Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina19/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   ...   15   16   17   18   19   20   21   22   ...   25

Hoofdstuk 16

16:1‑7


1 Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u niet ten val komt. 2 Zij zullen u uit de synagoge bannen; ja, het uur komt, dat ieder die u doodt, zal menen God een dienst te bewijzen. 3 En dit zullen zij u doen, omdat zij de Vader niet hebben gekend noch Mij. 4 Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat wanneer, hun uur gekomen is, u zich zult herinneren dat Ik ze u heb gezegd; maar deze dingen heb Ik u niet van het begin af gezegd, omdat Ik bij u was. 5 Maar nu ga Ik heen naar Hem die Mij heeft gezonden, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat U heen? 6 Maar omdat Ik deze dingen tot u heb gesproken, heeft de droefheid uw hart vervuld. 7 Maar Ik zeg u de waarheid: het is nuttig voor u dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zal de Voorspraak niet tot u komen; maar als Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden.

De verdeling in hoofdstukken is hier niet erg gunstig gekozen. Vers 1 van dit hoofdstuk sluit aan bij de woorden van het einde van het vorige hoofdstuk.

De Heer had gesproken over de haat van de wereld. De wereld zou hen haten met dezelfde haat waarmee zij Hem gehaat had. In verband hier­mee staat de belofte van de komst van de Heilige Geest, die zou ko­men om te getuigen van de Heer Jezus en ook om hen in staat te stel­len getuigen te zijn.

Nu zou de gedachte bij hen kunnen opkomen dat door de komst van de Heilige Geest de houding van de wereld tegenover hen zou veran­deren. De Heer wilde zijn discipelen bewaren voor zo’n valse hoop. Hij gaf hun een waarschuwing opdat zij niet geërgerd zouden worden. De Heer voorspelde hen dat zij uit de synagoge gebannen zouden worden. Zo’n uitsluiting hield in dat men volledig afgesloten was van het volk en van de nationale verwachting. Men stond geheel buiten, op de plaats waar de heidenen zich bevonden. Het betekende het verlies van alles. De blinde man die door de Heer genezen was (hoofdstuk 9), was door de Joden uit de synagoge geworpen, welnu, dat stond hen ook te wachten.

Maar de Heer voorspelde nog meer. Zij zouden gedood worden, en men zou zelfs menen God hiermee een dienst te bewijzen. De hele kerkgeschiedenis door is dit bewaarheid geworden. De jonge Farizeeër Saulus van Tarsus vervolgde de gemeente en verwoestte ze, hij ging de huizen in, sleepte mannen en vrouwen mee en leverde hen over in de gevangenis, en hij stemde er mee in dat Stefanus gedood werd (Hand. 8:1‑3). Hij dacht daarbij dat hij ijverde voor God. Later getuigde hij:

“Wat de ijver betreft was ik een vervolger van de gemeente; wat be­treft de gerechtigheid die in de wet is, onberispelijk” (Fil. 3:6). En toen hij, die de gemeente eerst vervolgd had, zelf een christen gewor­den was, ondervond hij zelf de waarheid van deze woorden. De Joden haatten hem, zij vervolgden hem, zij geselden hem en probeerden hem te doden ‑ en zij dachten dat zij God hiermee een dienst bewezen!

Achter al deze vervolgingen staat de leugenaar en de moordenaar van het begin, de duivel. Gedurende de Middeleeuwen heeft de Rooms‑ka­tholieke Kerk in veel landen de gelovigen vervolgd. De inquisitie heeft de mensen op een verschrikkelijke manier vervolgd met satanische fol­teringen. Duizenden werden op wrede wijze gedood. Pausen, bisschop­pen en priesters traden op als moordenaars, terwijl de satan hen wijs maakte dat zij God en de kerk dienden.

In de toekomst zullen de woorden van de Heer opnieuw vervuld wor­den. Tijdens de grote verdrukking zullen vrome Joden, die in Jezus als hun Messias geloven, vervolgd worden en de marteldood sterven. Over deze tijd lezen we in Daniël 9:24‑27 en in Openbaring 13.

De Heer waarschuwt de discipelen en de gelovigen na hen voor wat zij konden verwachten in deze tegenwoordige boze eeuw. Hij had over deze dingen in het begin nog niet gesproken, toen zij Hem nog maar pas volgden, om hen niet te ontmoedigen. Maar nu vertelt Hij hun wat de ongelovige Joden en de wereld die hen zou haten, met hen zouden doen.

In vers 5 lezen we dat de Heer zegt dat Hij zou teruggaan naar Hem die Hem gezonden had. We kunnen ons de droevige toon van zijn stem voorstellen als Hij er aan toevoegt: “En niemand van u vraagt Mij: Waar gaat gij heen?” Had Petrus die vraag dan niet gesteld? Jawel, maar zijn vraag kwam eigenlijk voort uit nieuwsgierigheid en niet uit het verlangen om de diepere betekenis van het teruggaan van de Heer tot de Vader te begrijpen. In plaats van meer te vragen over de plaats waar Hij heen zou gaan en over de toekomstige heerlijkheid waarover Hij had gesproken, waren zij alleen maar ontroerd door de gedachte dat Hij hen zou verlaten; hierover waren hun harten met zorg vervuld.

Toch zou het feit dat Hij bij hen weg zou gaan, nuttig voor hen zijn.

Want als Ik niet wegga, zal de Trooster niet tot u komen; maar als Ik heenga, zal ik Hem tot u zenden” (vers 7). Dat “weggaan” duidde in de eerste plaats op zijn verzoenend lijden en sterven aan het kruis, gevolgd door zijn begrafenis, zijn opstanding en zijn hemelvaart, toen Hij zijn plaats innam aan de rechterhand van God.

Als resultaat van zijn volbracht werk kwam de Heilige Geest naar de aarde, om de plaats van de Heer in te nemen in en bij de zijnen. De tegenwoordigheid van God de Heilige Geest in de gemeente en in elke gelovige afzonderlijk is iets beters dan de blijvende aanwezigheid van onze Heer op aarde in het lichaam van zijn vernedering. Zo gezien was het beter voor hen dat de Heer zou weggaan. De Heilige Geest kan alle gelovigen tegelijkertijd troosten, waar zij zich ook bevinden. Toen Christus lichamelijk tegenwoordig was op aarde kon Hij maar weinig mensen tegelijkertijd troosten en dan nog maar op één plaats tegelijk. Het was zegenrijk dat de Heer Jezus op aarde was, maar de tegenwoor­digheid van de Heilige Geest is veel zegenrijker.

16:8‑15


8 En als Die is gekomen, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel; 9 van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; 10 en van gerechtigheid, omdat Ik naar de Vader heenga en u Mij niet meer aanschouwt; 11 en van oordeel, omdat de overste van deze wereld is geoordeeld. 12 Nog veel heb Ik u te zeggen, maar u kunt het nu niet dragen. 13 Maar wanneer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen. 14 Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het mijne nemen en het u verkondigen. 15 Alles wat de Vader heeft, is het mijne; daarom heb Ik gezegd dat Hij uit het mijne neemt en het u zal verkondigen.

De Heer vertelt welke gevolgen de tegenwoordigheid van de Heilige Geest in de wereld zal hebben. Deze woorden worden in het alge­meen verkeerd uitgelegd. De gangbare uitleg is dat de Heilige Geest de mensen ervan overtuigt dat zij verloren zondaars zijn, dat zij ge­rechtigheid moeten bezitten en ook dat er een oordeel zal komen. Na­tuurlijk is het het werk van de Heilige Geest dat Hij de mensen over­tuigt van zonde, maar dit is niet bedoeld in dit gedeelte. Belangrijk is de goede uitleg van het woord “overtuigen”. Het duidt niet op een innerlijke overtuiging, maar de bedoeling is: aan de wereld zal het overtuigend bewijs geleverd worden, een bewijs dat niet tegengespro­ken kan worden. Dat de Heilige Geest op aarde is vormt het overtui­gend bewijs van de zonde van de wereld: zij hebben Hem buitenge­worpen, de Heer der heerlijkheid gekruisigd en niet in Hem geloofd. Daarom ligt de wereld onder het oordeel en de aanwezigheid van de Heilige Geest getuigt hier van.

Ook is de tegenwoordigheid van de Heilige Geest het overtuigend be­wijs van gerechtigheid, omdat de Heer naar de Vader gegaan is. De Zoon van God leefde op aarde als een volkomen Rechtvaardige. Hij be­haagde God altijd. Toch veroordeelde de wereld Hem als een onrechtvaardige; men wierp Hem uit, en dat nog wel in de naam van God. Misschien stonden sommigen van hen bij het kruis, ook tijdens de drie uren van duisternis en hoorden zij Hem roepen: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Maar God wekte in zijn gerechtigheid de Heer op uit de dood en gaf Hem heerlijkheid. Hij beloonde de Heer die tot de dood gehoorzaam geweest was aan Hem, ja, tot de dood van het kruis.

Nu ziet de wereld Hem niet meer, maar de aanwezigheid van de Heili­ge Geest is een bewijs van de gerechtigheid van God, want het is het bewijs dat de Heer aan de rechterhand van God is. En daarom blijft er voor de schuldige wereld alleen nog het oordeel over. De overste van de wereld is al geoordeeld, hoewel het definitieve eindoordeel over Sa­tan nog komt. De Heilige Geest levert daarom het overtuigend bewijs van dat komend oordeel.

De Heer had in zijn liefde hun nog veel dingen te zeggen; maar zoals het nu met hen gesteld was konden zij dit niet verstaan. Wanneer de Heilige Geest gekomen was zouden zij deze dingen begrijpen. De Geest zou hun alles openbaren. Hij is de Geest van de Waarheid en Hij leidt in de hele waarheid. Het woord “waarheid” duidt zowel op het ge­schreven Woord als op het levende Woord. De Geest is gekomen om ons in de hele waarheid te leiden, de waarheid zoals die geopenbaard is in de bijbel.

Er zijn gelovigen, o.a. in de Pinkstergroeperingen, die geloven dat er een leiding van de Geest is los van de bijbel, door innerlijke ervaringen, door dromen of gezichten.

Sommigen durven zelfs te beweren dat die innerlijke ervaringen voor hen voldoende zijn en dat zij het Woord van God niet meer hoeven te bestuderen. Maar dat is absoluut verkeerd. Het Woord van God, dat de waarheid is, getuigt van Hem die de Waarheid is.

Het is nog het vermelden waard dat het Grieks in dit gedeelte het be­palend lidwoord heeft voor het woord waarheid: “Hij zal u in de hele waarheid leiden”. Door het geschreven woord leidt de Geest ons naar Hem die de Waarheid is, onze Heer.

De Geest spreekt niet uit zichzelf, onafhankelijk van de Vader en de Zoon. Het getuigenis van de Geest is het getuigenis van de Vader en de Zoon, net zo als de Zoon toen Hij op aarde was, de stem van de Vader hoorde en sprak wat Hij van de Vader gehoord had.

Bovendien zal de Geest de toekomstige dingen verkondigen. Dit is vervuld in het geïnspireerde getuigenis van Paulus, Petrus, Johannes, Jakobus en Judas. In hun geschriften geven zij ook een profetisch getuigenis; zij schrijven over de toekomst van de gemeente, over de oordelen die over de aarde zullen komen, over de komst van Christus en de dag van de Heer. Vooral in het boek de Openbaring worden ons de toekomstige dingen verkondigd.

Niemand moet denken dat de Heilige Geest nu nog profetieën geeft aan afzonderlijke gelovigen. De toekomstige dingen kunnen we vinden in het voltooide Woord van God, alleen dáár.

Maar het belangrijkste werk van de Geest is het verheerlijken van Chris­tus. Dit zien we ook in het boek de Handelingen. Op de Pinksterdag verheerlijkte Petrus Christus door de Geest die door hem sprak. Elke toespraak in de Handelingen heeft maar één onderwerp, namelijk Christus. Wie vervuld is met de Geest en zich door de Geest laat lei­den, heeft maar één verlangen: Christus te verheerlijken. Alle dingen die van Christus zijn, de heerlijkheid die de Vader Hem gegeven heeft, wil Hij laten zien aan hen die in Christus blijven.



16:16‑24

16 Een korte tijd, en u aanschouwt Mij niet meer; en nog eens een korte tijd, en u zult Mij zien. 17 Sommigen dan van zijn discipelen zeiden tot elkaar: Wat is dit, dat Hij tot ons zegt: Een korte tijd, en u aanschouwt Mij niet; en nog eens een korte tijd, en u zult Mij zien; en: Omdat Ik heenga tot de Vader? 18 Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een korte tijd? Wij weten niet waarover Hij spreekt. 19 Jezus wist dat zij Hem dit wilden vragen en zei tot hen: Daarnaar zoekt u met elkaar, dat Ik gezegd heb: Een korte tijd, en u aanschouwt Mij niet; en nog eens een korte tijd en u zult Mij zien? 20 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u dat u zult wenen en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden; u zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden. 21 Wanneer een vrouw baart, heeft zij droefheid omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind heeft gebaard, denkt zij niet meer aan de benauwdheid, uit blijdschap dat een mens in de wereld is geboren. 22 Ook u hebt dan nu wel droefheid; maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden en niemand neemt uw blijdschap van u weg. 23 En in die dag zult u Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: alles wat u de Vader zult bidden in mijn naam, zal Hij u geven. 24 Tot nu toe hebt u niets gebeden in mijn naam; bidt en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap volkomen zal zijn.

Wat bedoelde de Heer toen Hij tegen zijn bedroefde discipelen zei: “Een korte tijd en gij zult Mij niet zien, en nog eens een korte tijd en gij zult Mij zien?”. Wat is de betekenis van “een korte tijd?”. Men heeft dat wel toegepast op zijn dood en opstanding, in die zin dat Hij bedoelde dat het een korte tijd zou duren tot Hij zou sterven en begra­ven worden, en nog weer een korte tijd en zij zouden Hem zien na zijn opstanding. Deze mening is echter onhoudbaar. Ook is het niet juist dat de Heer met deze woorden zijn tweede komst bedoelde.

Het is waar dat dezelfde uitdrukking gebruikt wordt in Hebr. 10:37, waar het zonder twijfel ziet op de wederkomst van de Heer. Maar dat is nog geen bewijs dat het in dit vers hetzelfde moet betekenen. Als we de Griekse tekst raadplegen, zien we dat daar twee verschillende werkwoorden gebruikt worden, die beide vertaald worden met “zien”. Het eerste “zien” heeft de betekenis: zien met het natuurlijk oog. Het tweede “zien” dat gebruikt wordt in de uitdrukking: “een korte tijd, en gij zult Mij zien”, heeft de betekenis van geestelijk zien. Omdat de Heilige Geest twee verschillende woorden gebruikt, zal de Heer niet zijn tweede komst bedoeld hebben. Deze woorden moeten wel slaan op de komst van de Heilige Geest, die de plaats van de Heer inneemt als de “andere Trooster”. Door de Heilige Geest zien wij Hem die teruggegaan is naar de Vader. Dit was het geval bij Stefanus toen de Heilige Geest hem vervulde: “Maar hij, vol van de Heilige Geest, hield zijn ogen op de hemel gericht en zag de heerlijkheid van God en Jezus, staande aan Gods rechterhand” (Hand. 7:55). Bij Stefanus was het een werkelijk zien van de Heer, maar de Heilige Geest in de gelovige laat hem Chris­tus in heerlijkheid op geestelijke wijze zien.

Deze woorden van de Heer riepen nieuwe vragen op bij de elf discipe­len. Zij begrepen de woorden “een korte tijd” ook niet, en zij zeiden dan ook dat zij niet begrepen waar de Heer over sprak. Terwijl zij zo onderling van gedachten wisselden, stonden zij waarschijnlijk apart, iets bij de Heer vandaan. Maar Hij, in zijn alwetendheid, wist waar­over zij spraken en wat in hun harten was en dat zij het Hem graag wil­den vragen. Toen zij tegen Hem gezegd hadden dat zij het niet begre­pen, zei Hij tot hen: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat gij zult we­nen en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden; en gij zult be­droefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden”. Weer spreekt de Heer een “voorwaar” uit, hier voor een profetische uit­spraak. Het woord dat gebruikt wordt voor “wenen” is het algemene woord voor een uiterlijke betoning van droefheid; het woord “weekla­gen” betekent jammeren, bewenen.

Deze woorden worden ook gebruikt in verband met de gehuurde wee­klagers bij begrafenissen (zie Mark. 5:38 en Lukas 23:27). Het woord “bedroefd” ziet op de innerlijke gevoelens van het hart. Deze gevoelens zouden de discipelen hebben in verband met het sterven van de Heer, de smadelijke dood aan het kruis, terwijl de wereld zich met een boos­aardige vreugde zou verblijden. Maar de woorden van onze Heer zien ook op de toestand van de gelovigen in deze wereld. Deze eeuw is voor oprechte gelovigen een eeuw van wenen en weeklagen en van droefheid, terwijl de wereld, verblind door de god van deze eeuw, zijn gang gaat met schijnbare vreugde.

Deze gedachte vindt ook steun in de woorden van de Heer Zelf in Matth. 9:15: “Kunnen de bruiloftskinderen treuren, zolang de bruide­gom bij hen is? Maar er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen zal zijn, en dan zullen zij vasten”.

Daarna haalt de Heer het voorbeeld aan van een vrouw die een kind ter wereld brengt en droefheid heeft, omdat haar tijd gekomen is. “Maar wanneer zij het kind gebaard heeft, denkt zij niet meer aan de benauwdheid, uit blijdschap dat een mens in de wereld geboren is. Ook gij hebt dan nu wel droefheid: maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden en niemand zal uw blijdschap van u wegne­men”. Deze woorden slaan op de tijd waarin wij leven. Er is smart en droefheid voor de ware kinderen van God, maar zij zien uit naar de tijd dat hun smart en droefheid en pijn voorbij zal zijn wanneer zij de Heer zullen zien bij zijn komst. Dan begint een vreugde die nooit zal eindigen!

Maar deze woorden hebben ook nog een betekenis die verder in de toekomst ligt. Vóór de beloofde tijden van herstelling van alle dingen, wanneer de Zoon des mensen op zijn troon zal zitten (Matth. 19:28), zal er voor het gelovig overblijfsel van Israël een tijd zijn van smart en pijn en droefheid. Het beeld dat de Heer hier gebruikt vinden we ook in het oude testament. Zie Jesaja 26:17; 66:7; Hosea 13:13, en vooral Micha 4:9‑10. Dan zal het gelovige overblijfsel van Israël, dat hier wordt voorgesteld door de elf discipelen, verlost worden door de ver­schijning van de Heer in heerlijkheid.

De indeling in verzen is o.i. hier niet juist. De eerste zin van vers 23 hoort nog bij vers 22. De rest van vers 23 hoort bij vers 24.

Maar Ik zal u weerzien (als de Heer komt) en uw hart zal zich ver­blijden en niemand zal uw blijdschap van u wegnemen. En in die dag (de dag van de terugkomst van de Heer) zult gij Mij niets vragen”. Het woord “vragen” betekent hier “vragen stellen”, zoals zij deden toen de Heer bij hen was. Als die dag gekomen is zullen de gelovigen ken­nen zoals zij gekend zijn; zij zullen niet langer zien als door een don­ker glas. Daarom zegt de Heer dat zij op die dag niets meer te vragen zullen hebben.

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: alles wat gij de Vader zult bidden in mijn naam, dat zal Hij u geven. Tot nu toe hebt gij niets gebeden in mijn naam; bidt en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap volkomen mag zijn”.

Dit is het laatste “voorwaar” in het evangelie van Johannes. Dit kost­bare woord dat spreekt van zekerheid is vaak gebruikt in dit evangelie. Hier zegt de Heer hoe de discipelen moeten bidden als de Heilige Geest gekomen is. Tot nu hadden zij gebeden zoals elke oprechte Is­raëliet had kunnen bidden, in die vorm van gebed die de Heer hen ge­leerd had toen zij Hem vroegen hen te leren bidden, precies zoals Jo­hannes zijn discipelen geleerd had te bidden. Voortaan zouden zij bid­den in zijn naam. Wat een voorrecht is het dat we zo mogen bidden! Het is een door God gegeven middel om te komen tot volkomen blijd­schap.

“Wat is het een voorrecht dat we mogen bidden! Het gebed is de duif die, wanneer hij losgelaten wordt, weer terugkeert met de olijftak; het brengt vrede in ons hart. Het gebed is de gouden ketting waarmee wij God vast­houden en niet loslaten voordat Hij ons zegent. Het gebed is de staf van Mozes die het water van troost tevoorschijn doet komen uit de rots van behoud. Het gebed is de ezelskaak van Simson, die de vijanden verslaat. Het gebed is de harp van David waarvoor de boze geest vlucht. Het gebed is de sleutel tot de schatten van de hemel” (Gerhard).


16:25‑33


25 Dit heb Ik in beelden tot u gesproken. Er komt een uur dat Ik niet meer in beelden tot u zal spreken, maar u vrijuit over de Vader zal verkondigen. 26 Op die dag zult u in mijn naam bidden; en Ik zeg u niet dat Ik de Vader voor u zal vragen, 27 want de Vader Zelf heeft u lief, omdat u Mij hebt liefgehad en geloofd hebt dat Ik van God ben uitgegaan. 28 Ik ben van de Vader uitgegaan en ben in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weer en ga heen naar de Vader. 29 Zijn discipelen zeiden: Zie, nu spreekt U vrijuit en gebruikt geen beeldspraak. 30 Nu weten wij dat U alles weet en niet nodig hebt dat iemand U vraagt. Hierom geloven wij dat U van God bent uitgegaan. 31 Jezus antwoordde hun: Gelooft u nu? 32 Zie, er komt een uur en het is gekomen, dat u verstrooid zult worden, ieder naar het zijne, en u Mij alleen zult laten; en toch ben Ik niet alleen, omdat de Vader met Mij is. 33 Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.

Dit gedeelte bevat de laatste woorden die de Heer gesproken heeft tot zijn discipelen. Daarna komt nog het belangrijke gebed van hoofdstuk 17.

Eerst herinnert de Heer hen er aan dat Hij in beelden tot hen gespro­ken heeft, omdat zij niet in staat waren alles te begrijpen. Maar dit zou binnenkort veranderen, wanneer Hij hen vrijuit van de Vader zou ver­kondigen. Welke tijd bedoelde de Heer? Ongetwijfeld de tijd dat de Heilige Geest op aarde zou zijn. De Geest maakt ons ten volle bekend wie de Vader en wie de Zoon is, en Hij leert ons dat God nu onze Vader is en dat wij zonen van God zijn.

“En omdat gij zonen zijt, heeft God de Geest van zijn Zoon in onze harten uitgezonden, die roept: “Abba, Vader” (Gal. 4:6).

“Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij, om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen een geest van zoonschap, waardoor wij roepen: Abba Vader! De Geest Zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn” (Rom. 8:15 en 16).

Daarna noemt de Heer nog eens het bidden in zijn naam en geeft ons de verzekering dat de Vader Zelf ons liefheeft en dat Hij hoort naar hen die tot Hem komen in de naam van zijn Zoon.

Ik ben van de Vader uitgegaan en ben in de wereld gekomen; Ik ver­laat de wereld weer en ga heen tot de Vader”. Hier is het hele evange­lie naar Johannes samengevat in één vers. Het is nog méér: dit vers be­vat al de grote feiten betreffende de Persoon, de heerlijkheid en het werk van Christus. Hier zien we zijn Godheid, zijn menswording, zijn leven op aarde, zijn lijden, sterven en opstanding en zijn hemelvaart en verheerlijking.

Deze woorden maakten een diepe indruk op de discipelen en het schijnt dat zij de dingen nu opeens duidelijk zagen. Zij gaven toe dat de Heer nu vrijuit sprak en geen beeldspraak gebruikte. Zij hadden enig begrip van zijn Godheid; zij beseften opnieuw dat Hij alle dingen wist, zij geloofden dat Hij van God was uitgegaan.

De Heer antwoordt met een woord van waarschuwing: “Gelooft gij nu?” Is dit werkelijk zo? Hij wist dat hun geloof binnenkort op de proef gesteld zou worden.

De discipelen hadden gezegd dat Hij alle dingen wist; welnu, de Heer wist inderdaad wat er binnenkort zou gebeuren. Nog enkele uren en zij zouden verstrooid worden, Petrus zou Hem verloochenen en zij allen zouden Hem verlaten.

Maar de Heer voegt er iets kostbaars aan toe: “En Ik ben niet alleen, want de Vader is met Mij”. Hoe zijn deze woorden te verenigen met het feit dat de Heer aan het kruis uitriep: “Mijn God, mijn God, waar­om hebt Gij Mij verlaten?” Toch is er geen tegenspraak. Sommigen spreken er achteloos over dat de Heer aan het kruis door de Vader verlaten is, maar dat de Vader Hem verlaten heeft wordt nooit door de Schrift gezegd. We lezen dat Hij verlaten was van God.

Kostbaar zijn de volgende woorden van troost en bemoediging, niet alleen voor de discipelen, maar ook voor ons: “Dit heb Ik tot u ge­sproken, opdat gij in Mij vrede hebt”. Vrede, echte, blijvende vrede is alleen in de Heer te vinden. De Heer kondigt aan dat de zijnen in de wereld verdrukking zullen hebben. “Maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen”.


1   ...   15   16   17   18   19   20   21   22   ...   25

  • 16:8‑15
  • 16:25‑33

  • Dovnload 1.32 Mb.