Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina2/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   25

Hoofdstuk 1

1:1‑5


In het begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God. 2 Dit was in het begin bij God. 3 Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is. 4 In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen. 5 En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.

De verzen 1‑4 laten ons het karakter van het vierde evangelie zien. De synoptische evangeliën (Mattheüs, Markus en Lukas) beginnen met his­torische vermeldingen betreffende de Persoon die onder ons gewoond heeft. Het evangelie naar Johannes begint met een leerstellige openba­ring betreffende dezelfde persoon.

De “discipel die door Jezus geliefd werd” mag, geleid door de Heilige Geest, de heerlijkheid openbaren van de eniggeborene van de Vader, die onder de mensen gewoond heeft en die ons de Vader bekend: ge­maakt heeft. In dit evangelie wordt niet gesproken over Jezus als de zoon van David en de zoon van Abraham (zie Matth. 1:1). Het karak­ter van het evangelie naar Johannes is meer leerstellig dan historisch.

Het toont ons Hem die de waarachtige God is en het eeuwige leven. Hij kwam van de Vader, met wie Hij één is. Hij is in de wereld geko­men om de Vader te openbaren en Hij is teruggekeerd tot de Vader (16:28).

En Hij die het leven en het licht der mensen is, geeft het eeuwige leven aan mensen die opnieuw geboren zijn. Zij zijn nu kinderen van God en zij zijn niet langer in de duisternis, maar zij kennen het licht en wande­len in het licht.

De verzen 1‑18 bevatten de grote waarheden betreffende zijn Persoon: zijn Godheid, dat Hij het leven en het licht der mensen is, dat Hij kwam in de wereld die door Hem geschapen is, en dat de wereld Hem niet kende. En dan zien we de grote gevolgen van zijn komen in de wereld voor hen die Hem aangenomen hebben.

Deze eerste verzen bevatten het hele evangelie naar Johannes in note­dop.

“In het begin was het Woord” In het Grieks staat voor “begin” geen bepalend lidwoord, zodat de letterlijke vertaling is: “In begin was het Woord”. Dit gaat nog veel verder terug dan Genesis 1:1: “In den be­ginne schiep God de hemel en de aarde” ‑ dat is het begin van de schepping, maar hier gaat het om een ander begin. Een tijdloos begin, een begin zonder een begin, dat ons aan de tijd gebonden verstand niet kan peilen of begrijpen.

Hier op aarde hebben alle dingen een begin, maar God heeft géén be­gin. Hij is er altijd geweest. Hij die het Woord is, was er in het begin. Hij die er was voor de schepping, voor alle dingen en die boven alle dingen staat, heeft geen begin. Het woordje “was” betekent “bestond”. We horen Hem Zelf in dit evangelie zeggen: “Voor Abraham werd, ben ik” (8:58). M.a.w.: vóór Abrahams ontstaan, bestond ik als de Ik Ben”. Dit is een geweldige openbaring: onze Heer Jezus Christus is een “eeuwige Persoon”.

Waarom noemt Johannes Hem “het Woord”? Geen andere schrijver van het nieuwe testament gebruikt het woord Logos als een aandui­ding van de Heer Jezus. Hierover bestaan verschillende theorieën. Maar de Heilige Geest heeft ook in het oude testament de tweede persoon van de Godheid al aangeduid als “het Woord”:

“Door het woord des Heren zijn de hemelen gemaakt” (Psalm 33:6). “Hij zond zijn woord, Hij genas hen” (Psalm 107:20).

In beide aanhalingen mogen we in plaats van “het woord” ook lezen “de Zoon van God”. En de Zoon van God wordt het Woord genoemd omdat Hij de uitdrukking is van het wezen van God. Misschien mogen we dit beeld gebruiken. Als ik een gedachte heb, kan niemand dat zien. Pas als ik die gedachte uitspreek in woorden, weet men wat die gedachte was. Het woord vertolkt onze gedachten. De Zoon van God openbaart en vertolkt de gedachten en de wil van God.

Maarten Luther gaf hierover deze verklaring:

“Zoals een mens een woord in zijn hart heeft, zo heeft ook God in zijn eeuwige Majesteit en Godheid een gedachte, een Woord in zijn eigen hart. Dit Woord is zo volkomen één met God, dat er niets in God is, of het behoort ook toe aan het Woord. Als we het Woord zien, zien we God”.

De eerste zin “In het begin was het Woord” onthult dus het feit dat de Zoon van God, de Heer Jezus Christus, geen begin heeft, dus eeuwig is. Hij was bij God vóór alle dingen.

De tweede zin “en het Woord was bij God” Iaat ons zien dat Hij een Persoon is, gescheiden van God de Vader en toch één met Hem. Waar God was vanaf de eeuwigheid, daar was ook het Woord, de Zoon van God. Hij bezit ook de heerlijkheid van God en al zijn eigenschappen, zoals zijn Godheid. En het Woord was het voorwerp van de eeuwige liefde van God. Dit is niet pas zo geworden bij zijn menswording, maar het is altijd zo geweest, want “God is liefde”. Hij is altijd liefde ge­weest. Over deze eeuwige verhouding van liefde spreekt de Heer Jezus Zelf in zijn gebed: “Gij hebt mij liefgehad vóór de grondlegging van de wereld” (17:24).

En dan komt de alles‑overtreffende openbaring: “En het Woord was God”. Hij is dus God Zelf, en niet: een schepsel, niet: een engel, niet: ondergeschikt aan God. In natuur en wezen is Hij God. Het is moeilijk om dit in menselijke woorden uit te drukken. En toch wordt hier zo eenvoudig, maar toch duidelijk gezegd dat de Heer Jezus God Zelf is.

Dit eerste vers van het evangelie naar Johannes bevat één van de groot­ste openbaringen van de bijbel, en toch ook zo eenvoudig dat een kind deze grote waarheid kan verstaan.

In dit evangelie getuigt de Heer ook zelf van deze waarheid:

“Ik en de Vader zijn één” (10:30).

“Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (14:9).

“Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij” (14:11).

Prachtig is ook het vijfde hoofdstuk van dit evangelie, waarin de Heer met zijn eigen woorden het getuigenis van de Heilige Geest in dit eer­ste vers van hoofdstuk 1 bevestigt.

Dat er nog zogenaamde christenen zijn die durven te beweren dat onze Heer alleen maar een mens was, is wel een bewijs van de verdorvenheid van het hart van de mens. Voorbeelden daarvan zijn de zogenaamde unitariërs en aanhangers van het modernisme, de Christian Science en de Jehovah’s getuigen.

Het is, met het oog op zulke duidelijke uitspraken in de Schrift, haast niet te geloven dat iemand durft te beweren dat onze Heer alleen maar een schepsel is en niet God Zelf. Staat er ook niet geschreven dat de god van deze eeuw de ogen verblind heeft van hen die niet geloven? Terecht heeft iemand van dit eerste vers gezegd:

Het is vermetel er te véél in te willen zoeken.


Het is godsvrucht het te geloven.
Het is eeuwig leven het te weten.
En we zullen het pas ten volle kunnen begrijpen,
als we er straks ten volle van zullen genieten.

Dit was in het begin bij God” (vers 2)

Dit is een herhaling van de grote waarheid die we in het eerste vers ge­vonden hebben. De Heilige Geest heeft vooruit geweten dat er een tijd zou komen dat de mensen zouden leren dat de Heer Jezus Christus niet van eeuwigheid af een persoon in de Godheid geweest is, duidelijk te onderscheiden van God de Vader en toch eeuwig met Hem verbon­den in een onuitsprekelijke eenheid. Deze herhaling laat ons zien hoe belangrijk deze waarheid is.

Herhalingen hebben in de Schrift verschillende bedoelingen.

Bij het bidden getuigen ze van toegenegenheid.

Bij profetie duiden ze op zekerheid.

Bij een bedreiging geeft het aan dat de straf onafwendbaar is en plotse­ling zal komen.

Bij een bevel ziet het op de noodzakelijkheid te gehoorzamen.

Bij een waarheid zoals in vers 1 maakt de herhaling ons duidelijk dat we die waarheid moeten geloven en kennen.

Alle dingen zijn door hem geworden en zonder hem is niet één ding geworden dat geworden is” (vers 3)

Dit vers spreekt over de schepping, het begin, waarover we ook lezen in Genesis 1:1. In de brief van Paulus aan de Kolossers, die onder de invloed waren gekomen van verkeerde leringen betreffende de Per­soon en de heerlijkheid van Christus, vinden we dezelfde openbaring: “Want in hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen “ (Kol. 1:16).

Hij is de Schepper van alle dingen. En deze schepping, zo wonderbaar in zijn grootsheid en in de kleinste bijzonderheden, dit grote boek van de natuur, spreekt van Hem en van zijn heerlijkheid. Hoe weinig weten we nog van die openbaring van Hemzelf in de schepping!

In hem was leven, en het leven was het licht der mensen” (vers 4)

Nadat we gehoord hebben van zijn Godheid en van het feit dat Hij de Schepper is, lezen we wat in Hem was: “In Hem was leven”. Hoe­wel Hij de bron van elk leven is, wordt hier niet bedoeld het lichame­lijk leven; want in het tweede deel van dit vers lezen we dat dit leven het licht der mensen was. We moeten hier dus denken aan geestelijk leven. En dit geestelijk leven dat in Hem is, is eeuwig leven.

De woorden van Psalm 36:10 zijn ook waar voor Christus: “Want bij U is de bron des levens, in uw licht zien wij het licht”.

Johannes spreekt hierover in zijn eerste brief: “God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon” (5:11). Dit leven was het licht der mensen; het was actief vanaf het begin. En dat leven dat bij de Vader was, is aan ons geopenbaard: het Woord is vlees geworden.

En het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen” (vers 5)

Dit is een ernstige waarheid! Het licht heeft voortdurend geschenen in de duisternis die de zonde in de wereld gebracht heeft. Maar de duis­ternis was zo dicht en verschrikkelijk dat het licht de duisternis niet heeft kunnen verdrijven. De geestelijke duisternis heeft het niet be­grepen (of gegrepen).

De bekende schriftuitlegger Bengel heeft over deze vijf verzen dit ge­zegd:

In het eerste en tweede vers wordt gesproken over de toestand voor de schepping van de wereld.


In het derde vers vinden we de schepping van de wereld.
In het vierde vers zien we de mens in zijn rechtschapenheid.
In het vijfde vers zien we de mens in zijn gevallen toestand.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   25


Dovnload 1.32 Mb.