Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina7/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   25

Hoofdstuk 5


Met dit hoofdstuk begint een nieuw gedeelte van dit boek. Het begint met de woorden “daarna”. Eigenlijk staat er “na deze dingen”. Jo­hannes gebruikt deze uitdrukking vaak; soms is het vertaald met “hier­na”. In dit evangelie komt het acht maal voor (3:22; 5:1; 5:14; 6:1; 7:1; 13:7; 19:38 en 21:1); in de Openbaring wordt het tien maal ge­bruikt.

5:1‑4


1 Daarna was er een feest van de Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem. 2 Nu is er in Jeruzalem aan de Schaaps­poort een vijver, die in het Hebreeuws bijgenaamd wordt Bethesda, met vijf zuilengangen. 3 Daarin lag een menigte zieken, blinden, kreupelen, verdorden, die wachtten op de beroering van het water. 4 Want een engel van de Heer daalde op zekere tijden neer in de vijver en bracht het water in beweging; wie dan het eerst daarin daalde na de beweging van het water, werd gezond, aan welke ziekte hij ook leed.

Daarna was er een feest van de Joden”. Wij weten niet welk feest dit was. Zeker niet het Purimfeest, zoals sommigen denken. Waarschijnlijk het Paasfeest: dit feest is echter niet meer “een feest van Jahweh”, maar “een feest van de Joden”. Het was alleen maar een uitwendig in acht nemen van de letter van de wet door een opstandig, ongelovig volk en daarom kon de Heer er zijn goedkeuring niet langer aan verbinden.

Toch ging de Heer Jezus op naar Jeruzalem. Hij was “geworden onder de wet” (Gal. 4:4) en daarom onderwierp Hij zich in zijn genade aan deze gebruiken die Hij Zelf ingesteld had.

Als dit inderdaad het Paasfeest was, zoals ik geloof, dan is het van be­tekenis dat Hij opging naar Jeruzalem. Bij dit tweede Paasfeest dat in dit evangelie vermeld wordt begint de Heer immers in het openbaar te leren over het eeuwige leven, het leven dat gegeven wordt door het verzoenend sterven van het ware Paaslam.

Bij de Schaapspoort (Neh. 3:1) was een vijver, genaamd Bethesda (Huis van Barmhartigheid), omgeven door vijf zuilengangen, waarin een grote menigte zieke mensen lag. Zij wachtten allen op de beweging van het water. Want dan had een engel het water in beweging ge­bracht, en wie dan het eerst in het water kwam, werd gezond. Dit gebeurde op zekere tijden; we lezen niet hoe vaak. Velen twijfelen aan de echtheid van vers 3b en 4.

Anderen nemen aan dat dit gedeelte wel oorspronkelijk is, maar zij veronderstellen dat het water niet in beweging kwam door een engel; dat zou alleen maar bijgeloof geweest zijn van de zieken die daar la­gen.

Dr. Bullinger probeert in de “Companion Bible” deze moeilijkheid op te lossen door een bijzin in te voegen: “Want (zo werd beweerd) een engel daalde neer.” Maar het is niet nodig dit gedeelte weg te laten of woorden eraan toe te voegen om het te verklaren. Waarom zou dit voorval niet echt gebeurd kunnen zijn? De dienst van engelen is toch niet iets ongewoons in de geschiedenis van Israël? We lezen ook op andere plaatsen in de evangeliën en in de Handelingen over hun dienst. Waarom moeten we van dit gedeelte zeggen dat het onmogelijk is? De bezwaren komen meestal van mensen die het liefst alle wonderen en bovennatuurlijke dingen uit de bijbel willen weghalen. Als we geloven in de dienst van de engelen als uitvoerders van Gods bevelen, dan is er niets vreemds in dit gedeelte. Dan geloven we zoals het er staat. Het is beter niet te twijfelen aan welk gedeelte dan ook van het Woord van God. God zond zijn engel op zekere tijden en gaf aan het water een ge­nezende kracht, om zijn volk eraan te herinneren dat Hij in het verle­den zijn macht aan hen betoond had, en dat Hij nog steeds dezelfde Jahweh is, die grote dingen doet.

Maar er is een diepere les te leren dan deze historische feiten. De zie­ken, blinden, kreupelen en verdorden die daar lagen, verdeeld over de vijf zuilengangen, zijn een beeld van de morele toestand en de hulpe­loosheid van het volk Israël. Ofschoon zij de wet hadden, de vijf boe­ken van Mozes, waarop ze zich beroemden, waren zij toch zonder kracht. Het liggen in die vijf zuilengangen bij de vijver kon hen niet ge­nezen; dat kon alleen de genade.


5:5‑9


5 En daar was een mens die achtendertig jaar ziek was geweest. 6 Jezus zag hem liggen, en daar Hij wist dat hij al lange tijd ziek was, zei Hij tot hem: Wilt u gezond worden? 7 De zieke antwoordde Hem: Heer, ik heb geen mens om mij in de vijver te werpen wanneer het water in beweging wordt gebracht; en terwijl ik kom, daalt een ander voor mij neer. 8 Jezus zei tot hem: Sta op, neem uw rustbed op en wandel. 9 En terstond werd de mens gezond, en hij nam zijn rustbed op en wandelde. Nu was het sabbat op die dag.

Onder al die zieken is er één die al achtendertig jaren ziek gelegen had. Hij is hulpeloos, want hoewel het geneesmiddel vlakbij is, heeft het voor hem geen nut, want hij heeft niet de kracht om bij het water te komen, en er is niemand die medelijden met hem heeft en hem helpt.

Hier zien we weer een beeld van Israël onder de wet, en meer in het al­gemeen een beeld van de mens in zijn zondige, hulpeloze toestand. De 38 jaren herinneren ons aan de jaren dat Israël in de woestijn heeft rondgezworven nadat ze de wet hadden gekregen. Maar de wet kon hen niet helpen. De wet kan een zondaar niet helpen, want hij heeft geen kracht, precies zoals deze machteloze man, die het geneesmiddel zag, maar er geen gebruik van kon maken.

Toen kwam de Heer Jezus om te doen wat die man niet kon doen. Hij kende de arme ellendige lijder. Hij kende zijn ziekte, en ook de oor­sprong ervan, want later zei de Heer tegen hem: “Zondig niet meer, opdat u niet wat ergers overkomt” (vers 14).

Wat een troost is het ook voor de kinderen van God dat zij weten dat de Heer Jezus hun pijn kent, hun smart, hun lijden en elke ziekte. Bo­vendien mogen we weten dat Hij nog altijd Dezelfde is.

Vriendelijk spreekt de Heer de man aan: “Wilt gij gezond worden”? Wat is zijn wil, wat is zijn diepste wens? Wenst U wel weer gezond te worden? Deze vraag werd hem gesteld, met het doel geloof te wekken in het hart van deze man. Een verlangen om genezen te worden en de bereidheid om aan te nemen wat hem aangeboden wordt ‑ dat is alles wat God vraagt aan de zondaar. De man antwoordde: “Heer, ik heb geen mens om mij in de vijver te werpen wanneer het water in bewe­ging gebracht wordt”. Hij geeft geen rechtstreeks antwoord op de vraag; en toch laat zijn antwoord zijn vurig verlangen zien. Misschien verwachtte hij dat die vriendelijke Man hem als het water weer in be­weging zou komen zou willen helpen om het eerst in het water te ko­men. Maar de Vriend van zondaars raakte hem niet aan en beloofde hem ook niets. Van de lippen van de Heer kwam nu een woord, een bevel, een woord van almacht, een woord dat in het hart van de hulpe­loze lijder geloof deed ontstaan. “Sta op, neem uw rustbed op en wan­del”. Hier spreekt de genade. Maar de man ontvangt ook kracht om dit gebod op te volgen. Er was geloof nodig om aan het eerste gebod “sta op” te gehoorzamen, en toen de man gehoorzaamde, werd de le­vendmakende kracht van de Heer openbaar. “En terstond werd de mens gezond, nam zijn rustbed op en wandelde”.

Dit is het derde wonder in het evangelie van Johannes. We hebben in het voorgaande al opgemerkt dat het getal drie te maken heeft met op­standing en herstel. Deze man, opgericht en geheel hersteld, is een beeld van Israël in die toekomstige derde dag, wanneer het volk weer opgericht is en leeft voor zijn aangezicht (Hos. 6:1-2).

De drie wonderen die we vinden in dit evangelie: het water in wijn veranderd op de derde dag, de genezing van de zoon van de hoveling en de genezing van de verlamde, zijn profetische beschrijvingen van wat er zal gebeuren als de Heer terugkomt.

De genezing van de verlamde was een teken voor de Joden dat de Ko­ning die hun beloofd was nu in hun midden was. De eerste genezing na Pinksteren, toen het koninkrijk opnieuw aan de Joden werd aange­boden, was de genezing van een andere verlamde (Hand. 3). Het noe­men van de Naam van Jezus Christus en zijn kracht had de man gene­zen, zo dat hij liep en sprong en God prees. Dat wonder was bedoeld om de Joden te laten zien dat dezelfde Persoon die de verlamde bij de vijver Bethesda had genezen, de Christus die zij overgeleverd had­den in de handen van de heidenen, die gekruisigd en gestorven was, opgestaan is uit de doden en leeft. Eén van de tekenen van het konink­rijk, is het wonder van de genezing van de lamme, die zal springen als een hert (Jes. 35:6).

De beide genezingen in het evangelie van Johannes als in de Hande­lingen zijn bewijzen voor de Joden dat de Heer Jezus de beloofde Ko­ning is die komt met de krachten van het koninkrijk.


5:10‑16


10 De Joden dan zeiden tot de genezene: Het is sabbat, en het is u niet geoorloofd uw rustbed op te nemen. 11 Maar hij antwoordde hun: Hij die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft tot mij gezegd: Neem uw rustbed op en wandel. 12 Zij vroegen hem dan: Wie is de mens die u heeft gezegd: Neem uw rustbed op en wandel? 13 Maar de genezene wist niet wie het was; want Jezus was ontweken, omdat er een menigte op die plaats was. 14 Daarna vond Jezus hem in de tempel en zei tot hem: Zie, u bent gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet iets ergers overkomt. 15 De man ging weg en berichtte de Joden dat het Jezus was die hem gezond had gemaakt. 16 En daarom vervolgden de Joden Jezus, omdat Hij deze dingen op sabbat deed.

De genezen man trekt meteen de aandacht. Maar niet, zoals we zouden denken, door zijn wondere genezing, maar omdat hij zijn rustbed op­genomen had (dit bed was heel licht en bestond waarschijnlijk uit een ruwe deken).

Mensen die deze man al jaren kenden, zullen dit wonder zeker gezien hebben. Toch schonken de leidinggevende Joden er geen aandacht aan. Hier was iemand die de sabbat brak en dat was ongeoorloofd! En toen deze eigengerechtige mannen hoorden dat het de Heer Jezus was die deze man genezen had en hem bevolen had zijn rustbed op te ne­men, gingen zij in hun godsdienstijver zo ver dat zij de Heer probeerden te doden. Want de sabbat was àlles voor hen en zij stelden geen prijs op de Heer van de sabbat.

Weliswaar wordt het dragen van een last op sabbat ook genoemd in Nehemia 13:19 en in Jeremia 17:21. Maar daar gaat het om dragen van koopwaar en hier is sprake van een arme man die op een wondere wijze genezen was en zijn bezittingen meeneemt.

Als de Joden het aan de genezen man vragen, vertelt hij hun, dat hij alleen maar gedaan heeft, wat de Man die hem genezen had, tegen hem gezegd heeft. Als Deze in zijn genade zo’n groot wonder aan hem gedaan heeft, hoe kan het dan verkeerd zijn Hem te gehoorzamen en zijn bed op te nemen en te wandelen? De boosheid en hardheid van hart van de Joden blijkt wanneer zij proberen meer inlichtingen los te krijgen over de man die dit bevel gegeven had. Dat deze man gene­zen is, dat er een groot wonder gebeurd is, is hun zorg niet. Zij ijveren voor de sabbat.

De man weet niet dat het de Heer Jezus geweest was. Dat kan hij ook niet te weten komen want Jezus was ontweken, plotseling verdwenen; misschien op een wonderbaarlijke manier (zoals het woord aangeeft) net zo als in Lukas 4:30 en Joh. 10:39.

Maar enige tijd later vindt de Heer Jezus hem in de tempel. Uit de woorden die de Heer tot hem spreekt, kunnen we opmaken dat het een bijzondere zonde geweest was die deze langdurige ziekte veroor­zaakt heeft. Hieruit blijkt opnieuw de Goddelijke alwetendheid van onze Heer. De man had die zonde begaan vóórdat de Heer op aarde kwam als mens; maar toch wist de Heer het, want Hij is God.

Maar wat is het “ergere” dat hem zou overkomen, als hij na zijn gene­zing bewust zou doorgaan met zondigen? Achtendertig jaar hulpeloos­heid is een vreselijke straf op een zonde maar erger is het verlies van de ziel en de eeuwige straf. Dit bedoelt de Heer als Hij de man ernstig waarschuwt voor iets ergers.

Dan gaat de man heen en vertelt aan de Joden dat het Jezus geweest is. Dat doet hij niet uit verkeerde motieven; misschien voelde hij als goede Jood dat dit zijn plicht was. Van dat ogenblik af vervolgden de Joden Jezus en probeerden zij Hem te doden.

5:17‑18


17 Maar Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook. 18 Daarom dan trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat brak, maar ook God zijn eigen Vader noemde, zodat Hij Zich aan God gelijk maakte.

De Joden beschuldigen de Heer van het breken van de sabbat. Maar het antwoord van Hem is: “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook”. Hun begrip van de sabbat was een blind en letterlijk in acht ne­men van de wet; maar de Zoon van God vertelt hen dat Zijn Vader tot nu toe werkt en Hij ook.

God rustte op de zevende dag, maar die rust was al gauw verbroken door de zonde van de mens. God had gerust na de schepping omdat het goed was. Maar toen de zonde zijn intrede deed en de verschrikke­lijke gevolgen ervan zichtbaar werden in lijden, ellende en dood, kon God niet langer rusten. Na de intrede van de zonde begon God met zijn werk van verlossing en met het openbaren van zijn liefde en gena­de. Als Hij berust had in de toestand die op aarde gekomen was als gevolg van de zonde en was doorgegaan met rusten zou Hij niet God zijn. De Vader en de Zoon (en de Heilige Geest) hadden gewerkt in de schepping en rustten toen; maar het werk van verlossing begon met­een toen zonde en verderf hun intrede hadden gedaan. En dit werk gaat nog steeds door, zoals de Heer tegen de Joden zei: “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook”. Dit geldt nog steeds. In zekere zin rust God in het volbrachte werk van zijn Zoon aan het kruis, die kwam om het werk te volbrengen van Hem die Hem gezonden had. De dag van de grote sabbat is echter nog niet gekomen. Die zal pas ko­men als “God alles in allen zal zijn” en als er “geen vervloeking meer zal zijn”.

Al deze dingen wisten de Joden niet; helaas zijn in de christenheid ook velen onwetend aangaande deze dingen.

Maar in dit gedeelte zien we een andere waarheid die van grote bete­kenis is. Met de woorden: “Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werk ook” geeft de Heer aan dat Hij aan God gelijk is. In deze woorden zien we dezelfde grote feiten die we ook gezien hebben in het begin van dit evangelie. Hij is God; Hij is één met God; Hij is in gemeenschap met God en neemt deel aan Gods raadsbesluit en zijn werk. De Joden on­derkenden meteen de betekenis van deze verklaring van de Heer. Zij zagen in dat Hij sprak over het zoonschap dat niets minder was dan één zijn met God. Als de Heer gezegd had “onze Vader” dan zouden ze niet zo gereageerd hebben; maar toen de Heer zei: “Mijn Vader”, maakten zij de gevolgtrekking dat de Heer bedoelde dat “God zijn eigen Vader was” en Hij zich dus God gelijk maakte.

“De Joden begrepen uit de woorden van de Heer dat Hij sprak over een bijzonder, persoonlijk Zoonschap en dat Hij dus van gelijke natuur was als God. Dat hun gedachtengang juist was, bewijst het volgende gesprek. In algemene zin mogen alle mensen God hun Vader noemen; de Joden mogen in bijzondere zin als volk spreken van onze Vader. Dat de Heer nu echter spreekt over “mijn Vader” is in de ogen van de Joden godslaste­ring. Bovendien maakt Hij, volgens hen, God tot medeplichtige in zijn breken van de sabbat. Zo horen we uit de mond van de tegenstanders van de Heer een verklaring over één van de grootste en heiligste leerstellingen van het christendom” (Alford).


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   25

  • 5:10‑16
  • 5:17‑18

  • Dovnload 1.32 Mb.