Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina5/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   25

Hoofdstuk 3

3:1-3


1 Nu was er een mens uit de farizeëen, zijn naam was Nicodemus, een overste van de Joden; 2 deze kwam ‘s nachts bij Hem en zei tot Hem: Rabbi, wij weten dat U van God bent gekomen als leraar; want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is. 3 Jezus antwoordde en zei tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet zien.

We maken nader kennis met één van deze mensen die geloofden om­dat ze de wonderen zagen die de Heer deed. Het schijnt echter dat Ni­codémus een dieper verlangen in zijn hart had, want dat verlangen in zijn hart bracht hem er toe persoonlijk met de Heer te gaan spreken.

Hij was een farizeeër, lid van een geëerde sekte onder de Joden. De fari­zeeërs probeerden zich nauwgezet aan de wet en aan de overlevering van de ouden te houden.

In de andere evangeliën lezen we hoe de Farizeeën de Heer Jezus haat­ten en tegenstonden, hoe ze tenslotte gemene zaak maakten met de Sadduceeën (een meer rationalistisch ingestelde sekte) en hoe ze de Heer verworpen hebben. Maar hier ontmoeten we een farizeeër die in zijn hart geraakt is. Hij was een overste van de Joden; hij had een hoge functie in het godsdienstige leven van zijn volk, een positie die een moreel hoogstaand karakter vereiste.

In vers 10 spreekt de Heer hem aan als “de leraar van Israël”. Onder zijn tijdgenoten had hij de naam een leidinggevende leraar te zijn met grote kennis. Bij hém kwamen de mensen voor onderwijs en leiding.1

_____________________

1) Dat er zo’n vooraanstaande persoon geleefd heeft in de tijd van onze Heer wordt door de loden zelf bevestigd. Hij was een vooraanstaand lid van het san­hedrin en een rijk man. In de Jewish Encyclopedie (deel X blz. 300) wordt hij Nicodémus Ben Gurion genoemd, een vooraanstaand persoon in de Joodse sa­menleving van de eerste eeuw.

Nicodémus kwam ‘s nachts tot Jezus. In hoofdstuk 7:50 lezen we ook over hem en in hoofdstuk 19:39 worden we er nog eens aan herinnerd dat hij ‘s nachts tot Jezus kwam. Hij had een groot verlangen naar de waarheid, en dat gaf hem de moed om naar de Heer te gaan, hoewel hij bang was voor de veroordeling en minachting van zijn geloofsge­noten.

Nog voor hij bij de Heer Jezus kwam in die gedenkwaardige nacht, kende de Heer hem. Hij wist wat Nicodémus’ hart bezwaarde, Hij wist wat in zijn hart leefde. Het gesprek dat nu volgt is heel belangrijk en het is de moeite waard het nauwkeurig te bestuderen. Men heeft zich wel eens afgevraagd waarom alleen Johannes deze belangrijke gebeurtenis vermeldt. De reden is duidelijk: Johannes had de opdracht gekregen de Heer in dit evangelie te beschrijven als de Zoon van God en het eeuwige leven, als Degene die de macht bezit het eeuwige leven te geven. Deze waarheid heeft de Heilige Geest, die ook de andere evangelisten inspireerde, hèn niet laten opschrijven.

Het gesprek met Nicodémus en het belangrijke onderwijs dat de Heer hier geeft over de wedergeboorte, vormen een goed beginpunt voor het ontvouwen van het grote onderwerp van dit evangelie.

Anderen hebben zich afgevraagd van wie Johannes de juiste informatie gekregen heeft om zo’n nauwkeurig verslag te kunnen geven van dit nachtelijk bezoek van deze farizeeër aan de Heer. Toen Johannes dit opschreef was het ongeveer veertig jaar later. Deze vraag is goed beant­woord door Ryle:

“Het verbaast mij hoe sommige bekende schriftuitleggers hun tijd kunnen verspillen met gissingen naar het antwoord op de vraag hoe het gesprek tussen de Heer en Nicodémus nu aan Johannes overgebracht is. Sommi­gen veronderstellen dat de Heer dit gesprek later aan Johannes heeft ver­teld; anderen denken dat Johannes bij dit gesprek tegenwoordig is ge­weest. Als we zo gaan redeneren, wat blijft er dan nog over van de inspira­tie! Deze feiten en nog vele andere die Johannes in dit evangelie vermeldt, heeft hij, hoe dan ook, opgeschreven door rechtstreekse inspiratie door de Heilige Geest”.

Nicodémus spreekt de Heer aan met “rabbi” (meester, leraar, leids­man), en hij zegt dan: “Wij weten dat gij een leraar zijt van God geko­men; want niemand kan deze tekenen doen die gij doet als God niet met hem is”.

Hoogstwaarschijnlijk vermoedde Nicodémus dat Jezus de Messias moest zijn, maar hij is voorzichtig in zijn oordeel en wil nu proberen in een persoonlijk gesprek meer over Hem te weten te komen.

Maar de Heer geeft hem direct antwoord zonder hem de gelegenheid te geven nog meer te zeggen. Wat leefde er in het hart van Nicodémus? Waarover wilde hij spreken? We lezen het antwoord van de Heer en hieruit kunnen we opmaken wat er in het hart van Nicodémus leefde. De Heer loopt vooruit op zijn vraag en raakt meteen het punt aan dat hem bezighield: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand op­nieuw geboren wordt, kan hij het koninkrijk Gods niet zien”.

Nicodémus wilde vragen stellen over het koninkrijk. De Messias en het koninkrijk waren onafscheidelijk verbonden in zijn Joodse gedach­tenwereld. Als deze Mens zulke wonderen doet is Hij de Messias. En als dat zo is, waar is dan zijn koninkrijk? Deze vraag moet in het hart van Nicodémus geleefd hebben; dat blijkt wel uit de woorden van de Heer.

Eerst de vraag: welk koninkrijk bedoelt de Heer Jezus hier? Hierover willen we het eerst hebben, en dan over de betekenis van “opnieuw geboren worden”. Vaak wordt het verhaal van Nicodémus gebruikt als aanleiding voor de verkondiging van het evangelie ‑ en terecht. Hier­bij wordt vaak de klemtoon gelegd op de belangrijke waarheid dat er maar één weg is naar het koninkrijk: de wedergeboorte. En de evange­lieprediker stelt het koninkrijk van God meestal gelijk aan “redding” en spreekt hierover in de zin van “rechtvaardig zijn voor God” of “ge­red zijn” of “het eeuwig leven ontvangen”, wat allemaal op zichzelf waar is. Maar men bedenkt niet wat de eigenlijke betekenis van dit woord is. Wat verstond Nicodémus onder dit koninkrijk? Hij dacht hierbij zeker aan dat koninkrijk dat de profeten van zijn volk voor­speld hadden, het koninkrijk dat beloofd was aan Israël, het konink­rijk dat er nu niet is, maar dat eens zal komen.

We kunnen volledig instemmen met de verklaring van de bekwame bijbeluitlegger F.W. Grant, iemand “die het woord der waarheid recht sneed”:

Het koninkrijk Gods is het koninkrijk dat door de profeten is aangekon­digd en waarop heel Israël wachtte. We moeten het niet beschouwen in de vorm dat het nu heeft aangenomen, nu de koning afwezig is en het be­stuur in de handen van de mensen is gegeven, maar als een koninkrijk, tot stand gebracht door kracht bij de komst van de Heer. Alleen een rest van Israël zal het binnengaan. Het karakter van dat koninkrijk heeft Jesaja duidelijk aangegeven (les. 4:34) met de woorden: “Te dien dage zal wat de Heer doet uitspruiten tot sieraad en heerlijkheid zijn, en de vrucht des lands tot glorie en luister voor de ontkomenen van Israël. En het zal geschieden, dat wie overgebleven is in Sion, overgelaten in Jeruzalem, hei­lig zal heten ‑ ieder die in Jeruzalem ten leven is opgeschreven, wanneer de Heer het vuil der dochters van Sion zal hebben afgewassen en de bloedvlekken van Jeruzalem daaruit zal hebben weggespoeld door de Geest van gericht en van uitdelging”. Daarna volgt een beschrijving van de heerlijkheid van Jeruzalem tijdens het duizendjarig rijk.
We kunnen daarom aannemen dat wanneer voor Israël de tijd van het ko­ninkrijk zal aanbreken, alleen zij die opnieuw geboren zijn, dat koninkrijk zullen binnengaan. Dit verwachtte een Jood als Nicodémus ook, op grond van de profetieën. Hij kon nog niets weten van de verborgen vorm van het koninkrijk, want dit was nog niet geopenbaard. De woorden van de Heer kunnen ook niet slaan op de tegenwoordige tijd waarin, zoals we in de gelijkenissen zien, goed en kwaad vermengd zijn: “de tarwe en het onkruid groeien samen op en de wijze en de dwaze maagden trekken samen op” (Numerical Bible).

Later in het gesprek met Nicodémus spreekt de Heer zijn verwonde­ring uit over de onwetendheid van deze grote leraar: “Zijt gij de leraar van Israël en weet gij dit niet?” Duidelijk staat in het profetisch woord van het oude testament vermeld dat de zegeningen en het herstel van Israël en het ingaan in het toekomstige aardse koninkrijk, dat opge­richt zal worden wanneer de Messias terugkomt op aarde, onlosmake­lijk verbonden zijn met de wedergeboorte van het overblijfsel van dit volk.

Dit vinden we bijvoorbeeld duidelijk in Ezechiël 36, dat spreekt over het herstel van Israël. Na de belofte: “Ik zal u weghalen uit de volken en u bijeenvergaderen uit alle landen en Ik zal u brengen naar uw ei­gen land” spreekt de Heilige Geest over de wedergeboorte van het volk: “Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt (vers 24‑28).

Israël zal in de toekomst het koninkrijk nooit kunnen binnengaan en in bezit nemen als zij niet wederom geboren zijn. Hetzelfde is ook waar wat betreft het binnengaan in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde in déze tijd (Kol. 1:13). Er is geen andere weg behalve de weg via de wedergeboorte. Wat een mens van nature ook is, en wàt hij ook van zichzelf gemaakt heeft ‑ een godsdienstig mens, een moreel hoog­staand mens, een mens met een goede ontwikkeling zoals Nicodémus ‑ niets kan hem brengen in de tegenwoordigheid en gemeenschap van een heilig God. Dit is de enige, onveranderlijke voorwaarde voor Jood en heiden: “Gij moet opnieuw geboren worden”.

Het zal u opvallen hoe abrupt onze Heer Nicodémus in de rede valt en dan wijst op die éne voorwaarde om het koninkrijk binnen te gaan. Wat een tegenstelling met de vrouw bij de put waarover we lezen in het volgende hoofdstuk! Beiden hadden de wedergeboorte nodig, hoewel de één gekleed was in het kleed van zijn eigen farizeïsche gerechtig­heid (die in de ogen van God ook slechts een bezoedeld kleed is), en de ander het kleed van een zedeloze vrouw droeg.

Toch sprak de Heer niet tegen de vrouw over de noodzakelijkheid van de wedergeboorte als voorwaarde om het koninkrijk binnen te gaan. De Heer heeft dat alleen maar gezegd tegen Nicodémus! Hij koos deze mens uit, de natuurlijke mens op zijn best, om de nadruk te leggen op het éne nodige: opnieuw geboren worden.


3:4‑8


4 Nicodemus zei tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Kan hij soms voor de tweede keer in de schoot van zijn moeder ingaan en geboren worden? 5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan. 6 Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest. 7 Verwonder u niet dat Ik u gezegd heb: U moet opnieuw geboren worden. 8 De wind waait waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heengaat; zo is ieder die uit de Geest geboren is.

Uit de vraag die Nicodémus hierop stelt, blijkt hoe onwetend de mens van nature is, ook al is hij in de ogen van de mensen een groot leraar en een godsdienstig leider. Hij is net zo onwetend als de Samaritaanse vrouw, die niet wist wat de Heer bedoelde met “levend water”.

In zijn antwoord maakt de Heer duidelijk wat Hij bedoelt met de we­dergeboorte: de geboorte uit water en Geest. En nog eens herhaalt de Heer dat het absoluut noodzakelijk is opnieuw geboren te zijn, als men het koninkrijk van God wil binnengaan.

“Wat uit het vlees geboren is, is vlees”, zo vervolgt de Heer. Dit is in de eerste plaats een antwoord op de opmerking van Nicodémus: “Kan hij voor de tweede maal in de moederschoot ingaan en geboren wor­den?” Zelfs al zou dat mogelijk zijn, het zou nog niet de weg openen naar het koninkrijk van God, want vlees (de gevallen natuur van de mens) kan alleen maar vlees voortbrengen. Deze belangrijke waarheid maakt de Heer hier bekend. De mens komt in de wereld met een geval­len, zondige natuur. Het hele menselijk geslacht is van nature niet in staat in de tegenwoordigheid van God te verkeren. Zowel Joden en Grieken zijn allen onder de zonde: tengevolge van de zonde is de hele wereld strafschuldig voor God” (Rom. 3:9 en 19). “Komt ooit een reine uit een onreine ‑ niet één” (Job 14:4).

In het eerste hoofdstuk is ook het woord “vlees” gebruikt: “En het Woord is vlees geworden”. Als de Zoon van God geboren was zoals ieder ander mens, dan zou Hij ook onder deze omschrijving vallen: dan zou Hij geboren zijn uit het vlees en daarom “vlees” zijn. Maar dan zou Hij nooit de Redder van de mensen kunnen worden!

De volmaakt heilige en zondeloze natuur en wandel van de Heer Jezus Christus kan alleen verklaard worden door zijn geboorte uit de Heilige Geest. We gaan hier op in omdat er critici zijn die durven te beweren dat het evangelie naar Johannes ons niets zegt over de bovennatuurlij­ke geboorte van Christus. Maar voor Hèm gold niet: “Wat uit het vlees geboren is, is vlees” ‑ want Hij is ontvangen en geboren door de Hei­lige Geest van God. Daarom is Hij heilig, zonder zonde en zonder de mogelijkheid om te zondigen. Elk ander mens is geboren uit het vlees en daarom vlees, zondig en ver verwijderd van God.

Dit vlees, deze zondige natuur, kan niet veranderd worden in iets be­ters, omdat zij door en door slecht is en alleen maar kwaad kan voort­brengen. De wortel is bedorven en daarom zijn de vruchten ook slecht. De Geest van God getuigt over deze natuur: “Zij die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen”. Het vlees “onderwerpt zich aan de wet van God niet, want het kan dat ook niet” (Rom. 8:7 en 8). Dit is be­langrijk. Waar dit ontkend wordt, blijft er van het evangelie niets over en wordt de waarheid van God geloochend. Omdat de natuur van de mens door en door slecht is, zelfs zonder een veronderstelde “Godde­lijke vonk” of een spoor van iets goeds, daarom kunnen de vruchten die het voortbrengt alleen maar slecht zijn. En niemand kan zichzelf verbeteren: een volkomen nieuwe natuur is nodig om het koninkrijk van God te kunnen zien en daarin binnen te kunnen gaan. Deze nieu­we natuur komt tot stand door de Geest van God; het is daarom een geestelijke, Goddelijke natuur. Alleen deze natuur kan verkeren in de tegenwoordigheid van Hem die haar gegeven heeft.

Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest .... Over deze tekst lopen de meningen uiteen. Het heeft weinig zin ze alle te vermel­den. Een veel voorkomende gedachte is dat deze tekst in verband staat met de doop. Dit is echter onjuist; de Heer spreekt helemaal niet over de doop, hoewel Hij het water noemt. Evenmin bedoelt Hij in het zes­de hoofdstuk het avondmaal, hoewel Hij spreekt over het eten van zijn vlees en het drinken van zijn bloed. Als de Heer hier de doop zou be­doelen, zou dit betekenen dat iedereen die gedoopt is het koninkrijk Gods kon binnengaan, en dat allen die gedoopt zijn ook het eeuwig leven zouden bezitten.

De doop is een beeld van de dood ‑ dat lezen we in Romeinen 6 en in Kolosse 2. In Rom. 6:3 lezen wij bijvoorbeeld: “Of weet gij niet, dat zovelen wij tot Christus Jezus gedoopt zijn, wij tot zijn dood ge­doopt zijn?” Maar de Heer spreekt hier niet over de doop, of over zijn dood en ons gestorven‑zijn met Hem, maar Hij spreekt alleen over het leven in verband met de nieuwe geboorte.

“De christelijke doop was nog niet ingesteld. Ook bestonden de feiten nog niet waarvan de doop een symbool is, namelijk de dood en opstan­ding van de Heer. Hoe zou Nicodémus dit dan ooit hebben kunnen begrij­pen? Bovendien geeft de Heer deze uitleg omdat Nicodémus niet begrijpt hoe iemand opnieuw geboren kan worden. En toch verwijt de Heer hem, de leraar in Israël, dat hij zo weinig kennis heeft; hij behoorde deze dingen te weten. Maar hij had dit nooit kunnen weten als de Heer hier zinspeelde op de christelijke doop, want dat was nog niet geopenbaard” (W. Kelly).

J.C. Ryle geeft een aantal redenen waarom hier van de doop geen sprake kan zijn.

1. Er staan in de tekst geen woorden of uitdrukkingen die spreken over de doop.

2. Dat het woord “water” hier “de doop” moet voorstellen is een be­wering waarvoor geen enkel bewijs in de bijbel is te vinden. Het is een ongemotiveerde veronderstelling die geen steek houdt.

3. Als het water hier de doop betekent, dan zou de doop een absolute voorwaarde zijn om gered te worden: alle mensen die sindsdien ongedoopt gestorven zijn zouden dan verloren zijn.

4. Als we de theorie aannemen dat de doop het middel is om wederge­boren te worden, en dat alle gedoopte personen dan ook wederge­boren zijn, dan moeten we wel bedenken dat deze leer schadelijke en gevaarlijke gevolgen heeft.

5. Als de Heer spreekt over de doop, dan is het moeilijk te begrijpen waarom Hij Nicodémus zijn onwetendheid verwijt.

6. Als het water hier de doop betekent dan is het merkwaardig dat er zo weinig over de doop wordt gesproken in de brieven. Paulus dankte God dat hij van de inwoners van Korinthe niemand gedoopt had dan Crispus en Gajus. Dit zou hij nooit gezegd hebben als alle personen die hij doopte, hierdoor wedergeboren zouden zijn. We kunnen ons niet voorstellen dat Paulus zou zeggen: “Ik dank God dat ik niemand van jullie heb doen wedergeboren worden”.

De doop op zichzelf kan geen nieuw leven bewerken; evenmin is de doop een noodzakelijke voorwaarde om gered te worden. Het water is hier een beeld van het Woord van God. Dit zien we ook in hoofd­stuk 13 in verband met de voetwassing en in Efeze 5:26: “haar rei­nigend door de wassing met water door het Woord”:

De volgende teksten geven ook duidelijk aan dat hier het Woord van God bedoeld is: “Want in Christus Jezus heb ik u door het evangelie verwekt” (1 Kor. 4:15). “Naar zijn eigen wil heeft Hij ons voortge­bracht door het woord der waarheid” (Jak. 1:18).

“Wedergeboren, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levend en blijvend Woord van God”(1 Petr. 1:23).

Deze laatste tekst moet op zichzelf al voldoende zijn om aan te tonen dat wedergeboorte niet bewerkt kan worden door de doop. De Geest van God gebruikt het Woord van God om de nieuwe geboorte tot stand te brengen. Het geloof is door het gehoor en het gehoor is door het Woord van God. Als het Woord geloofd en aangenomen wordt, bewerkt de kracht van de Geest de nieuwe geboorte en de gelovige ontvangt een nieuwe natuur en het eeuwige leven.

Misschien mogen we het Woord van God de “moeder” noemen van allen die wederom geboren zijn en de Heilige Geest de “vader”. Petrus zegt ook dat we als pasgeboren kinderen begerig moeten zijn naar de onvervalste, redelijke melk van het Woord, opdat wij daardoor op­groeien (1 Petr. 2:2).

Dit is hier de enige betekenis van het woord water: het geschreven, le­vend en blijvend Woord van God.

Deze nieuwe geboorte, die ontstaat door geloof in het Woord van God en door de Heilige Geest, is dus noodzakelijk, willen we het koninkrijk van God binnengaan. Alleen langs deze weg worden we verlost uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Gods liefde.

Hetzelfde geldt voor Israël: alleen door de wedergeboorte kunnen de Israëlieten straks het koninkrijk binnen gaan. Het gelovige overblijf­sel van Israël zal dan wedergeboren zijn en het volk zal een grote na­tionale herleving meemaken (Ezech. 36).

Daarna zegt de Heer: “Verwonder u niet dat ik u gezegd heb: Gij moet opnieuw geboren worden”. Nicodémus moet zich hierover niet verwon­deren: en nóg eens herhaalt de Heer zijn woorden. Dat maakt wel dui­delijk hoe belangrijk de nieuwe geboorte is. Wat voor vorderingen de wetenschap maakt in deze eeuw, de voorwaarde die de Zoon van God hier stelt kan nooit veranderd worden: Gij moet opnieuw geboren worden!

Alford leest in deze woorden van de Heer een bewijs van zijn eigen bo­vennatuurlijke geboorte: De Heer kon niet van Zichzelf zeggen, wat Hij hier tegen Nicodémus zegt. Hij zegt “gij” ‑ niet: “wij moeten we­derom geboren worden”. Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en daar­om ongeschikt voor het koninkrijk van God. Maar Hij is niet uit het vlees geboren. Daarom sluit Hij Zichzelf uit als Hij spreekt over de noodzaak van de nieuwe geboorte.

Dan zegt de Heer: “De wind waait waarheen hij wil en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij heengaat: zo is een ieder die uit de Geest geboren is” (vers 8). Dat ziet op de verbor­gen en onbegrijpelijke werking van de Geest van God bij de nieuwe ge­boorte.


3:9‑13


9 Nicodemus antwoordde en zei tot Hem: Hoe kunnen deze dingen gebeuren? 10 Jezus antwoordde en zei tot hem: Bent u de leraar van Israël en weet u deze dingen niet? 11 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken wat Wij weten en Wij getuigen wat Wij hebben gezien; en u neemt ons getuigenis niet aan. 12 Als Ik u de aardse dingen heb gezegd en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik u de hemelse zeg? 13 En niemand is opgevaren in de hemel dan Hij die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des mensen .

Voor de derde maal doet Nicodémus zijn mond open, en het is zijn laatste antwoord aan de Heer. Hij was het gesprek begonnen door te zeggen dat hij in Hem geloofde als een leraar, van God gekomen. Daarna had de Heer hem verteld over de nieuwe geboorte, de enige weg om het koninkrijk van God binnen te gaan. Hierop had Nicodé­mus een antwoord gegeven dat van zijn onbegrip getuigde. Vervol­gens had de Heer gesproken over de zondige natuur van de mens en de noodzaak van de nieuwe geboorte door water en Geest, alsook over de onverklaarbare werking van de Heilige Geest. Het enige wat Nicodé­mus hierop weet te zeggen is: “Hoe kan dit gebeuren?” Dit is het be­wijs dat deze grote leraar in Israël blind is voor de geestelijke dingen. Elk mens is van nature blind! Pas als onze ogen geopend zijn beseffen we hoe blind we waren, zoals de blinde man die door de Heer genezen werd: “Een ding weet ik, dat ik blind was en nu zie” (Joh. 9:25).

Nicodémus toonde zijn onwetendheid, zelfs in eenvoudige dingen die hij als de leraar van Israël had moeten weten. “Zijt gij de leraar van Is­raël en weet gij dit niet?” Als de leraar van Israël had hij door zijn studie van de Schrift toch moeten weten dat Israël, voordat het volk het beloofde koninkrijk zou binnengaan en in bezit nemen, niet al­leen besneden naar het vlees, maar besneden van hart moest zijn. De Heer had over aardse dingen gesproken, en niet over hemelse dingen, niet over onze bedeling en over de gemeente met haar hemelse roe­ping. Aan Israël echter was een heerlijk koninkrijk beloofd hier op aarde. De Schrift zegt duidelijk dat alleen het wedergeboren overblijf­sel van Israël het land zal binnengaan en zal genieten van de zegenin­gen van het duizendjarig rijk.

“Ik zal de weerspannigen uit u uitschiften en hen die tegen Mij over­treden hebben; wel zal Ik hen leiden uit het land waarin zij als vreem­delingen vertoeven, maar in het land van Israël zullen zij niet komen. En gij zult weten, dat Ik de Heer ben” (Ezechiël 20:38).

“In het gehele land, luidt het woord des Heren, zullen twee derden uit­geroeid worden en de geest geven, maar een derde zal daarin overblij­ven.

Dat derde deel zal Ik in het vuur brengen en Ik zal hen smelten, zoals men zilver smelt, ja hen louteren, zoals men goud loutert. Zij zullen mijn naam aanroepen en Ik zal hen verhoren. Ik zeg: Dat is mijn volk; en zij zullen zeggen: De Heer is mijn God” (Zach. 13:8 en 9).

De goddelozen, de afvalligen in Israël kunnen het koninkrijk niet bin­nengaan. In de Psalmen en in de Profeten lezen we vaak van de nood­zaak van een geestelijke wedergeboorte van Israël in verband met het komende koninkrijk. Psalm 15 begint bijvoorbeeld met de vraag: “Heer, wie mag verkeren in uw tent? Wie mag wonen op uw heilige berg?” Als antwoord vinden we de eis van rechtvaardigheid, het gevolg van de nieuwe geboorte. Of in Psalm 73: God is goed voor Israël, Hij zal al zijn beloften vervullen “voor hen die rein van hart zijn”.

Het nieuwe verbond dat met Israël opgericht zal worden staat in ver­band met de nieuwe geboorte. “Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des He­ren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrij­ven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn ... Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer geden­ken” (Jer. 31:33, 34). Maar de duidelijkste profetie over dit onder­werp hebben we in het voorgaande al vermeld, namelijk Ezechiël 36:23‑36.

Al ver van te voren had de Heer door Mozes de verstrooiing van het volk aangekondigd, hun terugkeer in berouw en hun nieuwe geboorte: “En de Heer, uw God, zal uw hart en het hart van uw nakroost be­snijden, zodat gij de Heer, uw God, liefhebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft” (Deut. 30:6).

De Heer had gesproken over aardse dingen: het koninkrijk op aarde en de voorwaarden om er binnen te gaan. Maar Nicodémus begreep deze eenvoudige dingen niet ‑ en toch hadden de profeten van het oude testament erover geprofeteerd!

De Heer sprak hier nog niet met Nicodémus over “de hemelse dingen”: de volheid van verlossing, het één‑zijn met Christus, de gave van de Heilige Geest, de gemeente als het lichaam en de volheid van Christus. Hieruit kunnen we twee belangrijke conclusies trekken: allereerst dat de waarheid van God een aards en een hemels aspect heeft. Het aardse aspect is het koninkrijk dat aan Israël beloofd is (in Mattheüs het “ko­ninkrijk der hemelen” genoemd); het hemelse aspect is de gemeente met haar hemelse roeping en haar hemelse bestemming.

Het tweede is dat de Heer hier spreekt over het aardse aspect van de waarheid. Het hemelse aspect is pas bekend gemaakt nadat de Heilige Geest op aarde kwam.

Daarna openbaart de Heer aan Nicodémus wie Hij is. Niet “een groot leraar”, maar Iemand die uit de hemel is neergedaald; en hoewel Hij op aarde is in de gedaante van een mens, is Hij op hetzelfde ogenblik in de hemel. We willen de woorden die de Heer hier spreekt in vers 13 nader bezien.

En niemand is opgevaren in de hemel”. Is dit niet in tegenspraak met het feit dat Henoch en Elia opgenomen zijn in de hemel zonder te sterven? Dat hangt er maar van af wat we verstaan onder de hemel. De hemel waarover de Heer hier spreekt is de woonplaats van God. In deze hemel is nog nooit een mens binnengegaan (vgl. Hand. 2:34). Ook geen enkele gelovige is daar binnengegaan nadat de Heer Jezus opgevaren is naar de hemel en daar zijn plaats ingenomen heeft aan de rechterhand van God.

De dag dat de verlosten in die hemel gebracht zullen worden is nog toekomstig. Hier in vers 13 spreekt de Heer over Zichzelf. In Efeze 4:10 lezen we: “Hij die neergedaald is, is dezelfde die ook opgevaren is boven alle hemelen, opdat Hij alles vervullen zou”.

We mogen naast deze woorden van de Heer Spreuken 30:4 leggen: “Wie klom op ten hemel en daalde weer neder, wie heeft de wind in zijn vuist verzameld? Wie heeft de wateren saamgebonden in zijn kleed? Wie heeft al de einden der aarde vastgesteld? Hoe is zijn naam en hoe de naam van zijn zoon? Gij weet het toch?”

Maar waarom spreekt de Heer hier eerst over “opgevaren in de hemel” en dàn over “neergedaald” uit de hemel? De Heer spreekt hier profe­tisch. Hij ziet vooruit in de toekomst. Dit zien we vaker in dit evange­lie. De Heer zegt bijvoorbeeld ook in zijn gebed in hoofdstuk 17: “Ik ben niet meer in de wereld” (vers 11) ‑ en toch was Hij nog in de wereld.

De Heer ziet dus vooruit naar zijn hemelvaart. Eérst daalde Hij neer; éérst kwam Hij uit de hemel. Dit is weer een bewijs dat Hij al bestond voor Hij als mens op aarde kwam, een bewijs van zijn Godheid, even­als de woorden “de Zoon des mensen, die in de hemel is”.

Sommigen hebben deze uitspraak willen veranderen: “de Zoon des mensen, die in de hemel was”. Op zichzelf is dit ook waar, maar het staat hier niet in deze tekst. “De Zoon des mensen die in de hemel is” getuigt van zijn alomtegenwoordigheid als God. Terwijl Hij op de aarde leefde als mens, was Hij in dezelfde tijd in de hemel; als God was Hij in de hemel, als mens was Hij op de aarde. En dit geldt voor de hele tijd dat de Heer op aarde was. Hij legde zijn Godheid niet af toen Hij op aarde kwam in de gestalte van een dienstknecht. Dit evangelie laat ons drie kenmerken van zijn Godheid zien: zijn almacht, zijn al­wetendheid en zijn alomtegenwoordigheid.

De uitdrukking “die in de hemel is” is één van de vele uitdrukkingen in het nieuwe testament die alleen maar uitgelegd kunnen worden als we zien op de Godheid van Christus. Het kan onmogelijk van enig an­der mens gezegd worden, dat hij, terwijl hij spreekt op aarde, ook in de hemel is. Als dit echter van Christus gezegd wordt is het volkomen waar en gepast. Hij hield nooit op God te zijn toen Hij mens werd. Hij was bij God en Hij was God. Toen Hij sprak met Nicodémus was hij tegelijk God in de hemel.

De uitleg van het eerste gedeelte van vers 13, dat Christus opgevaren is in de hemel na zijn doop en daar mededelingen ontving over het evan­gelie dat Hij zou prediken, is ronduit dwaas; het is een theorie die uit­gevonden is om een schijnbare moeilijkheid op te lossen.

Toch is het eind van dit vers niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Er staat duidelijk dat “Hij uit de hemel is neergedaald” èn dat “Hij in de hemel is”.


3:14‑17


14 En zoals Mozes de slang in de woestijn heeft verhoogd, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, 15 opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. 16 Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. 17 Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou oordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden.

In het vorige vers sprak de Heer over de Zoon des mensen die in de hemel is. Nu spreekt de Heer over de Zoon des mensen die verhoogd moest worden. Nicodémus moet, als leraar van Israël, geweten hebben dat de profeet Daniël over de Messias gesproken heeft als de Zoon des mensen. Daniël zag in een droomgezicht de “mensenzoon” komen met de wolken des hemels om het koninkrijk in bezit te nemen. Nico­démus verwachtte, mèt het volk Israël, de komst van de Messias om zijn koninkrijk op te richten. Maar hij had het feit over het hoofd gezien dat dezelfde profeet ook gesproken had over de verwerping van de Messias. “Een gezalfde zal worden uitgeroeid terwijl er niets tegen hem is” (Daniël 9:26). De Heer maakt Nicodémus duidelijk dat het lij­den vóór de heerlijkheid moet komen. De Zoon des mensen, die de troon van zijn vader David zal krijgen en het beloofde koninkrijk, moet eerst verhoogd worden.

Dit is het tweede “moeten” in dit hoofdstuk. De mens moet wederom geboren worden om het koninkrijk Gods te zien en binnen te gaan. De Zoon des mensen moet verhoogd worden, opdat de mens die dood is in misdaden en zonden, het eeuwige leven kan ontvangen en niet verloren zal gaan. De woorden van de Heer geven het antwoord op de vraag: “Hoe kan dit gebeuren?” Het antwoord luidt: de Zoon des mensen moet verhoogd worden!

Wat bedoelt de Heer met de woorden: “de Zoon des mensen moet ver­hoogd worden”? Hij doelt op zijn lijden en sterven aan het kruis. Jo­hannes 12:32‑33 maakt dat duidelijk: “Als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken. En dit zei Hij om aan te duiden welk een dood Hij sterven zou”.

De gebeurtenis in de woestijn, toen Mozes een koperen slang op een staak plaatste, wijst symbolisch op hetzelfde feit (Num. 21:4‑9). De Heer zond vurige slangen onder het volk als straf; wie door een slang gebeten was moest sterven. Maar toen zij riepen: “Wij hebben gezon­digd”, gaf de Heer hen een middel om gered te worden: Mozes moest een koperen slang maken en die op een staak plaatsen. Ieder die gebe­ten was en daarnaar keek, zou in leven blijven.

Deze koperen slang is zorgvuldig bewaard door het volk Israël en is later gebruikt als een voorwerp van afgoderij (precies zo als men in de Rooms‑katholieke kerk gedaan heeft met het kruis), tot koning Hizkia het ding stuk sloeg (2 Kon. 18:4). En toch beweert de Rooms-katholieke kerk in Milaan de originele koperen slang te hebben, die door Mozes gemaakt is!

We zien de hemelse wijsheid van onze Heer in het feit dat Hij deze ge­beurtenis weet te gebruiken als een voorbeeld van de verlossing. Daar­uit blijkt ook dat we symbolische lessen kunnen leren uit voorvallen in het oude testament. “Al deze dingen zijn hun overkomen tot voor­beelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons” (1 Kor. 10: 11). De toestand in de legerplaats van Israël is een beeld van de ver­woesting die de zonde aanricht, van het loon van de zonde: de dood. Het dodelijke gif van de zonde werkt in de mens, en de mens is geestelijk dood. De koperen slang, geplaatst op een paal, is een beeld van Christus’ lijden en sterven aan het kruis. Die koperen slang leek precies op de slangen die de Israëlieten beten, maar ze had geen gif­tanden; er zat geen vergif in. Ofschoon ze leek op de slang, het beeld van de zonde, was ze onschadelijk.

Zo verscheen de Zoon des mensen in de gedaante van een mens, “in een gedaante gelijk aan het vlees van de zonde” (Rom. 8:3), maar Hij was zónder zonde; Hij kende de zonde niet. Maar toen Hij verhoogd werd aan het kruis, werd Hij die geen zonde kende, voor ons tot zonde gemaakt en door de offerande van Zichzelf voor de zonde nam Hij de zonde weg. Toen Hij aan het kruis hing droeg Hij de vloek en verloste allen die in Hem geloven van de vloek door voor hen een vloek te wor­den. Want er staat geschreven: “Vervloekt is een ieder die aan het hout hangt” (Gal. 3:13).

Wanneer de Israëliet omhoog keek naar de verhoogde koperen slang, zag hij een voorstelling van de macht van God over dat wat de dood bracht, de macht van God om te redden, de macht van God om de dood een halt toe te roepen en het leven te geven. Wie naar de kope­ren slang keek, bleef in leven. Zo is het ook voor ons. Als we ons oog richten op het kruis van Golgotha, zien we de macht van God om te redden. Onze oude mens is met Christus gekruisigd, opdat het lichaam der zonde teniet gedaan zou zijn, zodat we voortaan de zonde niet meer hoeven te dienen (Rom. 6:6). Wij zijn bevrijd van de schuld en van de macht van de zonde; de dood is teniet gedaan en we hebben het leven ontvangen, ja zelfs eeuwig leven. De Israëliet die ten dode opgeschreven stond werd niet gered door een natuurlijk verbeterings­proces of door een geleidelijk herstel, maar door een plotselinge bovennatuurlijke openbaring van de macht van God. Wat zijn deze voorafschaduwingen van onze redding geweldig mooi!

De vraag van Nicodémus over de nieuwe geboorte, “Hoe kan dit ge­beuren?”, is in deze verzen prachtig mooi beantwoord door de Heer.

Christus stierf voor goddelozen, en geloof in Hem betekent redding van het eeuwige oordeel en de gave van het eeuwig leven. Het is haast niet te geloven!

Precies zo ging het met de Israëliet die in eenvoudig geloof het Woord van God aannam, die geloofde dat het wáár was en toen keek naar de koperen slang op de paal. Dit is de manier om gered te worden. Zo was het al aangekondigd lang voordat de Heer deze woorden van leven sprak tot de leraar van Israël: “Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden der aarde” (Jes. 45:22).

Door een blik op het kruis is er leven en heil,
is er leven voor u en voor mij.
Zie gelovig op Hem, wordt behouden en leef,
want verlossing biedt Jezus u vrij.
Zie, zie, zie en leef Door een blik op het kruis is er leven en heil,
is er leven voor u en voor mij.

Wat is het nodig in onze tijd vast te houden aan deze belangrijke waar­heid aangaande onze behoudenis. In veel evangelische kerken, die eeuwenlang vastgehouden hebben aan de prediking van het evangelie van genade, staan nu mannen op die beweren dat de mens niet behou­den wordt enkel door geloof. Het zijn mensen die de woorden van de Heer Zelf loochenen. Veel moderne theologen zien in het sterven van de Heer slechts een daad van zelfopoffering, een martelaarsdood; zij ontkennen het verzoenend lijden en sterven van de Heer. Zij spotten met de uitdrukking “plaatsvervangend lijden”. Laat men echter wel bedenken dat er geen redding mogelijk is als men deze dingen ver­werpt.

Wie is in staat een uitleg te geven van Johannes 3:16? “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft”. We zeggen niet te veel als we beweren dat dit de mooiste tekst uit de bijbel is. Luther zei: “Ik houd geweldig veel van deze tekst”. En zo gaat het ons ook. Elke christen die het evangelie kent heeft deze tekst boven alles lief en waardeert hem meer dan al de rijkdommen van de wereld. De uitleg die Maarten Luther gaf over deze tekst is altijd nog één van de beste:

1. Wie is de gever?

De Gever is geen mens, geen keizer, en zelfs geen engel, maar de ver­heven, eeuwige Majesteit, God Zelf. In vergelijking met Hem zijn alle mensen stof en as. Hij is geen tuchtmeester die alleen iets van ons vraagt. Hij is geen verterend en verslindend vuur. Hij is een rij­ke, eeuwig stromende bron van genadegaven.

2. Waarom heeft God gegeven?

Wat was de oorzaak, het motief van deze gave? Alleen maar zuive­re, onuitsprekelijke liefde. God geeft niet uit plicht, maar op grond van zijn eigen goedheid. Hij is een God die gráág geeft, wiens vreug­de het is te geven. Hij geeft zonder bijbedoelingen. Hij geeft vrij, zonder een wederprestatie te vragen.

3. Wat heeft God gegeven?

Wat heeft Hij gegeven? Niet de hemel en de aarde en alles wat zij bevatten, maar zijn Zoon, die in zijn grootheid aan God gelijk is. Het is een eeuwige, onbegrijpelijke gave, de bron en de fontein van alle genade, goedheid en goedertierenheid. Deze gave garandeert het bezit van eeuwige dingen en schatten. Wanneer God zijn Zoon geeft, wat onthoudt Hij ons dan nog? Wat geeft Hij niet? Ja, Hij geeft Zichzelf volkomen (Rom. 8:32).

4. Hoe is de Zoon gegeven?

Zie op Hem: wat Hij gedaan heeft, hoe Hij geleden heeft, hoe de toorn van God op Hem neerkwam toen Hij de straf droeg voor de zonde. Dit is de hoogste vorm van geven.

5. Aan wie is dit alles gegeven?

Dit is in één woord gezegd: aan de “wereld”. Wat een liefde zien we in deze gave! Want wat is de wereld? Bestaat zij niet enkel en alleen uit mensen die God niet vrezen, niet liefhebben en niet ver­trouwen? Uit mensen die ongehoorzaam zijn, moordenaars en die­ven, vijanden van God? Uit mensen die alleen gehoorzamen aan de duivel, de grote vijand van God?

6. Wat zijn de geweldige gevolgen van deze gave?

“Opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft”. De duivel is overwonnen; in plaats van angst en moedeloosheid is er nu vreugde en hoop, in plaats van eeuwige

7. Hoe kan deze gave ontvangen worden?

ondergang en dood is er nu eeuwig, onvergankelijk leven. “Opdat een ieder die in Hem gelooft ...” Door het geloof! Alleen het geloof is de sleutel tot deze kostbare schatten, die de wereld niet kan bevatten.

Hoe mooi deze uitleg van Luther ook is, het zijn slechts de stamelen­de woorden van een kind. Als Luther vanuit de hemel tot ons kon spreken, zou hij toegeven hoe onvolkomen en zwak zijn woorden wa­ren.

Wij geloven dat met “de wereld” die God liefhad de hele mensenwe­reld bedoeld is (zoals Luther het ook zag). Sommigen beweren dat met “de wereld” bedoeld is alleen de mensen die uitverkoren zijn voor de grondlegging van de wereld, terwijl de rest voorbestemd is om ver­loren te gaan. Dit is echter geen gezonde leer.

Ryle schreef hierover:

“Als we de liefde van God beperken tot degenen die uitverkoren zijn, hebben we een bekrompen gedachte over God en geven wij voedsel aan de gedachte die in de wereld leeft, dat het christendom wreed en on­rechtvaardig is voor de goddelozen. Ik geloof in de uitverkiezende liefde van God de Vader, net als ieder andere christen. De bijzondere liefde die God heeft voor al zijn schapen die Hij aan Christus gegeven heeft van eeuwigheid af, is voor mij een kostbare en vertroostende waarheid. Maar dit is niet de waarheid van Johannes 3:16”.

Calvijn zegt van deze tekst:

“Christus bracht het leven omdat de Vader in de hemel het menselijk ge­slacht liefheeft en niet wil dat zij verloren gaat. Christus gebruikte de algemene bewoording “een ieder” om onbevooroordeeld alle mensen uit te nodigen deel te hebben aan het leven, maar ook om elk excuus van on­gelovigen af te snijden. Dit is de strekking van deze uitdrukking “de we­reld”.

En wie is in staat een volledige uitleg te geven van het kleinste woordje in deze tekst, namelijk het woordje “zo”? Geen tong, geen pen kan de volle betekenis van deze twee letters weergeven.

Ook de woorden “Hij heeft gegeven” hebben een geweldige inhoud.

Christus is de gave van God aan een verloren, zondige wereld. Hij is gegeven als de Redder, de Verlosser, de Vriend van zondaars. Door het werk van Christus kan aan alle mensen verzoening en verlossing wor­den aangeboden. Om dit mogelijk te maken gaf de Vader Hem vrijwil­lig over om veracht, verworpen, bespot, gekruisigd en vervloekt te worden, ter wille van ons.

“Hij is overgegeven om onze overtredingen” (Rom. 4:25).

“God heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgegeven” (Rom. 8:32).

Christus is “de gave van God”, waarover Hij sprak met de Samaritaan­se vrouw (Joh. 4:10).

“God zij dank voor zijn onuitsprekelijke gave!” (2 Kor. 9:15).

Christus Zelf zei tot de vijandige Joden: “Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel” (Joh. 6:32). Met deze tekst legde Erskine zijn te­genstanders in Schotland het zwijgen op toen zij hem ervan beschul­digden dat hij het heil in Christus te vrij aanbood aan zondaars.

We willen er nog op wijzen dat de Heer Zichzelf hier de “eniggeboren Zoon van God” noemt. In vers 14 noemde Hij Zich “de Zoon des mensen”. Hier worden beide namen gebruikt om aan Nicodémus dui­delijk te maken dat de Heer twee naturen heeft: Hij is niet alleen de Zoon des mensen, maar ook de Zoon van God. Maar het is opmerke­lijk dat op beide plaatsen precies dezelfde woorden gebruikt worden die spreken over geloven in Hem. “Opdat een ieder die in Hem ge­looft ...”. Als we gered willen worden moeten we in Hem geloven als de Zoon des mensen en de Zoon van God.

Deze tekst is onuitputtelijk; wij zijn niet in staat hier alles over te zeggen. We willen nog de aandacht vestigen op de uitdrukking “niet verloren gaan”. Geen mens weet wat het betekent om verloren te gaan. Toch was dit van nature onze bestemming: een eindeloos, be­wust bestaan in de buitenste duisternis, beladen met de ondragelijke last van de zonde.

Evenmin verstaan we de volle betekenis van de eeuwige heerlijkheid, waarin God zijn kinderen zal brengen. Pas wanneer we zullen kennen zoals we gekend zijn, wanneer we niet meer zien door een donker glas, wazig, maar van aangezicht tot aangezicht, zullen we de hoogte en diepte van Johannes 3:16 enigszins kunnen meten.

In vers 17 zegt de Heer tot Nicodémus dat God Hem niet in de wereld gezonden heeft opdat Hij de wereld zou oordelen, maar opdat de we­reld door Hem behouden zou worden. In hoofdstuk 12 zegt de Heer: “Want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om de wereld te behouden” (vers 47).

Het profetisch woord van het oude testament laat ons de Messias zien als de Rechter van de volken en van de goddelozen, zowel Joden als heidenen. Zijn komst betekent oordeel en gerechtigheid. De gerechtig­heid zal op aarde heersen door Hem als Koning der koningen.

Nicodémus en de Joden die de beloofde Messias en het koninkrijk ver­wachtten verwachtten dat Hij zou komen als de Rechter. Maar zij be­seften niet dat zijn tweede komst het oordeel zou brengen dat de profeten hadden aangekondigd en dat pas dan de troon van gerechtig­heid opgericht zal worden. Bij zijn eerste komst zouden deze beloften niet vervuld worden. Net zoals de Joden toen blind waren voor het doel van zijn eerste komst is de christenheid nu blind voor zijn tweede komst. Het doel van zijn eerste komst is voor de wereld een deur te openen om gered te kunnen worden. Die redding wordt aan de hele wereld aangeboden; degenen die in Hem geloven zijn gered.

Maar het betekent niet dat nu alle mensen gered worden. Wanneer de gemeente, het lichaam van Christus, kompleet is, zullen alle gelovigen opgenomen worden. Dan vindt de tweede komst van de Heer plaats en zal de wereld worden geoordeeld in gerechtigheid.

Het is merkwaardig dat de mens van nature geneigd is Christus meer te bezien als een Rechter dan als een Redder. Ook bij de Rooms‑katho­lieke kerk heerst deze gedachte. Men leert de mensen om bang te zijn voor Christus en te vluchten naar de maagd Maria! Vele onwetende protestanten zijn vaak niet beter. Ook zij bezien Christus als een soort Rechter aan wiens eisen zij moeten voldoen, in plaats van Hem te be­schouwen als hun persoonlijke Heiland en Vriend. Het schijnt dat de Heer deze verkeerde gedachte over Hem heeft voorzien, en ze in de woorden van deze tekst heeft willen corrigeren.

3:18‑21


18 Wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld; maar wie niet gelooft is al geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God. 19 En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen, en de mensen hebben de duisternis meer liefgehad dan het licht, want hun werken waren boos. 20 Want ieder die kwade dingen bedrijft, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet bestraft worden. 21 Maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden dat zij in God zijn gewerkt.

Zoals we in het vorige vers zagen is de Zoon van God niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld zou oordelen. In vers 18 zien we dat wie niet gelooft reeds geoordeeld is. De wereld is in zekere zin al geoordeeld, want “de hele wereld ligt in het boze”, ja, “de hele wereld is strafschuldig voor God” (1 Joh. 5:19; Rom 3:19). Maar de zondaar die gelooft in de Zoon van God is niet meer onder het oordeel. “Voor­waar, voorwaar, Ik zeg u: wie mijn woord hoort en gelooft Hem die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in het oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven” (Joh. 5:24).

Ernstig zijn deze woorden: “Wie niet gelooft is reeds geoordeeld”. Als iemand blijft in zijn schuldige toestand voor God, blijft de toorn van God op hem (vers 36). Hij is geoordeeld omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God. Ongeloof is een zonde waarop het oordeel moet volgen.

Er is niets dat God zó beledigt en zijn toorn zó opwekt als het afwij­zen van de redding waarin God voorzien heeft ten koste van zo’n hoge prijs, namelijk de dood van zijn eniggeboren Zoon. Het staat ge­lijk met zelfmoord als de mens zich afkeert van het enige middel dat hem redding kan brengen. Hoe vuil en afkeurenswaardig andere zon­den ook mogen zijn ‑ niet in Christus geloven betekent: de deur aan onze kant dicht doen en voor onszelf de weg naar de hemel versper­ren. Het was een grote zonde toen Judas Iskariot de Heer verraadde en Hem overleverde in de handen van de vijand, maar het was een nog grotere zonde dat hij daarna niet in de Heer geloofde en Hem niet om vergeving vroeg. Zijn daad was een gevolg van zijn geldzucht, boosheid en ondankbaarheid. Maar dat hij de Heer daarna niet in geloof opzocht, laat zien dat hij niet geloofde in de liefde en genade van de Heer en in zijn macht om te redden.

Luther zei hierover:

“Voortaan kan iemand die geoordeeld wordt niet de schuld geven aan Adam of aan zijn erfzonde, want het Zaad van de vrouw, dat overeenkomstig Gods belofte de kop van de slang zal ver­morzelen, is gekomen; en Hij heeft verzoening aangebracht voor de zonde en heeft het oordeel weggenomen. Maar zo iemand moet de schuld bij zichzelf zoeken omdat hij Christus niet heeft geloofd en Hem niet heeft aangenomen. Als iemand niet in Hem gelooft, blijft hij in zijn zonden en moet het oordeel volgen”.

Deze geweldige uitspraak van de Heer is nu nog even waar als toen Hij deze woorden sprak. Maar dan moeten we denken aan de mensen om ons heen. Ieder mens ‑ het doet er niet toe welke godsdienstige belij­denis hij erop na houdt ‑ die niet gelooft in de Zoon van God, is ge­oordeeld, is verloren! Aan óns is de taak het evangelie te brengen om te getuigen van deze geweldige waarheid.

En dit is het oordeel: dat Hij, het licht, in de wereld gekomen is. Door zijn komen in de wereld is duidelijk geworden wat er in het hart van de mens leeft. Omdat de mens een boos hart heeft en zijn werken boos zijn, heeft hij de duisternis liever gehad dan het licht. Zo was het toen bij de Joden en zo is het nu nog. Het licht van het evangelie schijnt nog altijd; het heeft al langer dan negentienhonderd jaar ge­schenen. Toch heeft de mens nog altijd de duisternis liever en wijst hij het licht af, De grootste tragedie in het leven van een mens is dat hij het licht, het evangelie, het kruis afwijst; want dat beslist zijn eeuwige bestemming.

“De woorden “want hun werken waren boos”, zijn heel leerzaam. Zij le­ren ons dat wanneer een mens geen liefde heeft voor Christus en het evan­gelie en Hem niet wil aannemen, het uiteindelijk zal blijken dat zijn leven en zijn werken boos zijn geweest, hoewel hij misschien niet in grove zon­den heeft geleefd ‑ misschien heeft hij voor het oog keurig geleefd. Maar de dag van het oordeel zal aantonen dat zijn werken boos zijn geweest.
Afwijzing van het evangelie gaat altijd samen met een morele afwijking. Als iemand “nee” zegt tegen Christus, kunnen we er zeker van zijn dat er iets in het hart of in het leven van die persoon niet juist is. Als iemand een afkeer heeft van het licht dan zijn zijn werken boos. De ogen van mensen zien misschien niet wat fout is, maar het alziend oog van God wèl.
Dit vers laat ons de dwaasheid zien van alle excuses die mensen kunnen bedenken als ze het evangelie niet aannemen. Sommigen willen het eerst met hun verstand begrijpen; anderen weten niet of ze wel uitverkoren zijn; weer anderen zeggen dat ze zichzelf onmogelijk kunnen veranderen. In het licht van dit vers zijn dit allemaal uitvluchten. Mensen komen niet tot Christus en blijven onbekeerd omdat ze het gewoon niet willen. Zij hebben andere dingen meer lief dan het licht. De uitverkorenen bewijzen zelf dat ze uitverkoren zijn door te kiezen voor de dingen die volgens de gedachten van God zijn. De mensen die verloren gaan bewijzen zelf dat ze bestemd zijn om verloren te gaan door de dingen die tot hun onder­gang leiden te kiezen. lief te hebben en te volgen”. (Ryle).

Wie de waarheid doet, wie oprecht gelooft, komt tot het licht en wan­delt in het licht en zo worden zijn werken openbaar dat zij in God ge­daan zijn. Die werken zijn de vruchten van zijn nieuwe natuur die hij ontvangen heeft toen hij in de Zoon van God geloofde.


3:22‑36


22 Daarna kwam Jezus met zijn discipelen in het land van Judea en hield Zich daar met hen op en doopte. 23 En ook Johannes doopte, in Enon bij Salim, omdat daar veel water was. En zij kwamen daar bij hem en werden gedoopt. 24 Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. 25 Er ontstond dan een woordenstrijd bij sommigen van de discipelen van Johannes met een Jood over reiniging. 26 En zij kwamen naar Johannes toe en zeiden tot hem: Rabbi, Hij die met u was aan de overkant van de Jordaan, van Wie u hebt getuigd, zie, Hij doopt en allen komen naar Hem toe. 27 Johannes antwoordde en zei: Een mens kan helemaal niets aannemen, tenzij het hem uit de hemel is gegeven. 28 Uzelf getuigt van mij, dat ik heb gezegd dat ik niet de Christus ben, maar dat ik voor Hem uit ben gezonden. 29 Hij die de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom, die daarbij staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de bruidegom. Deze blijdschap van mij dan is vervuld geworden. 30 Hij moet meer, maar ik minder worden. 31 Hij die van boven komt, is boven allen; wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt uit de aarde. 32 Hij die uit de hemel komt, is boven allen. Wat Hij heeft gezien en gehoord, dat getuigt Hij; en zijn getuigenis neemt niemand aan. 33 Wie zijn getuigenis heeft aangenomen, heeft bezegeld dat God waarachtig is. 34 Want Hij die God heeft gezonden, spreekt de woorden van God; want Hij geeft de Geest niet met mate. 35 De Vader heeft de Zoon lief en heeft alles in zijn hand gegeven. 36 Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.

“Daarna kwam Jezus met zijn discipelen in het land van Judéa en ver­toefde daar met hen en doopte. En ook Johannes doopte, te Enon bij Salim, omdat daar veel water was. En zij kwamen daar en lieten zich dopen. Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen” (vers 22‑24).

Het gesprek met Nicodémus eindigde in het vorige vers. We komen Ni­codémus nog tweemaal tegen in dit evangelie.

Na dit gesprek, misschien de volgende morgen, verliet onze Heer Jeru­zalem en ging naar Judéa, en daar bleef Hij een tijd met zijn discipe­len. Daar doopten de discipelen ook. We zien in het volgende hoofd­stuk dat de Heer Zelf niet doopte (4:2), maar zijn discipelen doopten. Van deze doop weten we verder niets: het moet wel, net als de doop van Johannes, een doop tot bekering geweest zijn. Johannes ging nog door met zijn werk en doopte in Enon bij Salim. Hij was nog niet in de gevangenis geworpen.

“Er ontstond dan een woordenstrijd tussen de discipelen van Johannes en een Jood over reiniging. En zij kwamen tot Johannes en zeiden tot hem: Rabbi, hij die met u was aan de overkant van de Jordaan en van wie gij getuigd hebt, zie, hij doopt en allen komen tot hem” (vers 25­-26).

Het is niet duidelijk aangegeven waarover die woordenstrijd ging. Mis­schien ging het over de doop en wel over de vraag welke doop nu het meest waardevol was en het meest reinigde, de doop van Johannes of de doop van de discipelen van Jezus.

De discipelen van Johannes waren kennelijk jaloers en gingen naar hun meester. Zij waren verontrust over het feit dat de discipelen van Jezus ook doopten.

Maar dit had tot gevolg dat Johannes een prachtig getuigenis gaf over Jezus: “Een mens kan niets aannemen, tenzij het hem uit de hemel gegeven is. Gij zelf zijt mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet; maar ik ben voor Hem uitgezonden. Hij die de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom, die daarbij staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de bruidegom. Deze mijn blijdschap dan is vervuld geworden. Hij moet meer, maar ik minder worden” (vers 27‑30).

Wat een getuigenis! Tegelijk zien we hoe nederig Johannes is en wat een geestelijk inzicht hij heeft. Hoe kan het ook anders? Van hem is immers geschreven: “Hij zal met de Heilige Geest vervuld worden reeds van de moederschoot af’ (Lukas 1:15). Wie vervuld is met de Heilige Geest zal altijd nederig zijn, gering van zichzelf denken en de Heer Jezus Christus grootmaken.

Johannes berustte in de wil van God. Hij was volkomen tevreden, en hij was ervan overtuigd dat zo alles goed was. Wat deed het er toe dat er meer mensen tot Jezus kwamen, over wie hij getuigd had, en min­der mensen tot hem? Hij had slechts zijn taak te vervullen als de voor­loper van de Messias.

Eenzelfde geest van nederigheid en tevredenheid zien we bij Paulus in de gevangenis van Rome. Bij hem was er geen nijd en twist, hoewel er sommigen waren die Christus verkondigden uit partijzucht met de bedoeling de gevangenschap van Paulus te verzwaren. Maar de apostel stond hier boven. “Wat doet het er toe? In elk geval wordt Christus op allerlei wijze, hetzij onder een voorwendsel, hetzij in waarheid, ver­kondigd; en daarin verblijd ik mij en zal ik mij ook verblijden” (Fil. 1:18)

Johannes spreekt over Christus als de bruidegom. “Hij die de bruid heeft, is de bruidegom”. Maar wie is de bruid? Israël niet. Zij heeft, symbolisch gezien, de plaats gehad van de getrouwde vrouw. Maar om­dat zij ontrouw was, is zij verlaten en dat is nu nog haar toestand. De dag zal komen dat Israël weer hersteld zal worden in haar aardse heerlijkheid en weer de vrouw van de Heer genoemd zal worden (Jes. 62:4; Hosea 2:18). Maar een gescheiden vrouw die weer in gunst aan­genomen wordt, kan nauwelijks een bruid genoemd worden.

De bruid waarover Johannes spreekt is de gemeente, die nu bijeenver­gaderd wordt voor de hemelse bruidegom. Haar bestemming is het de vrouw van het Lam te zijn en zijn hemelse heerlijkheid met Hem te de­len. Johannes noemt zichzelf de vriend van de bruidegom. Daarom verblijdt hij zich met blijdschap over de stem van de bruidegom. Chris­tus was zijn vreugde; Hem te verhogen was de wens van zijn hart. Daarom was hij tevreden, toen hij zag dat hij minder en Christus meer werd. “Hij moet meer, maar ik minder worden”. Dit is de derde keer dat in dit hoofdstuk het woordje “moet” gebruikt wordt. Zo moet het gaan in het leven van iedere gelovige: Christus moet steeds meer; en wij steeds minder worden.

Hij die van boven komt, is boven allen, wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt als uit de aarde. Hij die uit de hemel komt, is boven allen” (vers 31).

Johannes, vervuld met de Heilige Geest, verhoogt Christus en getuigt van zijn Godheid. Hij is van boven en daarom is Hij boven allen (of “alles”). Omdat Hij van boven komt, spreekt Hij over de hemelse din­gen die Hij gezien heeft en die Hij kent. Daarom zijn de woorden van Christus onveranderlijk; het zijn eeuwigblijvende woorden die spreken van hemelse waarheden. Hij is de waarheid en zijn woord is de waar­heid.

Johannes vergelijkt Hem die zo verheven is, met zijn eigen, bescheiden dienst. Hij is uit de aarde, geboren uit aardse ouders, hij is zwak en on­volmaakt zoals alle aardse dingen.

De zin “en zijn getuigenis neemt niemand aan” ziet vooruit op de ver­werping van de Heer. Maar wie het getuigenis aanneemt van Hem die boven is en die de hemelse dingen bekend gemaakt heeft. heeft beze­geld dat God waarachtig is. Een zegel wordt gehecht aan een docu­ment om het te bekrachtigen en te bevestigen. Zo is het ook met iemand die het getuigenis van Christus ontvangt, in Hem gelooft en Hem vertrouwt: hiermee verklaart hij dat hij gelooft dat God trouw is aan zijn Woord, en dat Hij zijn beloftes over Christus en de redding gehouden heeft. Anderzijds: “Wie God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft het getuigenis dat God getuigd heeft over zijn Zoon” (1 Joh. 5:10).

De Zoon van God, gezonden door God, één met God, spreekt de woorden van God. Hoe zou het anders kunnen?

Daarna volgt weer een geweldige uitspraak: “Want God geeft de Geest niet met mate”. In de Zoon woont de gehele volheid van de Godheid lichamelijk. De profeten van het oude testament ontvingen de Geest met mate. Hij die God Zelf is ontving de Geest niet met mate. Hij in wie de Vader woonde, was ook de woonplaats van de Heilige Geest.

En zij die “in Hem” zijn ontvangen de Geest ook niet met mate, maar Hij komt Zelf als een blijvende Gast. Het lichaam van een gelovige is een tempel van de Heilige Geest.

De Vader heeft de Zoon lief en heeft alle dingen in zijn hand gege­ven” (vers 35).

De Vader heeft, vooruitziend op het verlossingswerk van zijn Zoon, Hem de eerste plaats gegeven in alle dingen. Alle dingen behoren Hem toe als God, maar als de mensgeworden Zoon van God die het werk aan het kruis volbracht heeft, heeft God Hem gemaakt tot erfgenaam van alle dingen.

Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; maar wie de Zoon onge­hoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem” (vers 36).

Het eeuwige leven is het bezit van allen die in de Zoon geloven. Deze grote waarheid wordt in de volgende hoofdstukken nog verder ontwik­keld. Hier geeft Johannes de doper de weg aan naar het leven. Hoe kan men nu al (“heeft” is tegenwoordige tijd) het eeuwige leven ont­vangen? Door het geloof in de Zoon van God! En wie niet in de Zoon gelooft, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.

Dit is heel belangrijk. Tegenwoordig zijn er veel mensen die niet gelo­ven in de woorden uit de bijbel over de toorn van God en het eeuwig oordeel dat komen zal over allen die de Heer Jezus Christus niet aan­nemen en niet in Hem geloven. Sommige mensen geloven dat de god­delozen sterven als de dieren: ze zouden geen onsterfelijke ziel bezit­ten, maar hun ziel zou bij de dood worden vernietigd. Zij geloven dat alleen de gelovigen een onsterfelijke ziel bezitten. Anderen geloven dat er voor de zondaren nog een tweede kans bestaat om behouden te worden. Weer anderen geloven in een algemene verzoening: alle men­sen worden uiteindelijk behouden.

Al deze theorieën ontkennen dat er zoiets bestaat als een eeuwige, nooit eindigende toorn van God. Zij knoeien met de Hebreeuwse en Griekse woorden die vertaald moeten worden met “eeuwigdurend” en “voor altijd” alsof deze uitdrukkingen een beperkte tijdsduur zou­den aangeven. Deze ene zin. het laatste getuigenis van deze man die vervuld was van de Heilige Geest, geeft een antwoord op al die mislei­dingen en waandenkbeelden. “Wie niet gelooft in de Zoon, zal het le­ven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem”. Uit deze tekst Ie­ren we dat de mens van nature een kind van de toorn is (Efeze 2:3); want als de toorn van God op de mens die niet gelooft in de Zoon van God blijft, dan is die toorn al op hem.

Uit deze tekst blijkt ook dat de leer van de zielsvemietiging niet klopt. Hoe kan anders de toorn van God op de mens blijven als er niets van een mens overblijft na het sterven? Dit woordje “blijven” geeft een toestand aan die eeuwig duurt.

Nog eens worden wij er bij bepaald wat een verschrikkelijk iets het is de Zoon van God af te wijzen en zo’n groot heil niet aan te nemen. En als we dat weten, moeten we dan niet uitgaan om aan een stervende wereld het evangelie van de genade van God te brengen?


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   25

  • 3:9‑13
  • 3:14‑17
  • 3:18‑21
  • 3:22‑36

  • Dovnload 1.32 Mb.