Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina18/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   25

Hoofdstuk 15


Het vorige hoofdstuk eindigde met de woorden: “Staat op, laten wij van hier gaan”. Veel uitleggers geloven dat de Heer toen opstond van de plaats waar Hij de voeten van de discipelen gewassen had en waar Hij al deze kostbare woorden gesproken had, en dat Hij toen op weg ging naar Gethsémané. Onderweg zou Hij de woorden van hoofdstuk 15 en 16 gesproken hebben, tot Hij op een rustig plekje het gebed van hoofdstuk 17 uitgesproken zou hebben in tegenwoordigheid van de discipelen. Daarna zou Judas gekomen zijn met de legerafdeling en de dienaars van de overpriesters en Farizeeën om de Heer gevangen te ne­men. Wij delen deze mening niet. Het is ondenkbaar dat de Heer de hoogst belangrijke woorden van hoofdstuk 15 en 16 gesproken zou hebben terwijl Hij voortwandelde in de nacht. Dan zou het onmogelijk geweest zijn voor alle elf discipelen te verstaan wat Jezus tegen hen zei. Ook het eerste vers van hoofdstuk 18 is in strijd met deze mening: “Nadat Jezus dit gezegd had, ging Hij uit met zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, die Hij met zijn discipelen inging”.

Maar als de Heer bleef op de plaats waar Hij was, waarom sprak Hij dan de woorden: “Sta op, laten wij van hier gaan”’ Deze woorden hebben een symbolische betekenis. De Heer stond op het punt de we­reld te verlaten; voor Hem was de wereld vreemd terrein, hoewel Hij de Schepper van alles was. In zijn gesprek en in zijn gebed noemt de Heer herhaaldelijk de wereld. De wereld kan de Heilige Geest niet ont­vangen (14:17). De Heer kan Zich alleen openbaren aan hen die Hem liefhebben en niet aan de wereld (14:21, 22). De Heer geeft niet zoals de wereld geeft (14:27). De wereld haat de Heer en ook hen die van de Heer zijn (15:18). De discipelen zijn uitverkoren uit de wereld en daarom zijn zij niet van de wereld (15:19). Zij zijn niet van de wereld, zoals de Heer niet van de wereld is (17:16).

De Heer stond op het punt de wereld te verlaten en terug te gaan naar de Vader. Voor ons die van Christus zijn is de wereld ook vreemd ter­rein; we zijn er niet thuis. Wij zijn nog in de wereld, maar wij zijn niet van de wereld. Wij moeten gescheiden van de wereld leven, dezelfde plaats innemen in de wereld als de Heer toen Hij op aarde was. Dat is de geestelijke betekenis van de woorden die de Heer sprak. De woor­den die de Heer vervolgens uitspreekt, bevestigen deze gedachte.

15:1‑8


1 Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. 2 Elke rank in Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg; en elke rank die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht draagt. 3 U bent al rein om het woord dat Ik tot u heb gesproken. Blijft in Mij, en Ik in u. 4 Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft. 5 Ik ben de wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u helemaal niets doen. 6 Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buitengeworpen als de rank en verdort; en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij verbranden. 7 Als u in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, bidt alles wat u wilt en het zal u gebeuren. 8 Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt, en u zult mijn discipelen zijn.

De Heer spreekt tot de discipelen in een gelijkenis. De uitleggers die geloven dat de Heer op dit moment de bovenzaal verlaten had en on­derweg was naar Gethsémané, nemen aan dat de Heer door de wijn­gaarden liep, toen Hij deze gelijkenis sprak. Anderen zeggen dat boven de grote deuren van de tempel een grote wijnstok was gegraveerd en dat de Heer bij zijn woorden aan deze wijnstok dacht.

Wij geloven dat we naar een andere reden moeten zoeken. Het is be­kend dat in de bijbel Israël symbolisch wordt voorgesteld door drie verschillende bomen: de olijfboom, de vijgeboom en de wijnstok. De­ze drie bomen worden voor het eerst samen genoemd in de fabel van Jotham (Richt. 9:7‑15). De doornstruik is een beeld van de heidenen.

Asaf zegt van Israël: “Gij hebt een wijnstok uit Egypte uitgegraven. Gij hebt volken verdreven en hem geplant” (Psalm 80:9). Door de mond van Jeremia verklaarde de Heer: “Ik echter had u geplant als een edele druif, een volkomen zuiver zaad; doch hoe zijt gij Mij ver­anderd in wilde ranken van een vreemde wingerd!” (Jeremia 2:21). Ook Ezechiël spreekt over Israël in het beeld van de wijnstok (Ez. 15:2).

Hosea zegt van Israël: “Israël is een welige wijnstok, die zijn vruchten voortbrengt (of: “hij brengt vruchten voort voor zichzelf”); naarmate hij meer vrucht verkreeg, maakte hij meer altaren, naarmate het zijn land beter ging, maakte hij mooiere gewijde stenen” (Hosea 10:1).

Maar vooral Jesaja spreekt over Israël als de wijngaard en over het fa­len van Israël. In Jes. 5:4‑17 vinden we het lied van de wijngaard. Eerst beschrijft de profeet wat de Heer gedaan had voor Israël als de wijnstok, en daarna beschrijft hij het falen van Israël. “Waarom verwachtte Ik, dat hij goede druiven zou voortbrengen en bracht hij wilde druiven voort?” Het oordeel wordt aangekondigd: “Nu dan, Ik wil u doen weten, wat Ik met mijn wijngaard ga doen: zijn doornhaag weg­nemen, opdat hij verwoest worde; zijn muur doorbreken, opdat hij vertrapt worde”.

Deze profetie zou nu spoedig vervuld worden. Israël stond op het punt de kroon te zetten op haar droevige geschiedenis door de Zoon, die naar de wijngaard was gekomen, eruit te werpen en Hem te doden (Matth. 21:33‑41). Israël was als de wijnstok een volkomen misluk­king geworden; weldra zouden zij met blindheid geslagen en over de hele wereld verstrooid worden.

Maar hier verschijnt de ware wijnstok. In Jesaja wordt Israël genoemd “de knecht des Heren”. Israël faalde, maar Christus werd de ware dienstknecht, het ware Israël (Jesaja 49). Hij is eveneens de ware wijn­stok, zoals Hij ook het ware Licht en het ware Brood is.

Na het falen van Israël kondigt de Heer aan dat Hij de ware wijnstok is; zij die in Hem geloven zijn de ranken. Wat is de betekenis van deze gelijkenis? Als we een gelijkenis willen uitleggen moeten we er eerst aan denken wat het doel is van een gelijkenis. We moeten ons niet te­veel verdiepen in allerlei details en proberen daar een uitleg aan te ge­ven. Ook moeten we geen belangrijke leerstellingen funderen op de beeldspraak van een gelijkenis: dat kan gemakkelijk tot verwarring leiden.

Wat is het doel van deze gelijkenis? Het woord dat hierin het meest naar voren komt is het woord “vrucht”. We komen dit woord zes maal tegen en we hoeven er niet aan te twijfelen dat het hoofdonder­werp van deze gelijkenis is het dragen van vrucht. Israël, de wijnstok, had wilde vruchten voortgebracht. Israël, de vijgeboom, had alleen maar bladeren voortgebracht. De takken van de olijfboom moesten afgebroken worden vanwege Israëls ongeloof. Maar hier leren we het geheim van vrucht dragen voor God; het bestaat uit een levende ver­binding met Christus, een volkomen één zijn met Hem.

Hosea heeft hierop in profetische taal gezinspeeld; hij zegt over Israël dat het zich verbonden heeft met de afgoden. Op een dag in de toe­komst evenwel zal Efraïm zeggen: “Wat heb ik nog met de afgoden te doen?” Dan zal de Heer zeggen: “Aan Mij is uw vrucht te danken” (Hosea 14:9).

Na het heengaan van de Heer naar de hemel, als de Heilige Geest op aarde is, lezen we over deze waarheid in de brief aan de Romeinen. Aan het eind van hoofdstuk zes staat dat de gelovigen vrij gemaakt zijn van de zonde en nu vrucht dragen tot heiliging. Dat we deze vrucht niet kun­nen voortbrengen door het houden van de wet. blijkt uit het begin van het zevende hoofdstuk. Wij zijn immers dood voor de wet. “Zo zijt ook gij, mijn broeders, voor de wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij een ander zoudt toebehoren, aan Hem die uit de doden is opgewekt, opdat wij voor God vrucht dragen” (Rom. 7:4). Dit is de belangrijke waarheid die de Heer aanduidt in de gelijkenis van de wijnstok en de ranken. In de brief aan de Romeinen wordt het beeld van het huwelijk gebruikt om hetzelfde principe aan te duiden. De wet kon geen vruchten voortbrengen, maar de gelovige. die nu toe­behoort aan Hem die uit de doden is opgewekt, kan vrucht dragen voor God.

Christus, opgestaan uit de dood als de tarwekorrel, die in de aarde viel en stierf, is de bron van leven en kracht, de bron van echte vruchten voor God.

Dit is de betekenis van het beeld van “de ware wijnstok”. Wie in Hem gelooft, Hem aanneemt als Heiland, is wedergeboren. Hij krijgt een nieuwe natuur, hij ontvangt het eeuwige leven en hij is een rank van de wijnstok. Het leven en de aard van de wijnstok bepaalt het leven en de aard van de rank. De enige voorwaarde om vrucht te dragen is dat de rank blijft in de wijnstok. Als de rank niet in de wijnstok is, stroomt het sap van de wijnstok niet meer door de rank. Dan is er geen vrucht; de rank verwelkt en gaat dood, hij is alleen maar geschikt om in het vuur geworpen te worden en te verbranden. Het geheim van het voort­brengen van vruchten is dus: blijven in Hem en Hij in ons, want zonder Hem kunnen wij niets doen.

De Heer noemt Zichzelf de ware wijnstok, en Hij spreekt over de Va­der als “de landman”. De wijnstok heeft de zorg van de landman no­dig, de ranken ook. De Zoon van God kwam naar de aarde en droeg ook vrucht voor God in afhankelijkheid van de Vader. Hiervan getuig­de de Heer met de woorden: “De Vader die in Mij blijft, die doet de werken” (14:10). Zoals de Vader in Hem was en Hij in de Vader, zo is de gelovige in Christus en Christus in Hem. In Hem blijven betekent een voortdurende oefening van ons geloof in Hem. Dat geloof zouden we de adem van de nieuwe natuur kunnen noemen. We moeten ons er steeds van bewust zijn dat Christus alles is, dat wij in alles van Hem afhankelijk zijn en dat wij zonder Hem niets kunnen doen. Om­dat we weten dat we van Hem afhankelijk zijn, zullen we dicht bij Hem willen blijven, dicht bij Hem willen leven in gemeenschap met Hem. Dan blijven we in Hem, zoals we lezen in vers 4: “Blijft in Mij en Ik in u”.

Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf als hij niet in de wijnstok blijft. zo kunnen wij geen vrucht dragen als wij niet in Hem blijven. “Ik ben de wijnstok, gij de ranken: wie in blij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht. want zonder Mij kunt gij niets doen”. Waaruit bestaat de vrucht? De vrucht die de rank voortbrengt is eigen­lijk de vrucht van de wijnstok. Het is de vrucht van de Heer zelf, voortgebracht door de Geest die in ons woont. Als er geen vrucht is dan is er ook geen leven in de rank.

Elke rank in Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg; en elke rank die vrucht draagt, reinigt Hij, opdat zij meer vrucht draagt ... Als iemand in Mij niet blijft, wordt hij buitengeworpen als de rank en ver­dort; en men verzamelt ze en men werpt ze in het vuur en zij verbran­den” (vs. 2, 6). Hier stuiten we op een moeilijkheid. Sommigen vragen hoe deze woorden kunnen overeenstemmen met de leer van de Heilige Schrift, dat gelovigen nooit verloren kunnen gaan. Door theologen zijn deze woorden wel gebruikt om de bijbelse leer van het eeuwig behoud van een gelovige tegen te spreken. Maar we moeten goed zien dat de ranken die geen vrucht dragen, die weggenomen en in het vuur worden geworpen niet een beeld zijn van ware gelovigen.

Wanneer iemand alleen maar belijdt een christen te zijn, neemt hij op grond van die belijdenis de plaats, de voorrechten en de verantwoor­delijkheid in van een gelovige in Christus. Volgens zijn belijdenis is hij iemand die Christus volgt en dus is hij een rank van de wijnstok. Toch is zo iemand alleen in naam een volgeling van Christus, alleen in naam een rank van de wijnstok, alleen in naam één met Christus. Het is geen werkelijkheid. Hij bezit in werkelijkheid niet wat hij zich heeft aangematigd door zijn belijdenis, want hij is niet wedergeboren. Als gevolg hiervan is er geen vrucht, omdat er geen leven is. Zo’n rank wordt hier bedoeld; een rank die bij de kerk gevoegd is alleen door een belijdenis, maar die niet verbonden is met Christus door een levend ge­loof en de kracht van de Geest van God.

Jammer genoeg zijn er duizenden van zulke ranken, dood en zonder vrucht, in de belijdende kerk. Ze zullen weggenomen worden door het oordeel. Maar de echte ranken worden gereinigd door de Vader, met het doel dat zij veel vrucht zullen voortbrengen. Het bewijs dat iemand een levende rank is van de wijnstok is het dragen van vrucht. En de Vader die verlangt naar vruchten, doet met de oprechte gelo­vige, wat de landman doet met de ranken van de wijnstok: Hij reinigt de rank van alle uitspruitsels die een belemmering kunnen vormen voor de volle ontwikkeling van de vrucht. God doet dat tot ons nut, opdat wij deel zouden krijgen aan zijn heiligheid. God behandelt ons als een Vader die zijn zonen liefheeft (Hebr. 12:4‑11).

In vers 6 vinden we een ernstige waarschuwing. We moeten erop let­ten dat de Heer nu spreekt over “iemand” en niet zoals in de voor­gaande verzen van “gij”. De Heer zegt niet: “Als gij (zijn discipelen, de ware belijders) niet in Mij blijft” maar Hij zegt: “Als iemand in Mij niet blijft, wordt hij buitengeworpen als de rank en verdort; en men verzamelt ze en men werpt ze in het vuur en zij verbranden”. Hierbij geeft de Heer aan dat Hij niet op zijn echte discipelen doelt. De Heer wil niet dat wij zouden denken dat zij die Hem toebehoren, de gege­venen van de Vader, in wie zijn eigen leven woont, weggeworpen kun­nen worden en delen in het lot van de bozen. In het volgende vers spreekt de Heer weer over zijn echte discipelen en niet over mensen die alleen een belijdenis hebben: “Als gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, zult gij bidden alles wat gij wilt en het zal u gebeuren”. Hier vinden we één van de geheimen van het gebedsleven van een ge­lovige, één van de voorwaarden: in Christus blijven, in gemeenschap met Hem leven. Dat is heel belangrijk. Van sommige christenen zijn de gebeden krachtiger en doeltreffender dan die van anderen. Hoe dichter iemand bij Christus leeft, hoe inniger zijn gemeenschap met Hem is, des te krachtiger zullen zijn gebeden zijn; hij kent immers de gedachten van Christus en zijn gebeden zullen overeenstemmen met de wil van Christus.

Daarom worden zulke gebeden ook verhoord. Veel gelovigen krijgen weinig van God, omdat zij weinig vragen of omdat zij verkeerd vragen. In het dragen van veel vrucht wordt de Vader verheerlijkt. Het is te­vens het bewijs dat wij zijn discipelen zijn, want wij verheerlijken Hem, die ook door de Zoon verheerlijkt wordt.

15:9‑11


9 Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad; blijft in mijn liefde. 10 Als u mijn geboden bewaart, zult u in mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van mijn Vader heb bewaard en in zijn liefde blijf. 11 Dit heb Ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap in u is en uw blijdschap volkomen wordt.

Wat een geweldige troost vinden we in de woorden van vers 9. waar de Heer de discipelen verzekert: “Zoals de Vader Mij liefgehad heeft, heb ook Ik u liefgehad; blijft in mijn liefde!” Hij was de vreugde van de Vader en naar Hem ging al de liefde van de Vader uit. Niemand kan begrijpen hoe groot de liefde was van de Vader tot de Zoon. En nu richt de liefde van de Zoon van God zich op ons, in dezelfde mate waarin Hij geliefd is door de Vader. Gelovigen zijn “geliefden van God, geroepen heiligen” (Rom. 1:7).

Maar om deze liefde te kennen om er van te genieten. moeten we in zijn liefde blijven. Wat dit betekent. zien we in het volgende vers. “Als gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van mijn Vader bewaard heb en in zijn liefde blijf”. Als Mens was de Heer altijd gehoorzaam; het was zijn spijs de wil te doen van Hem die Hem gezonden had (Joh. 4:34). Daarom bleef Hij in de liefde van de Vader. Ook wij moeten wandelen. zoals Hij gewandeld heeft. In een leven. van praktische gehoorzaamheid blijven we in zijn liefde. Zonder gehoorzaamheid kan er geen zekerheid en vreugde zijn. Dan genieten we niet van zijn liefde. “En hieraan weten wij dat wij Hem kennen, als wij zijn geboden bewaren” (1 Joh. 2:3). En als we falen in die praktische gehoorzaamheid (en dat doen we vaak) dan moeten we tot Hem gaan. belijden wat verkeerd was en onszelf veroor­delen. Dan ervaren we dat Hij als onze liefhebbende Voorspraak de ge­meenschap weer herstelt die wij door onze ongehoorzaamheid verbro­ken hadden.

Nog even willen we de aandacht vestigen op het woordje “zoals”. De Heer gebruikt dit woord vaak in deze hoofdstukken. Zoals de Vader Hem liefhad, zo heeft Hij ons lief (1 5:9). Zoals Hij de geboden van de Vader hield. zo moeten wij zijn geboden bewaren (15.10). Zoals Hij niet van de wereld is, zo zijn wij niet van de wereld (17:16). Zoals de Vader Hem gezonden heeft in de wereld, zo heeft Hij ons gezonden in de wereld (20:21).

Het doel van deze woorden van de Heer is dat zijn blijdschap in ons mag blijven en dat die blijdschap volkomen wordt. De Heer had ge­sproken over zijn vrede. de erfenis die Hij ons heeft nagelaten (14:27) en nu spreekt Hij over zijn blijdschap. Wat is zijn grootste vreugde? Het is de vreugde van de Verlosser. die het werk van de verlossing vol­bracht heeft. Het is de vreugde die voor Hem lag. waarvoor Hij het kruis heeft verdragen en de schande heeft veracht (Hebr. 12:1‑3). Wij kunnen delen in zijn vreugde, als wij in zijn voetstappen treden. Hem volgen als ons Voorbeeld, in Hem blijven en in zijn liefde ‑ dan zal onze blijdschap volkomen zijn. We verheugen ons in de dingen waarin Hij zich verheugt.

15:12-16


12 Dit is mijn gebod, dat u elkaar liefhebt zoals Ik u heb liefgehad. 13 Niemand heeft groter liefde dan deze, dat iemand zijn leven voor zijn vrienden aflegt. 14 U bent mijn vrienden, als u doet wat Ik u gebied. 15 Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van mijn Vader heb gehoord, bekend gemaakt heb. 16 U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld dat u zou heengaan en vrucht dragen en dat uw vrucht zou blijven, opdat alles wat u de Vader zult bidden in mijn naam, Hij u dat geeft.

In hoofdstuk 13:34 had de Heer een nieuw gebod gegeven. namelijk dat de gelovigen elkaar moeten liefhebben. Hier herhaalt de Heer dit gebod en zegt er bij hoe wij elkaar moeten liefhebben: “Zoals Ik u liefgehad heb”. In de brief aan de Kolossenzen schrijft Paulus hoe het gedrag van een christen behoort te zijn. “Verdraagt elkaar en vergeeft elkaar, als de een tegen de ander een klacht heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zó ook gij” (3:13).

Als deze woorden van de Heer altijd in praktijk gebracht zouden wor­den en de christenen zouden luisteren naar deze vermaning van de Hei­lige Geest. zou er nooit verdeeldheid en twist zijn onder Gods kinde­ren. De boosheid. de afgunst en het algemene ongenoegen dat er vaak is onder belijders van “de gezonde leer” is een schande voor de chris­tenheid. Waar weinig liefde is, daar kan maar weinig genade zijn.

Dan spreekt de Heer tot hen als zijn vrienden. Zij waren gelovigen uit de Joden. en omdat zij nog hoorden bij de bedeling van de wet, waren zij slaven. Maar genade maakte hen tot zijn vrienden, ja, tot zonen van God (Gal. 4:1‑7). Het bewijs van de grootste liefde is als iemand zijn leven inzet. Het is een zelfopofferende liefde als iemand wil sterven voor zijn vrienden. Deze liefde voor hen liet de Heer zien door te sterven voor hen. En ofschoon Hij hen nu vrienden noemt waren zij van nature, net als wij, vijanden door de boze werken. Alleen zijn verzoe­nend sterven kon hen en ons tot zijn vrienden maken. “Want toen wij nog krachteloos waren, is Christus te rechter tijd voor goddelozen ge­storven. Want ternauwernood zal iemand voor een rechtvaardige ster­ven, immers voor de goede zal misschien iemand de moed hebben te sterven. Maar God bevestigt zijn liefde tot ons hierin, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren” (Rom. 5:6‑8). Dit is het bewijs van zijn liefde. Daarom moet een zelfopofferende liefde de maat zijn van onze liefde tegenover onze broeders. En omdat wij met de Heer verbonden zijn als vrienden, moeten we Hem gehoor­zamen.

Elke gelovige is een slaaf van de Heer Jezus Christus, maar het woord “slaaf” in vers 15 ziet op de toestand van de Joodse gelovigen onder de wet.

Ons die één gemaakt zijn met Hem noemt Hij zijn intieme vrienden en Hij deelt ons al de dingen mee die Hij van de Vader gehoord heeft. Door de Schrift maakt Hij ons bekend met de diepten van God.

Nu moeten we denken aan Abraham. (Abraham leefde niet onder de wet, want de wet kwam 430 jaar later!). Ook aan hem maakte de Heer dingen bekend die nog geheim waren.

Abraham wordt een vriend van God genoemd (Jes. 41:8; Jakobus 223). De Heer kwam tot hem in de gedaante van een mens en zei: “Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?” Hij die eens deze woorden sprak tot Abraham, zegt nu tot het nageslacht van Abraham: “Alles wat Ik van mijn Vader gehoord heb, heb Ik u bekend gemaakt”.

Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren; en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen en dat uw vrucht zou blijven, opdat alles wat gij de Vader bidden zult in mijn naam, Hij u dat geeft”. Met uitverkiezing wordt hier bedoeld de uitverkiezing tot eeuwige behoudenis en de uitverkiezing tot het ambt van aposte­len. Wij hebben Hém niet gezocht, maar Hij zocht óns toen wij verlo­ren waren. Wat een kostbaar feit is het dat niet wij Hem uitverkoren hebben, maar dat Hij ons uitverkoren heeft.

Met de woorden “Ik heb u uitverkoren en u gesteld dat gij zoudt heen­gaan en vrucht dragen” doelt de Heer in de eerste plaats op het werk dat de apostelen zouden doen.

Zij zouden de wereld in gaan en het evangelie prediken aan verloren zondaars. Door dit werken van de apostelen is de gemeente ontstaan, en het werk dat zij begonnen zijn is gebleven ook na het sterven van de apostelen; het gaat nog steeds door. En om de elf discipelen te be­moedigen voegt de Heer er aan toe: “Het was in mijn plan begrepen dat jullie ‑ terwijl je vrucht zou dragen ‑ alles zult krijgen wat je van de Vader zult bidden”.

15:17‑21


17 Dit gebied Ik u, dat u elkaar liefhebt. 18 als de wereld u haat, weet dat zij Mij eerder dan u heeft gehaat. 19 Als u van de wereld was, zou de wereld het hare liefhebben; maar omdat u niet van de wereld bent, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat de wereld u. 20 Herinnert u het woord dat Ik tot u zei: Een slaaf is niet groter dan zijn heer. Als zij Mij hebben vervolgd, zullen zij ook u vervolgen; als zij mijn woord hebben bewaard, zullen zij ook het uwe bewaren. 21 Maar dit alles zullen zij u doen om mijn naam, omdat zij Hem niet kennen die Mij heeft gezonden.

Als de Heer zegt: “Dit gebied Ik u”, ziet dit op de geboden die Hij hun al gegeven heeft, namelijk, dat zij elkaar moesten liefhebben.

Dan spreekt de Heer over de eenheid van zijn discipelen met Hem. De geweldige waarheid die de Heer hier noemt, is ons volledig bekend gemaakt in de brieven van Paulus. Voor de eerste keer noemt de Heer het grote feit dat zij die in Hem geloven niet meer van de wereld zijn; zij zijn uit de wereld uitverkoren. In zijn gebed in hoofdstuk 17 gaat de Heer nader in op dit onderwerp. De Heer Jezus was niet van de wereld, en zij die wedergeboren zijn, bezitten de natuur van God. Daarom zijn zij niet van de wereld zoals Hij niet van de wereld is. Om­dat Hij niet van de wereld is, haat de wereld, die in het boze ligt, Hem en zij haat ook hen die van Christus zijn. Hoe komt het dat wij zo wei­nig van deze haat merken? Is de wereld veranderd? Is zij niet langer een boze wereld? Is de wereld anders dan tweeduizend jaar geleden? Natuurlijk is de wereld in moreel opzicht niet veranderd; het is nog steeds dezelfde boze wereld als altijd. Satan is nog altijd de overste van deze wereld en de god van deze eeuw. De wereld is niet verbeterd; zij haat Christus nog altijd. Maar het probleem zit bij ons, gelovigen. Wij brengen onze afzondering niet in de praktijk. Wij hebben het feit ver­geten dat wij gekruisigd zijn voor de wereld en dat de wereld gekrui­sigd is voor ons. Wij hebben de vermaningen die we vinden in bijvoor­beeld Jakobus 4:4 en in 1 Joh. 2:15‑17 niet in acht genomen. Als we in ons leven de afzondering in de praktijk brengen, als we een duide­lijk getuigenis geven van onze positie in Christus, dan zullen we on­dervinden dat de woorden van de Heer nog steeds waar zijn. De slaaf is niet méér dan zijn Heer. Men had Hem gehaat, en men zou hen ook haten; men vervolgde Hem, en ook de discipelen zouden vervolgd wor­den.

15:22‑27


22 Als Ik niet was gekomen en tot hen had gesproken, hadden zij geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. 23 Wie Mij haat, haat ook mijn Vader. 24 Als Ik niet de werken onder hen had gedaan die niemand anders heeft gedaan, hadden zij geen zonde; maar nu hebben zij zowel gezien als gehaat zowel Mij als mijn Vader. 25 Maar het woord moet worden vervuld dat in hun wet geschreven staat: ‘Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat’. 26 Maar wanneer de Voorspraak is gekomen, die Ik u zal zenden van de Vader, de Geest van de waarheid die van de Vader uitgaat, zal Die van Mij getuigen. 27 En u zult ook getuigen, omdat u van het begin af bij Mij bent.

In de verzen 22 tot 27 geeft de Heer een overzicht van de drie jaar die Hij in het midden van zijn volk had doorgebracht. Hij had woorden van leven tot hen gesproken, hun de waarheid bekend gemaakt, hen gewaarschuwd en hen uitgenodigd. Ja, Hij had hen willen verzamelen zoals een hen haar kuikens verzamelt ‑ maar zij wilden niet! “Zij om­ringden Hem met woorden van haat en zij bestreden Hem zonder oor­zaak; tot loon voor zijn liefde weerstonden zij Hem” (Zie Psalm 109: 3‑4). Zij haatten Hem en zij haatten de Vader. De Heer had zijn mach­tige werken onder hen gedaan en de werken van de Vader; zij hadden ze gezien en ze gehaat. Hun eigen Schriftwoord was vervuld geworden: zij haatten Hem zonder oorzaak (Psalm 69:5).

Daarop volgt weer een aankondiging van de Trooster, de Heilige Geest, die binnenkort komen zou. Christus zou Hem zenden vanwege de Va­der, Hem, de Geest van de waarheid, die van de Heer Jezus getuigen zou. Dit is het voornaamste werk van de Heilige Geest: getuigen van Christus. Hoofdstuk 16:13‑15 zegt ons meer in details wat de Heilige Geest doet.

Wanneer de Geest gekomen is, zo vervolgt de Heer, zullen zij in staat zijn van Hem te getuigen, omdat zij vanaf het begin van de dienst van de Heer bij Hem geweest waren. Deze belofte herhaalt de Heer na zijn opstanding: “Maar gij zult kracht ontvangen als de Heilige Geest over u komt en gij zult mijn getuigen zijn, zowel te Jeruzalem als in heel Judéa en Samaria en tot aan het einde der aarde” (Hand. 1:8).


1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   25

  • 15:1‑8
  • 15:9‑11
  • 15:12-16
  • 15:17‑21
  • 15:22‑27

  • Dovnload 1.32 Mb.