Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina17/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   25

Hoofdstuk 14

14:1‑3


1 Laat uw hart niet ontroerd worden. U gelooft in God, gelooft ook in Mij. 2 In het huis van mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om u plaats te bereiden. 3 En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben.

We kunnen ons voorstellen dat er na de laatste woorden van de Heer in het vorige hoofdstuk een korte stilte ontstond. De Heer had weer een “voorwaar, voorwaar” uitgesproken. Hij had de verloochening van Petrus voorzegd. Deze woorden hadden een diepe indruk gemaakt op de aanwezigen.

Judas was eerst weggegaan in de donkere nacht. Daarna had de Heer woorden gesproken die ze niet konden begrijpen. En dat Petrus de Heer drie maal zou verloochenen, bracht hen nog meer in verwarring. Petrus was de man die altijd namens hen sprak; hij had nota bene eens zo’n geweldige getuigenis over de Heer gegeven! Geen wonder dat zij nu verward en terneergeslagen waren.

Dan verbreekt de stem van de Heer de stilte: “Uw hart worde niet ont­roerd. Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij”. Dit zijn geweldige woorden! De Heer weet welke verschrikkelijke dingen staan te gebeu­ren: Gethsémané, het verraad van Judas, de verloochening van Petrus, de bespotting, de geseling en de schandelijke, pijnlijke dood aan het kruis. Toch denkt de Heer niet aan Zichzelf. Hij denkt aan de ontroer­de harten van de discipelen. Elk ander mens zou naar troost voor zich­zelf gezocht hebben. In plaats daarvan vertroost de Heer anderen.

“Uw hart worde niet ontroerd!” Wat is het kostbaar dat de Heer niet gezegd heeft “harten”, maar “hart”. Het betekent dat zijn vertroos­tende liefde zich uitstrekt tot elk hart afzonderlijk.

Kinderen van God van alle tijden hebben steeds weer dit hoofdstuk opgezocht en hebben in het geloof zich deze woorden die de Heer ge­sproken heeft toegeëigend. De schrijver van deze beschouwing bezit een heel oude bijbel, die door vele geslachten gebruikt is. Veel blad­zijden van het oude testament zien er nog net zo schoon uit als toen de bijbel van de drukker kwam. Maar de bladzijde waarop Johannes 14 staat is niet schoon meer. Het is te zien dat dit gedeelte veel gele­zen is; de vlekken van tranen van vele generaties zijn zichtbaar.

“Uw hart worde niet ontroerd!” Deze woorden en de woorden die volgen zijn het pijnstillend middel van onze grote Geneesheer! Zoals een arts een pijnstillend middel geeft om de pijn van een zieke weg te nemen, zo geeft onze Heer zijn medicijn voor het verdriet van het hart van zijn kinderen.

Maar geloof is nodig om deze troost te ontvangen en ervan te genieten. Zij geloofden in God. Nu zegt de Heer: “Gelooft ook in Mij”. Spoedig zou Hij verworpen worden door het volk en overgeleverd worden in de handen van de heidenen om gekruisigd te worden. Zij zouden als Jo­den er moeite mee hebben in Hem te blijven geloven als de Messias. Daarom zegt de Heer tegen hen dat zij in Hem moesten geloven net zoals zij in God geloofden: geloof in Mij en vertrouw op Mij, net zoals je in God gelooft en op God vertrouwt! Terecht, want Hij is God. Hij stond op het punt hen te verlaten en terug te gaan naar de Vader; het was nodig op Hem te vertrouwen en in Hem te geloven.

In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; als het anders was, zou Ik het u gezegd hebben, want Ik ga heen om u plaats te bereiden. En als Ik heenga en u plaats bereid heb, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar ik ben”.

Wat is het huis van de Vader? Zoals we weten sprak de Heer ook over de tempel als het huis van de Vader. Toen Hij de tempel reinigde, zei Hij: “Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis van mijn Vader tot een huis van koophandel” (2:16). Maar dat aardse huis, waarin Hij eens woonde in zichtbare heerlijkheid, was het voorbeeld van een ander huis. Het aardse huis dat Israël bezat, was gemaakt naar de afbeelding die Mozes gezien had op de berg (Hand. 7:44 en Hebr. 8:5). Het met handen gemaakte heiligdom met de voorhof, het heilige en het heilige der heiligen, was het voorbeeld van de ware tabernakel, die de Heer heeft opgericht, niet een mens (Hebt. 8:2).

De hemel is de eeuwige woonplaats van de eeuwige God. “De hemel is mijn troon en de aarde de voetbank mijner voeten” (Jes. 66:1).

Naar die plaats ging de Heer Jezus na zijn opstanding uit de doden. Hier spreekt de Heer over het Vaderhuis, dat heerlijke huis, het huis voor al de kinderen van God die gekocht zijn door het bloed van Christus en daardoor geschikt gemaakt zijn voor dat huis. Niet ge­schikt gemaakt door eigen inspanning of eigen verdienste, maar door het volbrachte werk aan het kruis. Het huis van de Vader staat open voor de kinderen van God, voor hen die wedergeboren zijn. Zelfs de jongste en zwakste gelovige heeft daar een plaats. Dan geeft de Heer ons de verzekering dat we niet bang hoeven te zijn, maar dat we er volkomen zeker van kunnen zijn: “Als het anders was, zou Ik het u gezegd hebben”. Vervolgens zegt de Heer dat Hij terug gaat naar het huis van de Vader om plaats voor hen te bereiden: “Want Ik ga heen om u plaats te bereiden”. Deze woorden van de Heer zijn op verschil­lende wijzen uitgelegd. Sommigen denken dat dit plaats bereiden nog steeds voortduurt. Maar dit is niet het geval. Zo lang de Heer op aarde was, was de plaats voor ons in het Vaderhuis niet bereid. Maar het verzoeningswerk aan het kruis opende de poorten van het huis van de Vader. Daar is de Heer nu al als onze Voorloper; Hij is de grote Ho­gepriester en de Voorspraak van zijn volk. Door zijn sterven, door zijn gaan naar die plaats, door zijn tegenwoordigheid in het huis van de Vader, heeft Hij ons dus plaats bereid.

En als Ik heenga, en u plaats bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij ne­men, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben”. Deze woorden zijn nog kostbaarder. De Heer stond op het punt hen te verlaten; zij zouden al­leen in de wereld achter blijven. De Heer is niet geestelijk, maar licha­melijk weggegaan. Bij de opstanding van de Heer kwam zijn lichaam, dat Hij aan het kruis gegeven had, uit het graf. En in dat lichaam ver­liet Hij de aarde om terug te gaan naar de Vader.

Als de Heer hier tegen de discipelen zegt dat Hij zal terugkomen, be­doelt Hij dus zeker niet een geestelijk terugkomen. Toch lezen we in veel Schriftverklaringen dat de Heer met deze woorden een geestelijk terugkomen bedoeld zou hebben, en wel zijn terugkomen op de Pink­sterdag in de persoon van de Heilige Geest. Dus, zo zegt men, deze tweede komst van de Heer heeft plaatsgevonden bij de komst van de Heilige Geest. Maar hoe kan nu in dezelfde zin met het “heengaan” op de tweede Persoon van de Drieënigheid gedoeld worden en met de “komst” op de derde Persoon?

Ook komen we de leer tegen dat de Heer met de woorden dat Hij zal terug komen en de zijnen tot Zich zal nemen, doelt op de dood van de gelovige: de Heer zou terugkomen als een gelovige sterft. Maar dan zou de Heer honderden malen per dag terugkomen; want elke dag sterven er honderden christenen in deze wereld. Dit wordt duidelijk te­gengesproken door andere Schriftplaatsen die ons leren dat het sterven van een gelovige niet wil zeggen dat de Heer naar de stervende gelovige komt, maar dat de gelovige naar de Heer gaat. Als een gelovige zijn verblijf in het lichaam verlaat, betekent dit dat hij bij de Heer woont. En dit is een bewuste toestand. De leer van een zieleslaap tussen de dood van een gelovige en de opstanding is onbijbels. Zie 2 Kor. 5:1‑8. Paulus schreef aan de Filippiërs: “Maar ik word van beide zijden ge­drongen; ik verlang er naar ontbonden te worden en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste” (Filipp. 1:23).

Toen onze Heer tegen de discipelen zei: “Ik kom weer”, bedoelde Hij maar één ding: dat Hij Zelf persoonlijk zal terugkomen. Het is niet mogelijk aan deze woorden een andere logische verklaring te geven.

Dit is een belangrijke en unieke openbaring. In het oude testament lezen we ook over de komst van de Heer, maar dit is uitdrukkelijk zijn tweede komst. Dat zal een heerlijke en zichtbare gebeurtenis zijn. Christus’ tweede komst wordt voorafgegaan door moeilijke tijden, oorlogen, rampen, zware tijden voor Israël en voor de volken. Volgens de profetieën zal de Heer komen om de volken te oordelen, om het overblijfsel van zijn volk te verlossen, en hen naar hun eigen land te brengen. Dan zal Hij zijn koninkrijk oprichten en regeren over de vol­ken als de Koning der koningen. Hij zal de vrede op aarde brengen.

De dingen die de Heer zegt over zijn tweede komst, zoals we die lezen in de synoptische evangeliën (Mattheüs, Markus en Lukas) zijn niet nieuw. Het is een bevestiging van wat we hierover lezen in de Profeten en in de Psalmen.

De rede op de Olijfberg (Matth. 24) is alleen maar een bevestiging van wat het oude testament ons leert over de tweede komst van de Heer. De grote verdrukking waarover Hij spreekt is dezelfde verdrukking waarover Daniël en anderen geschreven hebben; het is niet een voor­spelling van wat in het jaar 70 gebeurde, maar van de grote verdrukking die vooraf zal gaan aan de zichtbare, persoonlijke terugkeer van de Heer naar de aarde in heerlijkheid. Als we dus in de eerste drie evangeliën lezen over de komst van de Heer, gaat het alleen over zijn persoonlijke terugkeer naar de aarde in heerlijkheid. De discipelen worden aange­sproken als de vertegenwoordigers van het gelovig overblijfsel van het volk dat er zijn zal aan het eind van deze eeuw. Dat overblijfsel zal op Hem wachten in de laatste dagen, en hun hoop is: Hem te zien, ko­mend met de wolken van de hemel om hen te bevrijden van de macht van de antichrist en hun het beloofde koninkrijk te geven. Dan zal in vervulling gaan wat Daniël geschreven heeft, namelijk dat de heiligen het koningschap in bezit krijgen (Dan. 7:22). Dit zijn niet de heiligen van de gemeente, maar de heiligen uit de Joden.

Maar hier in Johannes 14 geeft de Heer een nieuwe, unieke openba­ring. Hij spreekt over iets wat geen profeet voorspeld heeft of zelfs kon voorspellen. Waar lezen we dat de Zoon zou komen om de heili­gen niet in het aardse Jeruzalem bijeen te vergaderen, maar hen mee te nemen naar het huis van de Vader, naar de plaats waar Hij Zelf is? Dit is iets nieuws! “Ik zal u tot Mij nemen, opdat ook gij moogt zijn, waar Ik ben”. Hier spreekt de Heer niet over een komen voor de be­vrijding van het Joodse overblijfsel, niet over een komen om zijn ko­ninkrijk op aarde op te richten, niet over een komen om de volken te oordelen, maar over een komen alleen voor degenen die Hem toebe­horen. Daarom zegt de Heer niets over een daaraan voorafgaande grote verdrukking; ook spreekt Hij niet over tekenen op aarde en in de he­mel. Daarom beschrijft Hij niet een zichtbaar komen met de wolken van de hemel in macht en heerlijkheid. Alles wat Hij zegt is: Ik zal terug komen en zal jullie tot Mij nemen, opdat jullie zijn mogen waar Ik ben. We herhalen het nog eens: dit is een geheel nieuwe openbaring. Maar als we op dat ogenblik één van de discipelen gevraagd zouden hebben de betekenis van die woorden uit te leggen, zou hij niet in staat geweest zijn dat te doen. Zij waren niet in staat deze woorden te begrijpen. Zelfs na Pinksteren zou Petrus deze belofte niet direct heb­ben kunnen uitleggen. Als hij in Handelingen 3:19 spreekt over de terugkeer van Christus, bedoelt hij de zichtbare komst van de Heer naar de aarde, om de tijden der herstelling van alle dingen te brengen, zoals aangekondigd door de profeten.

Petrus spreekt niet over de komst van de Heer om de zijnen te brengen naar de plaats waar Hij is.

Maar de volle betekenis van deze belofte van de Heer aan zijn elf dis­cipelen is bekend gemaakt door de apostel Paulus. Aan hem is de waarheid over de gemeente als het lichaam van Christus en de bruid van Christus bekend gemaakt. Aan hem is de hemelse bestemming van de gemeente geopenbaard. Hij mocht aan ons doorgeven wat de ware christelijke hoop is: de komst van de Heer voor zijn heiligen. In 1 Thess. 4:15‑18 geeft hij ons de verklaring van de woorden van de Heer in Johannes 14. Als Paulus in dit gedeelte zegt: “Dit zeggen wij u door het woord van de Heer”, bedoelt hij niet het profetisch woord van het oude testament, want daar vinden we niets over deze dingen. Het was een woord dat hij rechtstreeks van de Heer ontvangen had. Dit woord van de Heer geeft een verklaring van de belofte: “Ik kom weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben”. Deze belofte is nog steeds niet in vervulling gegaan. De gelovigen die al in het para­dijs zijn, wachten op dit ogenblik; hun lichamen slapen nog in het stof van de aarde. De gelovigen die nog leven, wachten ook op dit ogen­blik. De dag, dat Hij die deze woorden gesproken heeft ze in vervulling zal doen gaan, zal spoedig komen. Nog vóór de grote verdrukking, nog voor de dagen van de antichrist, nog vóór Hij Zelf zichtbaar zal komen op deze aarde, zal Hij komen voor de gelovigen om hen op te nemen, om hen in de lucht te ontmoeten en hen te brengen in het huis van de Vader.


14:4‑7


4 En waar Ik heenga, weet u, en de weg weet u. 5 Thomas zei tot Hem: Heer, wij weten niet waar U heengaat, hoe kunnen wij de weg weten? 6 Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. 7 Als u Mij had gekend, zou u ook mijn Vader hebben gekend; en van nu aan kent u Hem en hebt Hem gezien.

Na deze geweldige woorden van troost en bemoediging was er waar­schijnlijk een ogenblik van stilte. Dan gaat de Heer verder: “En waar Ik heenga, weet gij en de weg weet gij”. Hij had tot hen gesproken over zijn terugkeer naar het huis van de Vader. Maar de discipelen zit­ten nog vol vragen. Veel dingen zijn hun nog duister. Maar de Heer die alwetend is, kent hun harten. Hij weet wat hun gedachten zijn (Psalm 19:2). Hun vragen moeten uitgesproken worden; daarom zegt de Heer deze woorden.

Thomas spreekt. Driemaal horen we zijn stem in dit evangelie. In hoofdstuk 11:16 zien we zijn toewijding aan de Heer als hij voorstelt: “Laten wij ook gaan, opdat wij met Hem sterven”. In hoofdstuk 20:24 lezen we weer over hem; daar zien we zijn ongeloof in de op­standing van zijn Heer. Hierom wordt hij wel “ongelovige Thomas” genoemd. Maar hoewel hij de neiging had om te twijfelen, toch bezat Thomas een warm hart, vol toegenegenheid tot de Heer.

In dit gedeelte is het Thomas die spreekt: “Heer, wij weten niet waar gij heengaat en hoe kunnen wij de weg weten?” Hij vertolkt de vraag die in de harten van de discipelen leeft. Hij spreekt namens hen. De Heer wachtte op deze vraag. Als antwoord op deze vraag horen we één van de belangrijkste uitspraken van de Heer: “Ik ben de weg en de waar­heid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij”. Deze woorden zijn zo eenvoudig dat een kind ze kan begrijpen, en toch heb­ben zij een diepte die niemand kan peilen. Nooit heeft een mens zulke woorden gesproken! Geen profeet heeft zoiets kunnen zeggen en als hij het gedaan had, was hij een bedrieger.

Rationalistische leiders in het christendom hebben de Heer durven te vergelijken met godsdienstige voorgangers uit het verleden. Dit is pure godslastering. Deze mensen hebben de Heer op één lijn durven te stel­len met Confucius, Zarathoestra, Boeddha, Socrates en anderen. Maar heeft één van deze mannen met hun godsdienstige filosofieën (áls hun stelsels tenminste filosofieën genoemd kunnen worden) ooit zoiets gezegd? Heeft een godsdienstige leider uit het verleden ooit zoiets durven zeggen? En als Confucius, Zarathoestra of Boeddha dit gezegd hadden, hadden zij hierdoor laten zien dat zij leugenaars waren. Ner­gens lezen we iets dat er op wijst dat één van deze mannen ooit een verklaring heeft afgelegd die overeenkomt met deze woorden van de Heer. Alleen iemand die niet alleen God kent, maar die God is, kan zulke dingen zeggen over Zichzelf. In vers 9 zegt de Heer nog grotere dingen over Zichzelf. Als Hij alleen maar een mens was, die in gods­dienstig gevoel, ondernemingsgeest en karakter boven de rest van zijn tijdgenoten uitstak. zouden deze woorden Hem beschuldigen van zelf­verheerlijking en bedrog. De woorden die de Heer hier uitspreekt zijn uniek: zij bevestigen zijn Godheid.

Ik ben de weg”.

Men heeft deze woorden geprobeerd te verdraaien en er van gemaakt: “Ik ben iemand die de weg wijst”, met andere woorden: Ik laat de mensen zien hoe zij moeten leven. Let op Mij! Zie in Mij een uitdruk­king van echte mensheid! Ik ben jullie voorbeeld, volg Mij! Deze ver­keerde voorstelling van zaken heeft zijn oorsprong in de ontkenning van de verloren toestand van de mens. Wat de mens nodig heeft, is niet in de eerste plaats iemand die hem laat zien hoe hij moet leven, maar een Heiland, een Redder, omdat hij verloren is, dood in misdaden en zonden, zonder kracht om iets te doen.

Als onze Heer verklaart: “Ik ben de weg”, bedoelt Hij daarmee dat Hij het is die de weg bereid heeft voor verloren zondaars om terug te keren tot God. Vergelijk dit met de woorden van de Heer in hoofd­stuk 10: “Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij be­houden worden”. Dit betekent dat Hij, door zijn volbrachte werk aan het kruis, de deur is waardoor allen moeten binnengaan. Zo noemt de Heer Zich hier de weg voor verloren zondaars, waardoor zij gered en tot God gebracht kunnen worden, “de nieuwe en levende weg, die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen, dat is zijn vlees” (Hebr. 10:20).

Zo is Hij de weg naar de Vader en naar het huis van de Vader met zijn vele woningen. Voor degenen die in Hem geloven is Hij de weg die zij moeten bewandelen.

“Ik ben de waarheid”.


Dit betekent meer dan dat Hij de ware Messias is; het betekent meer dan dat Hij de waarheid openbaart. Hij is de Waarheid Zelf. Terwijl het Woord van God, de geschreven openbaring van God, de waarheid is, is Hij, het levende Woord, de Waarheid. Wie Hem kent, kent de waar­heid, want in Hem zijn alle schatten van wijsheid en kennis te vinden. De waarheid kennen betekent Hém kennen. Hoe meer we Hem ken­nen, des te meer kennen we de waarheid en wandelen we in de waar­heid.

Ik ben het leven”.

Hij is de ware God en het eeuwige leven. Hij is de bron, de oorsprong van alle leven. Hij is het leven en dit leven wordt gegeven aan de gelo­vigen. Het eeuwige leven dat Hij geeft aan hen die in Hem geloven is Hij Zelf. In de eerste brief van Johannes vinden we deze geweldige waarheid. Wij hebben als gelovigen deel aan het leven dat Hij is; en dat leven moet gezien worden, zoals het gezien werd in het leven van de Heer hier op aarde.

Niemand komt tot de Vader dan door Mij” . Omdat Hij de weg is en de waarheid en het leven, is er geen andere weg tot de Vader. Niemand anders en niets anders kan de verloren zondaar tot de Vader brengen. Niemand kan de Vader kennen en een kind van God zijn buiten Hem om. Wie Christus verwerpt en niet in Hem gelooft als de Zoon van God is daarom verloren.

“We moeten er op letten dat dit woord van de Heer een onweerlegbaar argument is tegen de moderne leer dat het er niet toe doet wat een mens gelooft, dat alle godsdiensten de mens naar de hemel brengen als hij maar oprecht is, dat geloofsbelijdenissen en leerstellingen niet belangrijk zijn, dat de hemel een plaats is voor alle mensen: heidenen, Mohammedanen en christenen, dat het feit dat God de Vader is van alle mensen voldoende is om allen uiteindelijk te redden! We moeten deze woorden van de Heer nooit meer vergeten: er is geen weg tot de Vader, dan door Mij! God is alleen de Vader van hen die in Christus geloven. Er zijn geen verschillende wegen naar de hemel. Er is maar één weg” (Ryle).

Als gij Mij gekend hadt, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben; en van nu aan kent gij Hem en hebt Hem gezien”(vers 7). Tot de ongelo­vige Joden had de Heer iets dergelijks gezegd: “Gij kent noch Mij, noch mijn Vader. Als gij Mij gekend hadt, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben” (8:19).

Deze woorden stemmen overeen met de verklaring van de Heer: “Ik en de Vader zijn één”. Zoals we al vaker gezien hebben in het Johan­nesevangelie getuigt de Heer ook hier van de volkomen éénheid die er is tussen Hem en de Vader.

Als we Christus kennen, kennen we ook de Vader, en hoe meer we Christus kennen, des te meer leren we de Vader kennen door Hem. Als de Heer zegt: “Van nu aan kent gij Hem en hebt Hem gezien” zegt Hij dat met het oog op de openbaring die Hij hen nu bekend ging maken, vooral in de woorden die volgen.



14:8‑11

8 Filippus zei tot Hem: Heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg. 9 Jezus zei tot hem: Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet gekend, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien; hoe zeg je dan: Toon ons de Vader? 10 Geloof je niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet vanuit Mijzelf, maar de Vader die in Mij blijft, Die doet de werken. 11 Gelooft Mij dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is; en zo niet, gelooft Mij om de werken zelf.

Dat de discipelen nog weinig van de woorden van de Heer begrepen blijkt ook uit de vraag van Filippus. Het is dezelfde Filippus die Nathanaël gevonden had. Tegen hem zei hij: “Wij hebben Hem gevonden van wie Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten ... Kom en zie” (Joh. 1:4547). Ofschoon Filippus wel wist dat de Heer de be­loofde Messias was, begrijpt hij niets van het grote feit, waarover de Heer zo vaak gesproken had: zijn één zijn met de Vader. Hij spreekt als een Jood, hij vraagt om een teken, om een zichtbaar bewijs. Denkt hij misschien aan een zichtbare verschijning van de heerlijkheid van de Heer, zoals de profeten in het oude testament soms gezien hadden? Verlangt hij er naar ook zo’n zichtbare verschijning te zien? Denkt hij wellicht: als ik maar iets mag zien van Hem die de Heer Vader noemt, dat zou voldoende zijn? De Heer spreekt een mild verwijt uit: “Ben Ik zo lange tijd bij u en hebt gij mij niet gekend, Filippus?” Fi­lippus was één van de eerste discipelen. Al bijna drie jaar was hij voort­durend in gezelschap van de Heer geweest. Zij hadden samen gereisd, samen geleefd, zij gingen vertrouwelijk met elkaar om. Hij en de ande­ren hadden de geweldige werken van de Heer gezien; zij waren getuige geweest van de wonderen van de Heer; zij waren er bij geweest toen de Heer de grote schare op wonderbare wijze voedde, toen Hij melaatsen genas, toen Hij blinden weer deed zien, toen Hij doden weer deed op­staan. Zij hadden wonderen gezien die alleen Iemand die almachtig was kon volbrengen. Zij hadden geluisterd naar de woorden van de Heer. Zij wisten dat Hij de Heer was. Toch vraagt Filippus hier: “Toon ons de Vader en het is ons genoeg”. Hij heeft niet begrepen wat de Heer gezegd heeft: “Als gij Mij gekend hadt, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben”. Hij beseft niet dat de Zoon en de Vader één zijn.

Wij weten niet of de andere discipelen een diepere kennis hadden dan Filippus. Alles veranderde met de komst van de Heilige Geest, want “die zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen” (16:14). Toen kon Johannes dit evangelie schrijven waarin hij ons openbaart wie de Heer is en hoe groot zijn heerlijkheid is. Zowel in het evangelie als in de eerste brief schrijft hij over de dingen die hij en zijn broeders ge­loofden: “Wat van het begin af was, wat wij gehoord, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd en onze handen betast hebben betreffende het woord des levens; (en het leven is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en ons geopenbaard is); wat wij gezien en ge­hoord hebben, verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben. Onze gemeenschap nu is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus” (1 Joh. 1:1‑3).

Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? Gelooft gij niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar de Vader, die in Mij blijft, die doet de werken”.

In het oude testament zagen de profeten de zichtbare heerlijkheid van de Heer. Hij woonde in het midden van zijn volk, zowel in de taberna­kel als in de tempel van Salomo. Sommige profeten zagen de heerlijk­heid van de Heer. Jesaja zag Hem in de tempel (Jes. 6). Ezechiël zag de heerlijkheid van de Heer in een wolk (Ezechiël 1). Daniël zag Hem tij­dens één van zijn visioenen aan de oever van de rivier de Tigris (Daniël 10). Ook Mozes en anderen zagen Hem in zichtbare heerlijkheid. De discipelen wisten niet dat deze Persoon, die in het oude testament ver­schenen was, Dezelfde was met wie zij gewandeld hadden en die nu met hen sprak. Door Hem had God Zich geopenbaard in de tijd van het oude testament. Maar nu was de Zoon, die één is met de Vader vlees geworden. Hij was gekomen om God te openbaren in zijn eigen Persoon. Van Hem staat geschreven: “Die geen mens gezien heeft of zien kan” (1 Tim. 6:16). “Niemand heeft ooit God gezien; de enig­geboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem ver­klaard” (Joh. 1:18). “En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heer­lijkheid als van een eniggeborene van een Vader, vol van genade en waarheid” (Joh. 1:14).

De dag zal komen dat Christus’ zichtbare heerlijkheid gezien zal wor­den. Dat zal de dag zijn van zijn terugkeer, wanneer ieder oog Hem zal zien. De verheerlijking op de berg is een beeld van deze komende gebeurtenis.

Wat een geweldige inhoud hebben de woorden: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”. Als iemand deze uitspraak kent en toch de ab­solute Godheid van de Heer loochent, dan moet zijn natuurlijk verstand wel totaal verduisterd zijn.

“Ongetwijfeld, de verborgenheid van de godsvrucht is groot: God is geopenbaard in het vlees” (1 Tim. 3:16). De woorden en de werken van de Heer zijn het bewijs dat Hij in de Vader is en dat de Vader in Hem is. Al eerder in dit evangelie heeft de Heer zo’n getuigenis over Zichzelf gegeven. Hier zegt Hij (vers 10): “Gelooft gij niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is?” en in vers 11: “Gelooft Mij dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is; en zo niet, gelooft Mij om de werken zelf”. Heb geloof in Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is, zegt de Heer tegen Filippus en tegen de rest van zijn discipelen. In zijn genade komt de Heer tegemoet aan de zwakheid van zijn vol­gelingen. Zonder woorden van verwijt voegt Hij er aan toe: “En zo niet, gelooft Mij om de werken zelf’. De werken waren zijn geloofs­brieven; door zijn werken liet Hij zien dat Hij één was met de Vader; want de werken die Hij deed, deed de Vader ook.

14:12‑14


12 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie in Mij gelooft, de werken die Ik doe zal hij ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, omdat Ik heenga naar de Vader. 13 En alles wat u zult bidden in mijn naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt wordt. 14 Als u Mij iets zult bidden in mijn naam, Ik zal het doen.

De woorden die volgen op het antwoord van onze Heer op de vraag van Thomas en Filippus, moeten in verband gebracht worden met de vertroostende woorden die de Heer sprak aan het begin van dit hoofd­stuk: “Uw hart worde niet ontroerd”. Vers 5 tot 11 is een onderbre­king in de toespraak van onze Heer tot de discipelen. De woorden “voorwaar, voorwaar” van vers 12 staan in verband met vers 4. De Heer zou terugkeren tot de Vader en in vers 12 spreekt Hij over de ge­volgen van dit feit.

De Heer geeft zijn discipelen een geweldige belofte: “Voorwaar, voor­waar, Ik zeg u: wie in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen en hij zal grotere doen dan deze, want Ik ga heen tot de Vader”. Dit is één van de belangrijkste gedeeltes in dit evangelie die voorafge­gaan worden door de woorden “voorwaar, voorwaar”. We kunnen de­ze woorden omschrijven met: “Wees er zeker van; het is buiten enige twijfel”.

Maar wat bedoelde de Heer met deze woorden? Ze worden vaak ver­keerd uitgelegd en allerlei misleidende en fanatieke bewegingen zijn erop gegrond, groeperingen die een herstel van de apostolische gaven prediken, zoals de gaven van het spreken in talen en het genezen van zieken.

De vraag is dus wat de Heer bedoelde met deze woorden, toen Hij sprak over grotere werken dan die Hij gedaan had toen Hij op aarde was, grotere werken die degenen die in Hem geloofden zouden doen na zijn heengaan. Bedoelde de Heer wonderen van genezing, zoals Hij die gedaan had als bewijs van zijn Godheid en van het feit dat Hij de Messias was? Het grootste wonder dat de Heer gedaan heeft, is het op­wekken van doden. Hij deed het dochtertje van Jaïrus weer opstaan, gaf de weduwe uit Naïn haar enige zoon terug en bracht de broer van Maria en Martha terug tot het leven. De opwekking van Lazarus die al vier dagen in het graf gelegen had, zodat zijn lichaam al tot ontbinding was overgegaan, was het allergrootste wonder. Was er een groter won­der dan deze? Elk weldenkend mens ziet meteen dat de Heer met “grotere werken” onmogelijk het genezen van zieken en het opwek­ken van doden bedoeld kan hebben. Maar het moet ook duidelijk zijn dat de Heer met de woorden “de werken die Ik doe, zal hij ook doen” wél bedoelt de wonderen die Hij gedaan heeft.

De Heer geeft hun de verzekering dat zij, wanneer Hij niet meer bij hen zal zijn en zij van Hem zullen getuigen, dan dezelfde werken van macht en genade zullen kunnen doen als Hij gedaan heeft, dezelfde wonderen waarmee de Heer had aangetoond dat Hij de beloofde Mes­sias en Koning was. Dezelfde belofte geeft de Heer aan zijn elf discipe­len aan het eind van het Markusevangelie (Zie Markus 16:17‑20).

Deze belofte is in vervulling gegaan tijdens het leven van de apostelen, in het begin van de geschiedenis van de Kerk, in het boek van de Han­delingen. Zieken werden genezen, demonen werden uitgeworpen en zelfs doden werden opgewekt.

Toen de Heer zijn discipelen uitzond met de boodschap dat het ko­ninkrijk der hemelen nabij gekomen was, gaf hij hun macht om zieken te genezen, doden op te wekken, melaatsen te reinigen en boze gees­ten uit te drijven. Deze boodschap was alleen bestemd voor de kinde­ren van het koninkrijk: het volk Israël. De boodschap van het konink­rijk ging gepaard met uiterlijke tekenen. Immers: de Joden begeren tekenen ‑ en zij hebben daartoe eigenlijk het volste recht want de profeten hebben voorspeld dat de oprichting van het koninkrijk gepaard zal gaan met wonderen en tekenen.

Iedere gelovige die geleerd heeft het Woord der waarheid recht te snij­den, weet dat in het begin van de Handelingen de boodschap gebracht wordt aan Jeruzalem: namelijk dat Hij die onder hen geleefd had, die zij hadden gekruisigd en die God uit de doden had opgewekt, de be­loofde Messias is, de Koning van Israël. In het begin van de Handelin­gen vinden we nog niet de volle boodschap van het evangelie van de genade en de openbaring van de gemeente. Het getuigenis van Petrus is uitsluitend gericht tot Israël. De oproep wordt eerst gericht tot de Joden om zich te bekeren, en de belofte is de belofte van het konink­rijk, de tijden van verkwikking en van de herstelling van alle dingen bij de terugkeer van Hem die de hemel opgenomen heeft.

Andermaal wordt het koninkrijk aan het volk aangeboden. Dit wordt prachtig beschreven in de gelijkenis van de bruiloft van de zoon van de koning in Mattheüs 22:1‑14. En we zien dat in het bijzonder in die tijd het woord van de Heer vervuld is. Zij deden de werken die Hij ge­daan had. Veel wonderen werden verricht in Jeruzalem, in Judéa en in Samaria. Dit was het uiterlijk bewijs, niet alleen dat de boodschap die zij brachten waar was, maar dat Hij die dezelfde wonderen op aar­de verricht had lééfde, dat Hij was opgestaan uit de doden, en dat zijn macht nog dezelfde was. Deze uiterlijke tekenen van de waarheid van het christendom duurden voort zolang de volle openbaring van God nog niet in de handen van de mensen gelegd was. Paulus en zijn metgezellen hebben ook wonderen verricht tijdens hun dienst. Maar toen Paulus de grote openbaringen van de Heer ontvangen had en ze onder de leiding van de Heilige Geest opgeschreven had, werden deze uiterlijke tekenen steeds minder. En toen de apostel Paulus zijn brie­ven geschreven had en daarmee het Woord van God voltooid was (dat wil zeggen dat ons de hoogste openbaringen medegedeeld waren) zat hij als gevangene in Rome. In het begin van de Handelingen deed de Heer wonderen: toen zond Hij engelen om de apostelen te bevrijden uit de gevangenis. Maar toen Paulus aan het eind van zijn loopbaan in de gevangenis zat, werd hij niet op wonderbare wijze verlost.

Nergens in de Schrift is er een bewijs dat wonderen zoals de Heer die verricht heeft, zoals het genezen van zieken, het reinigen van melaat­sen, de vermenigvuldiging van broden en het opwekken van doden, zouden blijven in de gemeente in de loop van de eeuwen. Zo lang de apostelen leefden, aan wie deze belofte gegeven was, waren deze teke­nen er. Zo lang de volle waarheid van het christendom nog niet ge­openbaard was, waren uiterlijke tekenen ook nodig. Maar toen het Woord van God door de Geest van God voltooid was, waren wonderen zoals de Heer die verricht had, niet meer nodig. Wij leven in de tijd van geloven en niet van aanschouwen.

Toch zijn er in de na‑apostolische tijd veel wonderdoeners geweest die zeiden dat zij macht hadden om te genezen en allerlei wonderen te ver­richten. De kerkhistorici vermelden veel van deze voorvallen. Het le­ven van veel zogenaamde heiligen is vol van wondere gebeurtenissen: het genezen van zieken, het optreden van engelen en andere bovenna­tuurlijke gebeurtenissen. Ook later zijn er steeds weer bewegingen ont­staan die beweerden dat de tijden van de apostelen weer teruggekeerd waren. Veel van deze bewegingen waren helaas een broeinest van valse leringen en zelfs van immoreel gedrag. Ook voor de Pinksterbewe­ging van onze tijd, met haar zogenaamde wonderen, met haar ver­keerde leer, is in dit verband een woord van waarschuwing wel op z’n plaats.

Maar wat zijn de “grotere werken” waarover de Heer hier spreekt? De Heer verrichtte niet alleen lichamelijke wonderen maar ook geeste­lijke: de bekering van zondaren. De bekering van een zondaar is een geestelijk wonder! We weten uit de bijbel dat er maar een klein groep­je verzameld was tijdens de dienst van de Heer op aarde, mensen die in Hem geloofden als de Zoon van God en die wedergeboren waren. Toen de Heilige Geest gekomen was op de pinksterdag en Petrus ge­predikt had, vonden er drieduizend wonderen van genade plaats. Dat was een groter geestelijk wonder dan de Heer verricht had. En zo zijn deze grotere werken in de loop van de eeuwen steeds weer verricht en worden nog steeds verricht, als resultaat van de terugkeer van de Heer tot de Vader en de daaropvolgende komst van de Heilige Geest.

Deze belofte gaat gepaard met de volgende woorden: “En alles wat gij bidden zult in mijn naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt wordt. Als gij iets bidden zult in mijn naam, Ik zal het doen” (vers. 13 en 14).

Dit is een geweldige vertroosting voor de discipelen, want zij zouden binnenkort alleen zijn. Hij luisterde naar hun vragen terwijl Hij bij hen was. Hij kende hun gedachten en hun verlangens en in zijn genade voorzag Hij in alles. Nu staat Hij op het punt naar het huis van de Vader te gaan om plaats voor hen te bereiden. Daarom geeft Hij hun deze belofte: zij kunnen bidden tot de Vader in zijn naam, en wat zij ook zullen vragen in zijn naam, Hij zal het doen. Al eerder had Hij hun het zogenaamde “Onze Vader” geleerd. In dat gebed wordt de naam van de Heer niet genoemd. Maar nu, vooruitlopend op zijn verzoenend werk aan het kruis, zijn opstanding en hemelvaart en zijn positie aan de rechterhand van God, zegt Hij dat zij moeten bidden in zijn naam. Dit belangrijke feit wordt later nog eens beklemtoond door de Heer. “Tot nu toe hebt gij niets gebeden in mijn naam: bidt en gij zult ont­vangen, opdat uw blijdschap volkomen mag zijn” (16:24).

Maar wat betekent deze uitdrukking: “bidden in mijn naam”? Het be­tekent méér dan dat we de naam van de Heer gebruiken in ons gebed. Om “in zijn naam te kunnen bidden is het nodig dat degene die bidt “in Hem” is. De uitdrukking “in de naam” duidt in de taal van het nieuwe testament op de vertegenwoordiging van de persoon wiens naam gebruikt wordt, het staan in zijn plaats, het manifesteren van zijn wil. Het bidden in de naam van Christus betekent dat we in Hem zijn, dat we met Hem verbonden zijn en zijn verheerlijking zoeken. Het enkele gebruik van de naam van onze Heer in een gebed, zonder dat we beseffen dat we één met Hem zijn zonder dat er bij ons het ver­langen is Hem te verheerlijken door zijn wil te doen in ons leven, heeft natuurlijk geen waarde. Maar als we Hem kennen en het de wens van ons hart is zijn wil te doen, dan kunnen we bidden in zijn naam. Wat wij vragen moet daartoe in overeenstemming zijn met de wil van Hem, wiens gebed altijd was: “Niet mijn wil, maar uw wil geschiede”.

Vanaf de tijd dat de Heer deze belofte gegeven heeft, hebben de zij­nen steeds weer tot hun Heer en Heiland gebeden in eenvoudig geloof. Zij bidden tot Hem en ontvangen in genade een antwoord. Wat is het een troost dat we gedurende onze reis als pelgrims door de woestijn, op reis naar ons vaderland, kunnen steunen op deze belofte! We mo­gen met vrijmoedigheid onze wensen aan de Vader bekend maken en Hem bij wijze van spreken herinneren aan de woorden die zijn Zoon hier op aarde gesproken heeft. Wat een bemoediging heeft de Heer ons hierin gegeven: we mogen bidden in zijn naam en in geloof het ant­woord verwachten.

De Vader zal in de Zoon verheerlijkt worden in het verhoren van deze gebeden. Als verloste zondaren de naam van de Heer gebruiken en er in hun nood voorzien wordt, als hun gelovig gebed beantwoord wordt, dan wordt God de Vader hierdoor verheerlijkt.

Dan wordt dezelfde belofte nog eens herhaald: “Als gij iets bidden zult in mijn naam, Ik zal het doen”. Het is of de Heer er nog eens de nadruk op wil leggen, alsof Hij zeggen wil dat we er niet aan hoeven te twijfelen.

“Vraag maar iets in mijn naam en wacht dan maar af hoe Ik je gebed zal verhoren!” De Heer zegt twee keer: “Ik zal het doen”, terwijl we in hoofdstuk 16 vers 23 lezen: “Alles wat gij de Vader zult bidden in mijn naam, dat zal Hij u geven”. Bidden doen we tot God. En als de Heer zegt dat Hij het zal doen, geeft Hij daarmee weer een bewijs dat Hij God Zelf is. “Het woord ‘Ik’ geeft de heerlijkheid weer van Hem die één is met de Vader” (Bengel).



14:l5‑20

15 Als u Mij liefhebt, bewaart mijn geboden. 16 En Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Voorspraak geven, opdat Die met u zal zijn tot in eeuwigheid: 17 de Geest van de waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, omdat zij Hem niet aanschouwt en Hem niet kent; u kent Hem, omdat Hij bij u blijft en in u zal zijn. 18 Ik zal u geen wezen laten blijven. Ik kom tot u. 19 Nog een korte tijd en de wereld aanschouwt Mij niet meer, maar u aanschouwt Mij; omdat Ik leef, zult ook u leven. 20 In die dag zult u weten dat Ik in mijn Vader ben en u in Mij en Ik in u.

In dit gedeelte lezen we welke voorziening de Heer getroffen heeft voor de tijd dat Hij niet meer bij zijn discipelen zou zijn. Zij hadden de Heer lief, maar Hij had hen lief op een manier die zij niet konden be­grijpen. Hun liefde kwam tot uitdrukking door hun verdriet toen de Heer hen vertelde dat zij binnenkort alleen zouden achter blijven. Dit moet de reden zijn dat Hij tot hen zei: “Als gij Mij liefhebt, be­waart Mijn geboden”. Hun liefde tot Hem zou blijken uit hun gehoor­zaamheid; uit het doen van zijn wil. Dan volgt een nieuwe openbaring en een nieuwe belofte. De Heer had tot hen gesproken over het bid­den in zijn naam, maar nu zegt Hij iets tot hen wat Hij niet eerder ver­teld had: dat Hij voor hen zou bidden tot de Vader. Het woord dat hier in het Grieks gebruikt wordt betekent “vragen”. Het is niet het bidden van een schepsel tot God, maar het is een vragen van de Zoon aan de Vader. Dit woord “vragen” van de Heer vinden we ook in 16:26; 17:9,15 en 20.

Wat vraagt de Heer aan de Vader voor de zijnen? Zijn verzoek betreft “een andere Trooster”, die de Vader zal geven. Het is moeilijk de bete­kenis van het Griekse Woord “parakletos” juist weer te geven. Het heeft de betekenis van een helper die erbij geroepen wordt, een advocaat, een beschermer van een beschuldigde. Hetzelfde woord wordt in 1 Joh. 2:1 vertaald door “Voorspraak”. Daar is het de Heer Jezus Zelf die de Voorspraak, de advocaat, is bij de Vader. Hier belooft Hij dat de derde persoon van de Godheid in de gelovige zal komen wonen als de Trooster. Het woord “een andere” geeft aan dat de Heilige Geest hetzelfde werk zal doen in de gelovige dat de verheerlijkte Chris­tus doet in de hemel voor de gelovige.

In dit gedeelte zien we de drie personen van de Godheid: de Zoon die een verzoek richt tot de Vader, de Vader die “iets” geeft als antwoord op dit verzoek en de Heilige Geest die komt om bij de gelovigen te blijven. Velen, zoals bijvoorbeeld de Mormonen, ontkennen de drie-eenheid. Dit vers alleen moest al voldoende zijn om hen te overtuigen, want hier zien we de drie Goddelijke personen en deze drie zijn één.

Twee keer eerder had de Heer al gesproken over de toekomstige gave van de Geest. Allereerst had Hij er over gesproken met de Samaritaan­se vrouw bij de put (4:14), en daarna opnieuw in hoofdstuk 7:38 en 39. In dit laatste gedeelte lezen we dat de gave van de Geest afhanke­lijk was van het sterven, de opstanding en de verheerlijking van Chris­tus aan de rechterhand van God. Over deze voorwaarde spreekt de Heer ook weer in hoofdstuk 16:7: “Het is nuttig voor u dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zal de Trooster niet tot u komen; maar als Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden”.

Hier in hoofdstuk 14:16 spreekt de Heer voor het eerst met duidelijke woorden over de gave van de Geest die de plaats van de Heer zal in­nemen in en bij de gelovigen in de tegenwoordige tijd. De Heilige Geest is de Voorspraak voor de gelovigen hier op aarde, terwijl de ver­heerlijkte Christus de Voorspraak is bij de Vader. De Heer Jezus oefent zijn dienst als Voorspraak uit als wij zondigen. Dan komt Hij voor ons tussenbeide.

En wat is de taak van de andere Voorspraak, de Heilige Geest? “En evenzo komt ook de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, zoals het behoort, maar de Geest zelf bidt (treedt tussenbeide) met onuitsprekelijke verzuchtingen” (Rom. 8:26). Wat een gelovige ook nodig mag hebben, bij het bidden, bij het aan­bidden, bij het getuigen, bij de dienst, in beproeving, in moeilijke om­standigheden de Heilige Geest is in hem als Voorspraak om hem te bemoedigen, te troosten, te leiden, te onderwijzen en hem kracht te geven.

Hier in Johannes 14 belooft de Heer de Heilige Geest als een blijvende gave: “Opdat Hij bij u is tot in eeuwigheid”. De Heilige Geest was er wel in het oude testament; zelfs in de tijd voor de zondvloed zien we de werking van de Geest (Gen. 6:3). Maar nooit was de Geest op aarde geweest, nooit had Hij gewoond in gelovigen om voor altijd bij hen te blijven. David bad in Psalm 51:13: “Neem uw Heilige Geest niet van mij”. Van Saul lezen we dat de Geest van de Heer hem verliet en dat een boze geest daarvoor in de plaats kwam. Maar de nieuwtestamen­tische gelovigen hebben de belofte ontvangen dat de Heilige Geest, die zij uit genade ontvangen hebben door te geloven in Christus, in hen zal blijven. Wij zijn verzegeld met de Heilige Geest van God tot de dag van de verlossing (Efeze 4:30).

De Heer noemt Hem “de Geest van de waarheid”. God is de waarheid, de Zoon van God is de waarheid en de Heilige Geest is de waarheid. Dit is opnieuw een bewijs dat de drie personen van de Godheid één zijn. In zijn eerste brief schrijft Johannes: “En de Geest is het die ge­tuigt, omdat de Geest de waarheid is” (5:6). Hij doet de duisternis verdwijnen en openbaart de waarheid over Hem die gezegd heeft: “Ik ben de waarheid”. Hij onderwijst ons in de waarheid en leidt ons in de hele waarheid. Deze waarheid heeft Hij bekend gemaakt in het ge­schreven Woord. Heilige mensen Gods, door de Heilige Geest gedre­ven, hebben het Woord mogen opschrijven.

De wereld kan de Geest van de waarheid niet ontvangen, want de we­reld heeft Christus verworpen. Niemand kan deze gave van God ont­vangen dan op grond van de prediking van het geloof (Gal. 3:2), d.w.z. door te geloven in Jezus Christus als de Zoon van God, als de Heiland die stierf voor onze zonden, die begraven is en op de derde dag is opgestaan. De natuurlijke mens kent Hem niet, kan Hem niet be­grijpen, kan Hem niet ontvangen. “Maar de natuurlijke mens neemt niet aan wat van de Geest van God is, want het is hem dwaasheid: en hij kan het niet verstaan, omdat het geestelijk beoordeeld wordt” (1 Kor. 2:14).

Het is anders bij degenen die Christus kennen als hun Heer en Heiland. “Maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn”. De Heer spreekt over het feit dat de Heilige Geest bij hen zal blijven (want de Heilige Geest was al bij hen) maar Hij kondigt de inwoning van de Hei­lige Geest aan als een toekomstig feit: “Hij zal in u zijn”. Omdat zij hadden geloofd in Christus als de Zoon van God en Hem gevolgd wa­ren, waren zij wedergeboren en was de Heilige Geest bij hen. Maar de persoonlijke inwoning van de Heilige Geest zou pas een feit worden op de pinksterdag. Toen is deze belofte vervuld en de Heilige Geest kwam op aarde om in de harten van de gelovigen te wonen.

Dit is de geweldige waarheid van het christendom: dat allen die gelo­ven in de Heer Jezus Christus, die gewassen zijn in zijn bloed, die ge­red zijn door genade, wedergeboren zijn en de Heilige Geest ontvangen hebben. Hij woont in elke gelovige, niet als een invloed, maar als een persoon. Wij zijn verzegeld met de Heilige Geest. Ons lichaam is de tempel van de Heilige Geest.

Het is niet Gods bedoeling dat wij op zoek gaan naar een persoonlijke ervaring als bewijs dat we de Heilige Geest ontvangen hebben, maar we moeten het Woord van God geloven dat ons verzekert dat dit zo is. “Weet gij niet dat uw lichaam de tempel is van de Heilige Geest, die in u is, die gij van God hebt en dat gij niet van uzelf zijt?” (1 Kor. 6:19). Duizenden christenen geloven vandaag de dag de onjuiste leer dat een christen eerst een persoonlijke ervaring moet meemaken, een persoon­lijk “Pinksteren”, waarbij hij in een vreemde taal moet spreken. Ner­gens in de bijbel lezen we dat dit het geval is. Het is gevaarlijk verkeer­de leringen over de Heilige Geest aan te hangen, waarbij men zoekt naar bepaalde invloeden, krachten en gaven, in de veronderstelling dat zij van de Geest van God komen. Op dit terrein heeft de vijand een ge­weldige macht, en hij doet zich voor als een engel van het licht. De Heilige Geest kwam op de pinksterdag. Hij is nu op aarde en geen nieuw persoonlijk “Pinksteren” is nodig. Elke individuele gelovige is door genade een tempel van de Heilige Geest. Het is een bewijs van on­geloof in het Woord van God als een gelovige zoekt naar een bijzonde­re ervaring, alvorens te weten dat hij de Heilige Geest ontvangen heeft.

Wat ons in de Schrift wordt meegedeeld moeten we in het geloof aannemen en dan in de praktijk brengen in een leven van toewijding en gehoorzaamheid aan de Heer. Als wij belijden dat wij in Christus zijn, dat de Heilige Geest in ons woont, dat ons lichaam een tempel van de Heilige Geest is, en als ons leven daar niet mee in overeenstemming is, dan dienen we twee meesters; we bedroeven de Geest, en we laten zien dat in onze harten weinig oprechte liefde is voor Christus.

“Als de Heilige Geest in ons is komen wonen, moeten we in de eerste plaats bereid zijn Hem te gehoorzamen. De inwoning van de Geest geeft ons geweldige mogelijkheden, maar de kwestie is of de Geest wel ten volle in ons kan werken. Dit was niet het geval bij de Galaten, want zij lieten het evangelie los en gingen terug naar de wet. Dit was ook niet het geval bij de Korinthiërs, want zij waren vleselijk en wandelden als natuurlijke mensen die de Geest niet hebben.


Wij mensen kunnen iets bezitten en dan leven alsof wij het niet bezitten.
We leven vaak beneden onze stand: onze wandel stemt vaak niet overeen met onze positie in Christus. Het is vreemd dat de zonen van deze eeuw meer overleg hebben ten aanzien van hun eigen geslacht dan de zonen van het licht (Lukas 16:8).
Door onze ontrouw ziet de wereld in ons niet de heerlijkheid van Christus. De wereld moest aan ons kunnen zien dat wij geheel anders zijn, dat wij niet bij hen horen.
Hoe is het mogelijk! God woont in ons ‑ en wij weigeren Hem van harte te ontvangen! Eigenlijk kunnen we ons dit niet voorstellen, maar als we eerlijk zijn moeten we toegeven dat het bij ons vaak zo is. Ja, wij wéten wel dat Christus voor ons gestorven is, wij wéten dat de Heilige Geest in ons woont, wij weten dat wij als we in gemeenschap met God leven blijdschap, kracht en vrede bezitten. Toch leven en handelen we vaak alsof dit niet zo is. De zegeningen die God ons wil geven, geven we prijs en we leven in geestelijke armoede. Is dit geen onverklaarbare dwaas­heid?” (F.W. Grant).

Dan volgt de kostbare belofte: “Ik zal u geen wezen laten, Ik kom tot u”. Een wees is iemand die geen ouders meer heeft, een kind wiens va­der en moeder hem door de dood zijn ontnomen. In zijn herinnering denkt zo’n kind terug aan de tijd dat zijn ouders nog bij hem waren en vol hoop ziet hij er naar uit hen eens terug te zien. Zo’n toestand als die van een wees stond de discipelen te wachten; binnenkort zouden zij alleen zijn. Daarom gaf de Heer hen de verzekering dat Hij hen niet als wezen achter zou laten.

Maar wat bedoelt de Heer met de woorden: “Ik kom tot u?” Sommi­gen zeggen dat dit ziet op de verschijningen van de Heer na zijn op­standing. Maar dit kan niet de betekenis van deze woorden zijn, want hun toestand als wezen begon na de hemelvaart van de Heer. Augusti­nus, Bede, Ryle en andere menen dat dit ziet op de tweede zichtbare komst van de Heer. Maar dit kan ook niet de betekenis zijn, want deze woorden zijn gericht tot de elf discipelen en zijn bedoeld als een troost tijdens hun leven. We moeten de betekenis opmaken uit het ver­band waarin deze woorden voorkomen. Het ziet op de belofte van vers 23, dat de Zoon en de Vader zullen komen in het hart van de gelovige om woning bij hem te maken. Het staat in verband met de belofte van de Geest die in de gelovige zal wonen. Christus woont door het geloof in onze harten (Ef. 3:17).

Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij; omdat Ik leef, zult ook gij leven”. Nog een korte tijd en de ongelovige wereld zal de Heer niet meer zien. Het laatste wat de wereld van Hem zag was dat de Heer hing aan het kruis, tussen twee boosdoeners. Nie­mand van de wereld heeft de Heer gezien nadat Hij was opgestaan uit de doden. De wereld zal de Heer zien op de dag dat Hij komt als een dief in de nacht.

Maar de Heer geeft de discipelen de verzekering dat terwijl de wereld Hem niet meer zal zien, zij Hem wel zullen zien. Het is niet juist dit op de tweede komst van de Heer toe te passen, want het staat in de te­genwoordige tijd: “Gij ziet Mij”. De gelovige ziet de Heer met zijn geestelijke ogen door de Heilige Geest die in Hem woont. “Maar wij zien Jezus, die een weinig minder dan de engelen geworden was, van­wege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond” (Hebt. 2:9). Zie ook 2 Kor. 3:18.

Dan volgt de geweldige belofte: “Omdat Ik leef, zult ook gij leven”.

Wat een diepte ligt er verborgen in deze éne zin! Het leven dat Hij heeft, hebben wij ook; het leven van het Hoofd in de heerlijkheid is te­gelijk het leven van al de leden van zijn lichaam op aarde. Zijn leven kan nooit eindigen, het kan niet te niet gedaan worden door vijanden. En zo is het ook met ons leven: het is met Christus verborgen in God.

In die dag zult gij erkennen, dat ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u”. Wat wordt bedoeld met die dag? Sommigen denken aan de verschijning van de Heer. Natuurlijk is het waar dat wij op die dag bij Hem zullen zijn, en dat wij zullen kennen zoals wij gekend zijn.

Toch slaat dit vers niet op de wederkomst van de Heer. Het is de dag waarop de Heilige Geest kwam en hun de dingen bekend maakte die de Heer hun had aangeduid. De Heer zegt niet dat de Heilige Geest hun bekend zal maken hoe Hij in de Vader is en hoe zij in Hem zijn en Hij in hen, maar het feit dat dit zo is zal hun bekend gemaakt worden. Dit is het werk van de Heilige Geest. De brieven van Paulus laten ons deze geweldige waarheid zien: de verbinding van de gelovige met Christus.

14:21‑26


21 Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader worden geliefd; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren. 22 Judas, niet de Iskariot, zei tot Hem: Heer, en hoe komt het dat U Zichzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld? 23 Jezus antwoordde en zei tot hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren, en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken. 24 Wie Mij niet liefheeft, bewaart mijn woorden niet; en het woord dat u hoort, is niet van Mij, maar van de Vader die Mij heeft gezonden. 25 Deze dingen heb Ik tot u gesproken terwijl Ik bij u verblijf. 26 Maar de Voorspraak, de Heilige Geest, die de Vader zal zenden in mijn naam, Die zal u alles leren en u in herinnering brengen alles wat Ik u heb gezegd.

Vers 21 staat in verband met vers 15. Wat daar staat wordt nog eens beklemtoond en verder uitgewerkt. Ook staat dit vers in verband met de voorafgaande belofte van de Heilige Geest. Het gevolg van de inwoning van de Heilige Geest is dat de gelovige in staat is te gehoor­zamen. Liefde tot Christus moet blijken uit gehoorzaamheid aan het Woord van Christus; gehoorzaamheid is het bewijs van liefde. In zijn eerste brief zegt Johannes dat de mensen die beweren, dat zij Hem kennen, maar die zijn geboden niet bewaren, leugenaars zijn. “Wie zegt: ik ken Hem en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in hem is de waarheid niet” (1 Joh. 2:4). Veel mensen hebben de gebo­den van Christus, maar zij onderhouden ze niet. Zij geven er geen zichtbaar bewijs van dat zij de Heer liefhebben.

Maar wat zijn de geboden van Christus? Ze kunnen worden samenge­vat in de woorden: “Volg Mij”. Christus heeft ons een voorbeeld na­gelaten, opdat wij zijn voetstappen zouden navolgen. “Wie zegt dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zo te wandelen als Hij gewandeld heeft” (1 Joh. 2:6). “Want die gezindheid zij in u, die ook in Christus Jezus was” (Fil. 2:5).

Als iemand in gemeenschap met Christus wandelt, dan volgt hij Hem. Dan zal hij zijn geboden bewaren, en de Geest die in hem woont zal hem de kracht geven om in de Geest te wandelen.

Wat een belofte geeft de Heer aan hen die zijn geboden bewaren! “En wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader geliefd worden en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren”. Wat een geweldige belofte is dit! Wat moet dit een aansporing voor ons zijn om gehoorzaam te zijn! Hier is sprake van een bijzondere liefde van de Vader voor gelo­vigen die hun liefde tot zijn Zoon tot uitdrukking brengen door prak­tische gehoorzaamheid aan zijn Woord. Wat een mogelijkheid hebben wij om te drinken uit deze bron van liefde!

Dan geeft de Heer ook nog de verzekering dat ook Hijzelf zo iemand zal liefhebben en Zichzelf aan hem zal openbaren. Dit laatste wordt natuurlijk geestelijk bedoeld. In onze dagen zijn er mensen die zich overgegeven hebben aan een emotioneel fanatisme. Zij beweren dat zij diepere ervaringen hebben gehad, gezichten, dromen en andere boven­natuurlijke verschijningen. Zulke dingen heeft de Heer nooit beloofd. Dat dergelijke mensen geestelijk vaak niet gezond zijn, blijkt ook uit hun onbijbelse leer, hun geestelijke hoogmoed en vaak uit nog ergere dingen.

De openbaring waarover de Heer spreekt is dit: dat een gelovige zich bewust is van de tegenwoordigheid van de Heer, dat hij weet dat hij de Heer welbehaaglijk is en dat hij geniet van de vreugde die het gevolg is van een innige gemeenschap met de Heer. Alleen aan degenen die Hem gehoorzaam zijn, kan Hij zich op zo’n bijzondere manier openba­ren.

Op dat ogenblik klinkt de stem van Judas. Judas Iskariot was niet meer aanwezig. Hij was naar buiten gegaan in die verschrikkelijke nacht om de Heer te verraden. Hier is sprake van de andere Judas, die in het evangelie van Mattheüs Lebbeüs en in Markus Thaddeüs wordt genoemd. De Geest van God vestigt er de aandacht op dat hij niet Judas Iskariot, de verrader was. Deze Judas spreekt Jezus aan als “Heer”, we lezen nooit dat Judas Iskariot dit gedaan heeft; hij geloof­de niet in Hem als de Zoon van God. Judas stelt een vraag: “Heer, wat is er gebeurd, dat Gij uzelf aan ons zult openbaren en niet aan de we­reld?” Uit deze vraag blijkt dat hij teleurgesteld was in zijn verwach­tingen als Jood. Hadden zij de Heer niet gevolgd als de Messias, de Ko­ning van Israël? Hadden zij niet mogen aankondigen dat het lang ver­wachte koninkrijk nabij gekomen was? Hij en de andere discipelen ver­wachtten dat Hij zich nu zou openbaren als de Koning met macht en eer, voor heel Israël en voor alle volken van de wereld. En nu kondigt de Heer aan dat Hij zich alleen zal openbaren aan de discipelen. Wat was er gebeurd? Judas is van zijn stuk gebracht en begrijpt de diepe geestelijke betekenis van de woorden van de Heer niet.

Daarom herhaalt de Heer, in iets andere bewoordingen wat Hij in vers 21 al gezegd heeft: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord be­waren en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken”.

Hier is weer sprake van de geest van gehoorzaamheid; alleen wordt hier niet gesproken over het bewaren van de geboden van de Heer, maar over het bewaren van het Woord (niet: de woorden) van de Heer. Het bewaren van het Woord, er aan gehoorzamen, gaat gepaard met één van de grootste beloften. De Vader en de Zoon beloven: “Wij zul­len tot hem komen en woning bij hem maken”. Dit is uiteraard een geestelijke komen en wonen in het hart van de gehoorzame gelovige. Wat een geweldige belofte wordt hier gegeven aan een kind van God! Hij wordt de woonplaats van de Vader en van de Zoon! Dit kan alleen verwerkelijkt worden als de gelovige gehoorzaam is aan het Woord. We kunnen God alleen vinden op de manier die Hij heeft aangegeven. Als we de weg die Hij heeft aangegeven, bewandelen, is het onmogelijk Hem niet te vinden. Als de Heer hier zegt: “Wij zullen komen” geeft Hij er weer getuigenis van dat Hij één is met de Vader.

Vervolgens wordt dezelfde waarheid nog eens herhaald, maar nu op negatieve wijze: “Wie Mij niet liefheeft, bewaart mijn woorden niet”. Maar niet alleen dat. Als iemand de Heer niet liefheeft, en daarvan blijk geeft door niet te gehoorzamen aan het Woord, verwerpt hij niet alleen het Woord, hij verwerpt ook de Vader, want de Zoon heeft de woorden van de Vader gesproken.

Waar geen gehoorzaamheid aan Christus aanwezig is, is ook geen lief­de.

Overduidelijk is de herhaalde waarschuwing van de Heer: praktische gehoorzaamheid, het onderhouden van de bevelen van de Heer, het doen van zijn wil, is de enige betrouwbare toetssteen of er liefde is tot Hem. Zonder deze gehoorzaamheid zijn op zichzelf nuttige dingen als een belijdenis, woorden, kennis, lidmaatschap van een kerk, gevoel, schuldbesef of tranen zonder enige waarde.

Maar terwijl de discipelen met hun oren luisterden naar al deze dingen die tot hen gezegd werden, begrepen ze met hun hart de betekenis van deze woorden niet. Daarom zegt de Heer tegen hen dat de tijd zou ko­men dat zij alles zouden kennen en begrijpen. “Maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb”. De Heilige Geest, de andere Trooster, zou voorzien in hun gebrek aan inzicht. Als de Geest gekomen is, zal Hij hen al deze dingen in herinnering bren­gen. De Geest zal hen invoeren in de dingen van Christus, ja zelfs in de hele waarheid. Dit zien we in het bijzonder in de brieven van Paulus­. De belofte dat de Geest alles in hun herinnering zal brengen wat de Heer gezegd heeft, geeft ons de zekerheid van de volkomen nauwkeu­righeid van de vier evangeliën.

De apostelen konden als ooggetuigen onder de leiding van de Heilige Geest ons alle dingen die de Heer gedaan en geleerd heeft mededelen.

14:27‑31


27 Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld geeft, geef Ik u. Laat uw hart niet ontroerd en niet bang worden. 28 U hebt gehoord dat Ik tot u heb gezegd: Ik ga heen en kom tot u. Als u Mij liefhad, zou u zich verblijden dat Ik naar de Vader heenga; want de Vader is groter dan Ik. 29 En nu heb Ik het u gezegd voordat het gebeurt, opdat u, wanneer het gebeurt, zult geloven. 30 Ik zal niet veel meer met u spreken, want de overste van de wereld komt en heeft in Mij helemaal niets; 31 maar opdat de wereld weet dat Ik de Vader liefheb, doe Ik ook zo als de Vader Mij heeft geboden. Staat op, laten wij hier vandaan gaan.

De Heer laat zijn discipelen een erfenis na: “Vrede laat ik u, mijn vre­de geef ik u”. De Heer staat op het punt deze wereld te verlaten en terug te gaan naar de Vader. Nu maakt Hij bij wijze van spreken zijn testament en laat de zijnen een kostbaar geschenk na: vrede. We moe­ten onderscheid maken tussen de vrede die Hij laat en de vrede die Hij geeft. De laatste vrede noemt Hij “mijn vrede”. Eerst de vrede die Hij ons laat. De Heer Jezus heeft vrede gemaakt door het bloed van zijn kruis (Kol. 1:20). “Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus” (Rom. 5:1). Vrede met God is de erfenis die Hij nagelaten heeft aan allen die in Hem geloven. Die vrede heeft Hij verworven door zijn lijden en sterven aan het kruis. Het is de vrede die Hij gemaakt heeft; wij kunnen die vrede niet maken of in stand houden. Die vrede is van ons, een gave die ons uit genade geschonken is. Het is een vrede die niet meer onge­daan gemaakt kan worden.

Maar er is ook een andere vrede: “de vrede van God”. Daarover lezen we in Fil. 4:7. Deze vrede van God is de vrede die de Heer Jezus be­loofde te geven; het is zijn eigen vrede. De vrede met God is het gevolg van het aannemen van Christus als Heiland; deze vrede kan niet verbroken worden. Het ervaren van de vrede van God is evenwel afhanke­lijk van onze gehoorzaamheid aan Hem en onze gemeenschap met Hem. De Heilige Geest is gegeven om te wonen in de gelovige, zodat de gelovige de vrede van Christus kan kennen en ervan kan genieten. De vrede van God is de vrede die God in Zichzelf bezit. En omdat Christus God is, bezat Hij deze vrede tijdens zijn verblijf op aarde; niemand of niets kon deze vrede verstoren. Onverstoorbaar en kalm was de Heer in het huis van Kajafas en in de rechtszaal van Pilatus. Tijdens zijn hele leven zien we deze imponerende kalmte en rust. Toen de golven het kleine scheepje begonnen te vullen en de disci­pelen het uitschreeuwden van angst, kende de Heer geen angst, maar sliep Hij in volkomen rust op zijn kussen. Toen de Joden Hem van de berghelling wilden werpen, of stenen opnamen om Hem te stenigen, bleef de Heer onbewogen. Hij vertrouwde op God en wist wat er zou gebeuren: vandaar zijn majestueuze kalmte.

Deze belofte van de Heer Jezus werd al direct aan het begin van de ge­schiedenis van de Kerk op aarde vervuld. Hierdoor was het mogelijk dat de apostelen onbevreesd en onbewogen waren tegenover de Joodse Raad die hen bedreigde. Deze vrede gaf aan Stefanus een hemelse kalmte terwijl de stenen op hem neervielen. Petrus sliep in het bezit van deze vrede rustig tussen de soldaten in de gevangenis. Ook Paulus en Silas bezaten deze vrede; zij prezen God met lofzangen te midder­nacht, terwijl zij in de gevangenis van Filippi zaten. Paulus kon even­zeer rustig blijven toen hij werd omringd door een woedende menigte in Jeruzalem. Zo bleef hij ook kalm tijdens de schipbreuk.

Het was de vrede van Christus die de miljoenen martelaren staande hield en hen in staat stelde leeuwen en tijgers tegemoet te treden met een lofzang op de lippen. Wat een kostbaar geschenk!

Ook wij kunnen deze vrede genieten, als we de wil van de Heer doen en in Hem rusten. Wat is het geheim van die vrede? “Weest in niets bezorgd, maar laat in alles, door gebed en smeking met dankzegging, uw begeerten bekend worden bij God. En de vrede van God die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus” (Fil. 4:6, 7).

Voor de tweede keer in dit hoofdstuk zegt de Heer: “Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd” . De Heer geeft ons het geneesmid­del tegen angst en vrees: de vrede van Christus die we bezitten als we in gemeenschap met Hem leven, vol vertrouwen en gehoorzaamheid aan Hem.

De woorden van vers 28 staan in verband met wat de Heer tot de disci­pelen gezegd heeft in hoofdstuk 13:33‑36 en 14:2, 3 en 12. Met het oog op zijn vertrek en de belofte van zijn terugkeer, moesten zij niet bedroefd zijn, maar juist blij. Want de Heer zou teruggaan tot de Va­der! Hij zou hen daar vertegenwoordigen bij de Vader en tenslotte zou Hij terugkeren om hen tot Zich te nemen in het huis van de Vader met zijn vele woningen.

Wat bedoelde de Heer met de woorden: “mijn Vader is groter dan Ik”? Mensen die de Godheid van de Heer loochenen gebruiken deze tekst als uitgangspunt van hun onbijbelse theorieën. Is deze uitspraak niet in strijd met veel andere uitspraken in dit evangelie over de volmaakte éénheid van de Zoon met de Vader?

Dat is helemaal niet het geval. Hij die één is met de Vader had de plaats van een dienstknecht ingenomen; Hij werd mens. En als mens was de Heer gezonden door de Vader, ontleende Hij zijn gezag aan de Vader, gehoorzaamde Hij de Vader en deed Hij de wil aan de Vader. Hoewel de Heer Jezus Christus God Zelf was, was Hij God geopen­baard in het vlees. Welnu, de Vader in zijn absolute Wezen is groter dan de mens Christus Jezus. Christus is gelijk aan de Vader in zijn Godheid en Hij is ondergeschikt aan de Vader in zijn mensheid.

De Heer had van te voren aan de discipelen verteld wat er zou gebeu­ren. Later zouden zij zich dit alles herinneren. Nu zou Hij niet veel meer met hen spreken, want de tijd van zijn lijden was gekomen.

Veelbetekenend zijn de woorden van de Heer: “De overste van de we­reld komt en heeft in Mij niets”. De Heer zegt niet dat zijn vijanden zullen komen, maar Hij noemt slechts één persoon, de satan, de dui­vel. Hij is de overste van deze wereld. Dit is heel belangrijk. In zijn eerste brief schrijft Johannes dat de hele wereld in het boze ligt (1 Joh. 5:19). Satan is door de zondeval gemaakt tot heerser over de ge­vallen mens, en het wereldsysteem dat de mens heeft opgebouwd is vervreemd van God. En toen de wereld Christus verwierp, werd de satan “de god van deze eeuw” oftewel de god van deze wereld (2 Kor. 4:4). Al eerder was hij met zijn verzoekingen tot de Zoon van God ge­komen, maar hij had niets in Hem gevonden. Hoe de satan ook pro­beerde Christus te weerhouden om de wil van God te doen, al zijn po­gingen liepen op niets uit.

De satan vond bij onze Heer geen enkele weerklank toen hij met zijn verzoekingen kwam, want de Heer was volkomen zonder zonde. En nu kwam satan met een laatste aanval. Wéér zou hij verslagen worden.

Maar opdat de wereld erkent dat Ik de Vader liefheb, doe Ik ook zó, als Mij de Vader geboden heeft. Staat op, laten wij van hier gaan”. De Heer was er klaar voor om naar het kruis te gaan. Daar zou Hij zijn liefde tot de Vader laten zien in zijn gehoorzaamheid tot de dood, ja tot de dood aan het kruis.


1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   25

  • 14:4‑7
  • “Ik ben de waarheid”.
  • 14:12‑14
  • 14:21‑26
  • 14:27‑31

  • Dovnload 1.32 Mb.