van de Vader, nemen ook zijn woorden aan en gehoorzamen ze. Zijn woorden zullen allen oordelen die Hem verwerpen. Dit zijn de woorden die Hij gesproken heeft. In de dag van het oordeel zal zijn Woord allen veroordelen die niet ge­loofden, want op die dag zal blijken dat zijn Woord de waarheid is. Allen die het verworpen hebben en Hem niet ontvangen hebben, die het levende Woord is, zullen geoordeeld worden.

Ook degenen die het Woord van God aanvallen met hun afbrekende kritiek, die getuigt van hun haat tegen het Woord van God, zullen dan hun verdiende oordeel ontvangen. Dit oordeel zal zeker komen. De Zoon van God heeft het gezegd.

De woorden die de Heer gesproken heeft, heeft Hij niet onafhankelijk van de Vader gesproken. De Joden die naar Hem luisterden, zouden kunnen denken dat de Heer uit Zichzelf sprak. Hier verklaart de Heer dat al de woorden die Hij gesproken heeft, door God gegeven zijn. Wat Hij sprak was altijd in nauwe gemeenschap met de Vader. Hij is degene die Mozes had aangekondigd met de woorden: “Den profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt: Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied. De man, die niet luistert naar de woorden welke hij in mijn naam spreken zal, van die zal Ik rekenschap vragen” (Deut. 18:18‑19). De Zoon van God heeft van zijn Vader de woorden ont­vangen die Hij moest spreken. “De Vader, die Mij gezonden heeft, die heeft Mij een gebod gegeven wat Ik zeggen en wat Ik spreken moet”.

“Als we lezen dat de Vader Christus “gezonden” heeft en dat Hij Hem “een gebod” gegeven heeft, moeten we niet denken dat dit inhoudt dat de Zoon van God een lagere plaats zou innemen dan God, de Vader. Hier wordt niet gesproken over de verhouding die er bestaat tussen schepselen zoals wij, maar over de Personen in de Goddelijke Drie-eenheid. Het “zen­den” van de Zoon was het gevolg van het eeuwige raadsbesluit van de Drie-eenheid, waarin de Vader, de Zoon en de Heilige Geest aan elkaar ge­lijk zijn van eeuwigheid af. De eeuwige Zoon was net zo bereidwillig om gezonden te worden als de eeuwige Vader om Hem te zenden.


Het “gebod” dat de Vader aan de Zoon gegeven heeft over wat Hij zou spreken en doen, was geen gebod dat de Zoon alleen maar had te gehoorzamen en waaraan Hij verder geen deel had. Christus kwam op aarde om het eeuwige raadsbesluit van Vader, Zoon en Heilige Geest uit te voeren. Dit raadsbesluit had ook tot doel om zondaren te verlossen” (Bourgon).

Het gebod waarover de Heer speciaal spreekt, is eeuwig leven. De woorden die de Heer sprak zijn woorden van leven. Petrus zei: “Gij hebt de woorden van eeuwig leven”. Vanaf het derde hoofdstuk heb­ben we gezien hoe de Heer deze waarheid ontvouwd heeft. Tenslotte lezen we in hoofdstuk 17, in het grote gebed van de Heer, dat de Vader Hem macht gegeven heeft over alle vlees, opdat Hij eeuwig leven zou geven aan allen die de Vader Hem gegeven heeft.

Met deze woorden eindigt het openbaar optreden van de Heer in dit evangelie. Vanaf het volgende hoofdstuk zien we de Heer alleen met degenen die Hem door de Vader gegeven zijn, zijn elf discipelen.

1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   25

  • 12:12‑19
  • 12:20‑22
  • 12:23‑26
  • 12:27‑33
  • 12:34‑36
  • 12:37-41
  • 12:42-43
  • 12:44‑50

  • Dovnload 1.32 Mb.