Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina8/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   25

5:19‑23


19 Jezus dan antwoordde en zei tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: de Zoon kan niets doen van Zichzelf, tenzij Hij de Vader iets ziet doen; want alles wat Die doet, dat doet ook de Zoon evenzo. 20 Want de Vader heeft de Zoon lief en toont Hem alles wat Hijzelf doet; en Hij zal Hem grotere werken tonen dan deze, opdat u zich verwondert. 21 Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil. 22 Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft heel het oordeel aan de Zoon gegeven, 23 opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet die Hem heeft gezonden.

In deze geweldige woorden, waarbij de Heer over Zichzelf spreekt, zegt Hij tegen de Joden dat zij Hem niet verkeerd begrepen hebben: Hij is inderdaad de Zoon, Hij is volkomen één met de Vader, Hij doet niets zonder de Vader, maar alles wat Hij de Vader ziet doen doet Hij ook.

Mensen die de Godheid van onze Heer ontkennen hebben geprobeerd deze woorden te veranderen om zo te bewijzen dat Hij niet God is. In het bijzonder aan de woorden dat de Zoon niets kan doen van Zich­zelf kennen zij een verkeerde betekenis toe.

J.A. Bengel zei terecht: “Dit is een heerlijkheid; geen onvolmaaktheid”. Deze woorden geven geen beperking aan, maar bevestigen de volko­men volmaakte éénheid die er is tussen de Vader en de Zoon. In zijn verhouding tot de Vader, kan de Zoon niets doen, onafhankelijk van de Vader; als Hij onafhankelijk zou handelen, zou Hij een andere God zijn en dit is niet mogelijk. “De Zoon kan niets doen van Zichzelf’. Dat is geen kwestie van zijn macht, want de Heer is almachtig, maar het is een kwestie van zijn wil. De Heer wil niet anders handelen dan de Vader. Natuurlijk blijkt uit deze woorden van de Heer ook dat Hij, de Eeuwige, mens werd. Hier op aarde neemt Hij een plaats van afhan­kelijkheid in. Hij doet wat de Vader doet. Hij doet zijn werk en vol­brengt zijn wil.

Er is veel geschreven over deze geweldige woorden die de Heer hier uitspreekt. Het is goed te luisteren naar wat andere dienaren van Chris­tus hierover geschreven hebben, ook met het oog op vele dwaalleraars die deze waarheid ontkennen.

Augustinus: “Onze Heer zegt niet: ‘wat de Vader doet, de Zoon doet andere dingen die er op lijken’, maar: ‘precies dezelfde dingen’. Als de Zoon dezelfde dingen doet, op dezelfde manier, laat de Joden dan zwijgen, de christenen geloven en zij die een andere mening hebben zich laten overtuigen: de Zoon is volkomen gelijk aan de Vader”.

Hilarius (401‑499): “Christus is de Zoon van God omdat Hij niets doet van Zichzelf. Hij is God omdat Hij hetzelfde doet wat de Vader ook doet. Zij zijn één omdat hun gelijke eer toekomt. Hij is niet de Vader, want Hij is gezonden”.

Joseph Hall (1574): “De Zoon en de Vader zijn één ondeelbaar We­zen, hun handelen is niet van elkaar te scheiden. De Zoon kan niets doen zonder de wil en het handelen van de Vader. Ook als Mens kan Hij alleen doen wat overeenstemt met de wil en bedoeling van zijn hemelse Vader”.

Zo zouden nog veel andere woorden kunnen worden aangehaald om te laten zien dat leidinggevende leraars in de Kerk hierin dezelfde me­ning hebben. Dat er mensen zijn met een andere mening bewijst hoe verduisterd het hart is van de natuurlijke mens.

In vers 20 spreekt onze Heer over de Vader die de Zoon liefheeft en Hem alles toont wat Hijzelf doet, zelfs grotere werken dan deze op­dat zij zich mogen verwonderen. Dit spreekt weer van de éénheid met de Vader. Nergens vinden we dat de Vader meer en de Zoon minder is.

“Deze liefde is niet de liefde van een aardse vader voor een geliefd kind. Dit “tonen” is niet het tonen, het laten zien, van een leraar aan een on­wetende leerling. We zien die onuitsprekelijke éénheid van hart en gene­genheid die van eeuwigheid af bestaan heeft en nog bestaat tussen de Va­der en de Zoon” (J.C. Ryle).

Wat de “grotere werken” zijn zien we in de volgende verzen; het is Christus’ macht om doden op te wekken en levend te maken en zijn werk als Rechter. Hierin zien we nog meer zijn Goddelijke macht en zijn gelijk-zijn aan de Vader. Alleen God kan doden opwekken en hen het leven geven. Of ze nu lichamelijk of geestelijk dood zijn, alleen God heeft de macht dit te doen. Dezelfde macht bezit de Zoon van God. Het is geen afgeleide macht die Hem van God gegeven is, maar een onafhankelijke macht “zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil”. Dit is een soevereine macht. Hoe Hij deze macht uitoefent zien we in dit evangelie van Johannes.

Vervolgens spreekt de Heer over het oordeel en hierbij zegt Hij niet dat Hij en de Vader hetzelfde doen. Hij zegt niet: “De Vader oordeelt en Ik oordeel”, maar “De Vader oordeelt niemand, maar heeft het oordeel geheel aan de Zoon gegeven”. Het oordeel is dus in de handen van de Zoon gelegd. Het is één van de heerlijkheden die Hij verkregen heeft, die Hem toebehoren als de opgestane en verheerlijkte mens. De Zoon van God, die stierf voor zondaren, zal zitten op de verschillende tronen van oordeel.

Alle oordelen zijn nog toekomstig.

1. Eerst komt de rechterstoel van Christus voor de gelovigen. Wij zul­len niet geoordeeld worden naar onze werken, maar onze werken zullen openbaar worden (2 Kor. 5:10).

2. Dan komt het oordeel over de volken. Dit zal plaatsvinden als de Heer op zijn eigen troon zal zitten; het staat in verband met de aar­de (Matth. 25:31).

3. In de eeuw die daarop volgt zal Christus de aarde oordelen in ge­rechtigheid. “God heeft een dag bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een man die Hij daartoe bestemd heeft, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit de doden op te wekken” (Hand. 17:31). De dag in dit gedeelte is “de dag van de Heer”; die dag zal duizend jaar duren, en gedurende die tijd zal Hij over de aarde heersen en zijn verlost volk met Hem.

4. Daarna komt “de grote witte troon”. Alle ongelovigen, die hier do­den genoemd worden (Openb. 20:12, 13) zullen in die tweede op­standing staan voor Hem die zij verworpen hebben.

In vers 23 lezen we dat de Zoon geëerd moet worden en daarom moet worden aanbeden, evenals de Vader wordt geëerd. “Opdat allen de Zoon eren, zoals zij de Vader eren”.

Sommige mensen denken dat God alleen moet worden aanbeden en de Heer Jezus niet. Deze woorden van de Heer weerleggen zo’n veronderstelling. Allen die de Zoon niet eren, eren de Vader ook niet, want De­ze heeft Hem gezonden. Allen die de Zoon verwerpen, verwerpen ook de Vader. Over deze eenheid met de Vader spreekt de Heer ook in Mattheüs 10:40: “Wie u ontvangt, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft”.

In Johannes 12:44, 45 lezen we: “Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem die Mij gezonden heeft. En wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gezonden heeft”. Hoe is het mogelijk dat iemand bij het lezen van zulke teksten nog de Godheid van de Heer Jezus en zijn één-zijn met God ontkennen kan?

In dit grote getuigenis over Zichzelf openbaart de Heer dat Hij God Zelf is, de God van leven en dood en de Rechter over allen. In de vol­gende woorden spreekt Hij over de praktische gevolgen van deze waar­heid.

5:24‑27


24 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie mijn woord hoort en gelooft Hem die Mij heeft gezonden, die heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven. 25 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: er komt een uur, en het is nu, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen en zij die deze hebben gehoord, zullen leven. 26 Want zoals de Vader leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf; 27 en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij de Mensenzoon is.

Vier keer in dit gedeelte gebruikt de Heer het woord “voorwaar”. Dit geeft aan hoe ernstig en belangrijk dit gedeelte is. Deze woorden laten zien hoe de Heer geëerd behoort te worden door alle mensen. Zij die zijn woord horen en geloven worden levend gemaakt door Hem; de geestelijk doden die zijn stem horen zullen leven. Zo wordt Hij geëerd als de Gever van het leven. En zij die de Zoon verwerpen en Hem niet eren door in Hem te geloven, zullen gedwongen worden Hem te eren als ze geoordeeld worden.

Wat een kostbare belofte geeft de Heer ons in vers 24! Deze tekst is ontelbare keren gebruikt: voor zondaren om hen tot bekering te bren­gen, en voor christenen die geen zekerheid hebben om hen uit de mist van twijfel en onzekerheid te brengen in het volle licht van de genade en volle zekerheid. De Zoon van God geeft een vaste, onveranderlijke zekerheid: dat kinderen van de toorn, zondaren die van nature geen “eeuwig leven” bezitten, het eeuwige leven kunnen verkrijgen, niet in het oordeel komen, en uit de dood overgegaan zijn in het leven.

Ik heb aan christenen vaak de vraag gesteld: “Weet u dat u het eeuwig leven hebt?” Vaak ontving ik het antwoord: “Ik hoop het”; anderen zeiden: “Het is een aanmatiging te beweren datje zekerheid bezit aangaande het eeuwige leven” ‑ alsof het gaan naar de hemel beslist zou worden bij de dood! Het eeuwige leven is niet iets dat aan de mens ge­geven wordt bij zijn sterven, maar het is een gave, iets dat we al tijdens ons leven bezitten.

“De genadegave van God is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heer” (Rom. 6:23).

Dat het iets is in de gelovige dat hij bezit, dat in hem blijft, volgt ook uit 1 Johannes 3:15 waar we het tegenovergestelde lezen: “Geen moordenaar heeft het eeuwig leven in zich blijvende”. Dit is de grote, fundamentele geestelijke behoefte van de mens: over te gaan uit de toestand van geestelijke dood in het leven, het eeuwige leven te ont­vangen.

Dit eeuwige leven, dat een mens niet bezit, omdat hij verkeert in de toestand van geestelijke dood, wordt voor altijd verkregen door te ho­ren naar het Woord van Christus en God te geloven (niet: aan God ge­loven) die Hem gezonden heeft. “Wie Mijn woord hoort en gelooft Hem die Mij gezonden heeft die heeft het eeuwige leven”.

God zond zijn Zoon in de wereld opdat Hij het leven zou kunnen ge­ven aan zondaars die dood en verloren zijn. Hem te geloven betekent, de gave van het leven, het verkrijgen van de nieuwe natuur, geestelijk, eeuwig leven.

De Heer Jezus zegt niets over goede werken, noch over voorbeschik­king of iets anders. Horen en geloven is nodig om in het bezit te ko­men van eeuwig leven. Iedere zondaar die zijn woord hoort en gelooft Hem die Hem gezonden heeft, die heeft (niet: zal hebben) het eeuwi­ge leven. Als iemand dit betwijfelt, dan betwijfelt hij de betrouwbaar­heid van het Woord van God. Het aannemen van het “voorwaar” van de Heer betekent zekerheid en volkomen vrede.

Bovendien: als iemand dit eeuwige leven bezit, komt hij niet in het oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven (niet: zal over­gaan). Zondaars die door genade gered zijn, in het bezit zijn van dat leven dat in Hem is, kunnen nooit in het oordeel komen; de rechter­stoel waarvoor de gelovige moet verschijnen beslist niet of hij gered is of verloren, maar de werken van de gelovige zullen daar openbaar worden.

Het “uur” in vers 25 begon met de bekendmaking van deze waarheid door onze Heer en gaat door gedurende deze bedeling, de dag van de genade. De “doden” zijn geestelijke doden. Dit is de beschrijving die de Zoon van God geeft over de mens! Zij die zijn stem horen, dat wil zeggen: horen en geloven, ontvangen het leven.

Vervolgens spreekt de Heer over de Vader die leven heeft in Zichzelf. Hij heeft de Zoon gegeven leven in Zichzelf te hebben en Hij heeft Hem macht gegeven om gericht te houden. Hierbij spreekt de Heer over Zichzelf als de Zoon des Mensen, de gezondene van God. Als de Zoon des Mensen maakt Hij mensen levend en als de Zoon des Mensen zal Hij oordelen. De dag dat Hij mensen levend maakt duurt nog voort, maar die dag zal eens eindigen. Dan komt het andere uur waar­over de Heer spreekt in de volgende verzen.


5:28‑29


28 Verwondert u hierover niet, want er komt een uur dat allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen en 29 zullen uitgaan: zij die het goede hebben gedaan tot de opstanding van het leven, en zij die het kwade hebben bedreven tot de opstanding van het oordeel.

Hier spreekt de Heer over zijn macht om lichamelijke doden op te wekken en te oordelen. Dat uur is nog niet gekomen en zal ook niet komen zolang deze tijd van genade voortduurt. Wanneer deze tijd voorbij is en de gemeente opgenomen is, begint dat toekomstige uur waarover de Heer spreekt.

Zijn stem zal gehoord worden en allen die in de graven zijn, zullen zijn stem horen en zullen uitgaan. Maar de Heer leert hier geen algemene opstanding, een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen tegelijkertijd. Dat vinden we nergens in het Woord van God. Men ge­bruikt meestal Mattheüs 25:31-46 om het geloof in zo’n algemene op­standing te rechtvaardigen, maar in dit gedeelte wordt helemaal niet over doden gesproken; het spreekt van een oordeel over levende vol­keren.

De Heer leert ons dat er twee opstandingen zullen zijn (Zie ook Hand. 24:15). De eerste opstanding is “een opstanding van rechtvaar­digen” en wordt hier “de opstanding ten leven” genoemd. Daarbij zijn de gelovigen betrokken: zij die het goede gedaan hebben en een recht­vaardig leven hebben geleid.

De tweede opstanding is “een opstanding van onrechtvaardigen” en wordt hier “de opstanding ten oordeel” genoemd. De ongelovigen, zij die het kwade bedreven hebben, zijn niet “van de dood overgegaan in het leven”, en daarom komt voor hen het oordeel; terwijl zij die gelo­ven, overgegaan zijn in het leven en daarom niet in het oordeel komen. De bijzonderheden over deze twee opstandingen worden hier niet me­degedeeld, en evenmin de chronologische volgorde van de gebeurtenis­sen die voorafgaan en volgen op deze twee opstandingen. De Heilige Geest laat ons dat zien in de brieven, en in de Openbaring van de Heer Jezus Christus worden ons meer bijzonderheden hierover medege­deeld.

Elke christen die de bijbel bestudeert weet dat de stem van de Zoon van God gehoord zal worden wanneer Hij uit de hemel komt met een bevelend roepen (1 Thess. 4:13‑18). De lichamen van degenen die in Christus ontslapen zijn zullen opstaan ‑ want de lichamen hebben gesla­pen en niet de zielen. En alle gelovigen, zij die zijn stem gehoord heb­ben en die Hem geloofd hebben die Hem gezonden heeft, voorzover ze op die dag op aarde zijn, zullen veranderd worden in een ondeel­baar ogenblik. Zij horen bij de eerste opstanding. De opgewekte gelo­vigen en zij die veranderd zijn zullen samen in wolken opgenomen worden de Heer tegemoet in de lucht (zie ook 1 Kor. 15:51 en 52).

Daarna begint op aarde de tijd van de Grote Verdrukking; “Satan en het beest” (Openb. 13) hebben de macht. Dan sterven ook anderen de martelaarsdood; zij worden gedood om het woord van God en om het getuigenis dat zij hebben. Zij aanbidden het beest en zijn beeld niet. En deze gelovigen zullen ook opstaan aan het eind van de Grote Ver­drukking (Openb. 20:4).

Dan lezen we: “De overige doden werden niet levend, voordat de dui­zend jaren voleindigd waren. Dit is de eerste opstanding” (Openb. 20:5).

Gedurende die duizend jaren zal Christus regeren en de zijnen met Hem; dan zal Hij de aarde regeren in gerechtigheid. Na de duizend ja­ren zal zijn stem weer gehoord worden, en dan vindt een tweede op­standing plaats, de opstanding van de onrechtvaardigen, de opstanding van de doden. De beschrijving hiervan vinden we in Openb. 20:11‑15.

5:30‑31


30 Ik kan van Mijzelf niets doen; zoals Ik hoor, oordeel Ik, en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet mijn wil zoek, maar de wil van Hem die Mij heeft gezonden. 31 Als Ik van Mijzelf getuig, is mijn getuigenis niet waar.

Ik kan van Mijzelf niets doen”. Sommigen vinden deze uitspraak van de Heer één van de moeilijkste in dit evangelie. Toch moet het niet moeilijk zijn om deze tekst te begrijpen. Het is duidelijk dat de Heer weer spreekt over zijn één‑zijn met de Vader. Dit maakt het te enen male onmogelijk voor Hem iets uit Zichzelf te doen. Zijn verbinding met de Vader brengt met zich mee dat alles wat Hij doet, gedaan moet worden zoals de Vader het doet, en nooit gescheiden van Hem. Als echt mens had de Heer natuurlijk een wil, maar die was geheel in over­eenstemming met de wil dan de Vader.

Chrysostomus geeft het volgende commentaar op dit vers:

Als we zeggen dat het onmogelijk voor God is om verkeerd te doen, schrijven we Hem geen zwakheid toe, maar we weten dat Hij een onuit­sprekelijke macht heeft. Als Christus zegt: “Ik kan van Mijzelf niets doen”, dan betekenen deze woorden dat het onmogelijk is voor de Heer (zijn natuur laat het niet toe) dat Hij iets kan doen dat ingaat tegen de wil van de Vader”.

Deze woorden van de Heer betekenen niet, zoals sommigen denken, dat Hij niet God Zelf is, maar zij zijn juist een bewijs van zijn één‑zijn met God. Het is dezelfde waarheid die we gevonden hebben in vers 19 van dit hoofdstuk.

De Heer oordeelt naar wat Hij hoort, en zijn oordeel is rechtvaardig. Ook in het toekomstig oordeel dat in zijn handen is gelegd als de Zoon des mensen. Alles wat Hij hoorde van de Vader wordt door Hemzelf openbaar gemaakt en daarom zijn zijn woorden het Woord van God en de uitdrukking van de wil van God.

Maar als alleen de Heer van Zichzelf getuigt, dan is zijn getuigenis niet waar. Dit betekent natuurlijk niet dat, als Hij de enige was die van Zichzelf getuigde, dit een vals getuigenis zou zijn. Hij sprak echter tot de Joden, en volgens de Joodse wet is een getuigenis van één persoon niet bevestigd, ongeldig, onbetrouwbaar. De wet vereiste ten minste twee getuigen. In het volgend gedeelte spreekt de Heer over de andere getuigen.

5:32


32 Er is een ander die van Mij getuigt, en Ik weet dat het getuigenis dat Hij van Mij getuigt, waar is.

Er is een ander die van Mij getuigt”. Velen hebben deze woorden toe­gepast op het getuigenis dat Johannes de doper over de Heer heeft ge­geven. Maar dit kan niet juist zijn. Het woordje “getuigt” sluit de toe­passing van deze woorden op Johannes uit, want Johannes had getuigd en getuigde toen niet meer. Maar hier is Iemand die getuigt; hier is een getuigenis dat nog steeds doorgaat, en wel het getuigenis van de Vader Zelf.

Dan volgt het drievoudige getuigenis van de Vader:

a. het getuigenis van Johannes de doper


b. de werken die de Vader aan de Heer gegeven heeft om te vol­brengen, die getuigen dat de Vader Hem gezonden heeft c. het getuigenis van de Schrift.

5:33‑35


33 U hebt naar Johannes toe gezonden en hij heeft van de waarheid getuigd. 34 Ik neem echter niet het getuigenis van een mens aan; maar Ik zeg dit, opdat u behouden wordt. 35 Hij was de brandende en schijnende lamp, en u hebt zich voor een tijd in zijn licht willen verheugen.

De Joden hadden zelf priesters en levieten tot Johannes gezonden (1:19). Als getuige had hij getuigd van de waarheid. En zij kenden het getuigenis van deze onberispelijke getuige; zij wisten hoe hij op de Heer gewezen had als Iemand die groter was dan hijzelf. In zijn licht hebben zij zich een tijd willen verheugen; heel Judéa en Jeruzalem ging uit met geestelijke leiders van het volk. De Heer getuigt hier dus dat alles wat Johannes over Hem gezegd heeft waar is: dat Hij de Christus is, het Lam van God die eerder was dan hij. Maar had de Heer dit getuigenis nodig? Was het nodig dat een mens dit getuigenis gaf over zijn persoon? Natuurlijk had de Heer het getuigenis van een mens niet nodig, maar Hij laat het toe, Hij gebruikt het, opdat zij behou­den zouden worden. Het is een blijk van de liefde van zijn hart, Hij wenst alleen dat zij gered mogen worden.

Maar het getuigenis van Johannes verbleekt in de tegenwoordigheid van een groter getuigenis.

1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   25

  • 5:24‑27
  • 5:28‑29
  • 5:30‑31
  • 5:33‑35

  • Dovnload 1.32 Mb.