Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina9/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   25

5:36‑38


36 Ik heb echter het getuigenis dat groter is dan dat van Johannes; want de werken die de Vader Mij heeft gegeven om ze te volbrengen, die werken zelf die Ik doe, getuigen van Mij dat de Vader Mij heeft gezonden. 37 En de Vader die Mij heeft gezonden, Die heeft van Mij getuigd. U hebt noch zijn stem ooit gehoord, noch zijn gedaante gezien, 38 en zijn woord hebt u niet blijvend in u, omdat u Hem niet gelooft die Hij heeft gezonden.

Johannes deed geen wonderen. Toch waren de Joden een moment bereid hem te ontvangen; zij geloofden zelfs dat hij de Messias was. Maar de wonderen die de Heer gedaan had, waren een duidelijk bewijs dat God Hem gezonden had. Nicodémus, de grote leraar in Israël, was hiervan overtuigd (3:2). Toen de Joden Hem in de zuilengang van Sa­lomo vroegen: “Als gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit”, antwoord­de Jezus hun: “Ik heb het u gezegd en gij gelooft niet. De werken die Ik doe in de naam van mijn Vader, die getuigen van Mij; maar gij ge­looft niet” (10:25).

De Joden konden zijn wonderen nooit ontkennen. In onze tijd zijn er mensen die ontkennen dat de Heer wonderen heeft gedaan; maar de duizenden die toen leefden, hebben gezien dat blinden weer konden zien, dat duivelen uitgedreven werden, dat melaatsen gereinigd werden en doden werden opgewekt. Zij konden deze wonderen niet ontken­nen. Toch durfden de Joden zover te gaan dat zij die wonderen toe­schreven aan de macht van Satan (Matth. 12). Het waren de wonderen die de Vader Hem gegeven had om te volbrengen. Ze getuigen van de macht van de Vader en van de macht van de Heer Zelf.

Op vijf dingen moeten we letten als we spreken over de wonderen van de Heer:

1. het aantal wonderen; de Heer heeft niet weinig, maar heel veel wonderen gedaan;

2. de grootheid van de wonderen; het waren geen kleine wonderen, maar geweldige wonderen, geheel in strijd met de normale loop van de natuur;

3. de openbaarheid van de wonderen; de Heer deed in het algemeen geen wonderen in het verborgen, maar op klaarlichte dag, onder het oog van veel getuigen, vaak vijanden;

4. de aard van de wonderen; altijd getuigden de wonderen die de Heer deed van zijn grote liefde, genade en medelijden met de mensen ‑ zij waren niet enkel een uiting van zijn macht;

5. de controleerbaarheid van de wonderen; de mensen konden met hun ogen zien dat er een wonder was gebeurd ‑ het was duidelijk aanwijsbaar.

En daarbij komt nog dat de Vader van Hem getuigd had. Toch hadden ze zijn stem nooit gehoord, noch zijn gedaante gezien. Zij hadden geen kennis van God en zij hadden zijn woord niet blijvend in zich. In het Woord immers wordt de stem van de Vader gehoord die getuigt over zijn Zoon. Daarom geloofden zij niet in Hem die de Vader gezonden had, want geloven in Christus vereist allereerst geloven in het Woord van God. Als iemand het Woord niet gelooft, verwerpt hij Christus ook. Deze belangrijke waarheid, het getuigenis van de Schriften, vin­den we in de volgende verzen.


5:39-43


39 U onderzoekt de Schriften, omdat u meent daarin eeuwig leven te hebben; en die zijn het die van Mij getuigen; 40 en toch wilt u tot Mij niet komen opdat u leven hebt. 41 Eer van mensen neem Ik niet aan; 42 maar Ik ken u, dat u de liefde van God niet in uzelf hebt. 43 Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.

De Joden onderzochten de Schriften (het oude testament), zij meen­den daarin eeuwig leven te vinden, maar zij onderzochten de Schriften niet ècht. Want als zij dat gedaan hadden, dan zouden zij Christus her­kend hebben. “Die zijn het die van Mij getuigen”. In Hebreeën 10:7 vinden we hetzelfde getuigenis van onze Heer: “In de boekrol is van Mij geschreven”.

Maarten Luther zei eens: “Welk boek en welke Persoon? ‑ Er is maar één boek: de Schriften en er is maar één Persoon: Jezus Christus”.

We zien de Heer Jezus Christus op vele wijzen in de hele Schrift, niet alleen in de directe profetieën over Hem, maar ook in de typen en in de levietische voorschriften. Het is goed dat er in onze dagen weer de aandacht op wordt gevestigd, nu het gezag en de inspiratie van het oude testament in twijfel wordt getrokken.

De Heer Zelf bevestigt van de Joodse canon, zoals die er toen was en nu is, dat zij het Woord is en van Hem getuigt. Maar nu zijn er critici die dit wagen te ontkennen. En als wij hen wijzen op woorden als deze (vers 39), dan zeggen zij dat de Heer zich aanpaste aan de gangbare mening van zijn tijdsgenoten, maar dat Hij in werkelijkheid dit Zelf niet geloofde. De conclusie die we daaruit dan moeten trekken laten we maar aan de lezer over.

De Schrift geeft een onfeilbaar getuigenis zowel over de Persoon als over het werk van de Heer. Zeer terecht waren de woorden van Filip­pus toen hij tot Nathanaël zei: “Wij hebben Hem gevonden van wie Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten” (1:45). Hij had de Schriften onderzocht, en daarom geloofde hij dat Christus de beloofde Messias was. Zo moeten we ook de Schriften onderzoeken en opnieuw ontdekken dat zij van Hem getuigen, die wij kennen als onze Heer en Heiland.

En dan volgen de droevige woorden: “Maar gij wilt tot Mij niet ko­men, opdat gij leven zoudt hebben”. Wat is dit een ernstig woord. Het geeft de reden aan waarom mensen verloren gaan. Ondanks dit drie­voudig getuigenis weigerden de Joden in Hem te geloven; zij wilden niet tot Hem komen om het leven te ontvangen dat Hij alleen kan ge­ven. Dit zei de Heer niet om de eer van mensen te ontvangen, maar om hun eigen bestwil. Maar Hij, de Alwetende, wist wat in hun harten leefde: hoewel zij zich voordeden als vereerders van God, was er in hun hart geen ware liefde tot God. Dit bleek uit het feit dat zij Hem niet wilden aannemen. Als zij de Vader liefhadden en vereerden, zou­den zij de Zoon nooit verworpen hebben.

Dan spreekt de Heer de profetie uit: “Als een ander komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen”. Deze woorden zijn al waarheid gewor­den in het verleden. Na de dood en opstanding van onze Heer, in de eerste eeuw van onze jaartelling, zijn er tientallen valse messiassen ver­schenen onder de Joden. Zij kwamen allen in hun eigen naam en wa­ren bedriegers. Toch kregen ze allemaal grote aanhang, maar hun eind was steeds rampzalig.

Maar deze profetie moet ten volle vervuld worden in de tijd van de an­tichrist, de mens van de zonde. Vaak is de vraag gesteld van welke na­tionaliteit deze antichrist zal zijn. Deze vraag is hier beantwoord: het moet wel een Jood zijn, want de Joden zullen nooit een Messias ac­cepteren die niet uit hun eigen volk behoort. Deze antichrist is het tweede beest uit Openbaring 13, hij komt uit het land Israël. Het eer­ste beest is de kleine horen van Daniël 7, het hoofd van het Romeinse Rijk, iemand uit de volken.

De vroege Kerk geloofde al dat de Heer met deze woorden de komst van de antichrist voorspeld heeft. Hij zal komen voor de verschijning van Christus.


5:44‑47


44 Hoe kunt u geloven, u die eer van elkaar aanneemt en niet de eer zoekt die van de enige God komt? 45 Meent niet dat Ik u bij de Vader zal aanklagen; hij die u aanklaagt is Mozes, op wie u uw hoop gevestigd hebt. 46 Want als u Mozes geloofde, zou u Mij geloven, want hij heeft over Mij geschreven. 47 Maar als u zijn geschriften niet gelooft, hoe zult u mijn woorden geloven?

Volgens de woorden van de Heer kunnen zij die de eer van andere mensen zoeken niet geloven. Toch is de mens van nature geneigd steeds weer de eer van mensen te zoeken, maar dit sluit echt geloven uit. Echt geloof ziet niet naar de mensen maar naar God en zoekt de eer van de enige God.

Zó was de toestand van de Joden en in het bijzonder van hun leiders. En is dit ook niet vaak de toestand bij veel belijdende christenen en hun ritualistische en rationalistische leiders?

Toch roemden de Joden in Mozes. Als zij over Abraham spraken noemden zij hem “onze vader”, en Mozes noemden zij “onze leraar”. Daar zij echter niet geloofden in wat Mozes geschreven heeft, werd Mozes, op wie zij hun hoop gesteld hadden, hun aanklager. Ook van­daag nog worden de boeken van Mozes gelezen en deze boeken getui­gen nog steeds van hun ongeloof. Als zij Mozes geloofden, zouden zij ook Hem geloofd hebben, want Mozes heeft over Christus geschreven. Elke gelovige die de vijf boeken van Mozes bestudeert, weet wat een rijkdom van waarheid zij bevatten over de Persoon van onze Heer en zijn werk als profeet, priester en koning. Toch zijn er mensen die be­weren dat Mozes nooit iets geschreven heeft. Sommigen durven zelfs zo ver te gaan te betwijfelen of deze man ooit bestaan heeft. Hoe waar zijn de woorden die de Heer zegt aan het eind van deze belangrijke toespraak: “Maar als gij zijn schriften niet gelooft, hoe zult gij mijn woorden geloven”? Of met andere woorden: “Als jullie Mozes verwer­pen, dan verwerpen jullie Mij!”

“Wat een getuigenis geeft de Heer over het gezag van de Schriften! Hoe durft men de vijf boeken van Mozes onbetrouwbaar noemen en zeggen dat ze niet door Mozes geschreven zijn, dat ze niet de komst van de Mes­sias aankondigen, dat ze alleen maar bestaan uit een aantal legendes, die niet met elkaar in verband staan, dat ze een onbetrouwbaar en menselijk verslag geven van het leven van vroegere tijden.
Hier zien we de Rechter over allen en Hij verklaart dat deze Schriften van Hem getuigen en dat Mozes over Hem schreef. Hierbij verleent Hij aan het geschreven woord nog meer gezag dan aan zijn eigen woorden.
Zo zien we deze twee tegenover elkaar staan: de woorden van de Heer Je­zus zelf en de woorden van de rationalisten. Voor de christen is de vraag niet moeilijk te beantwoorden wie hij moet kiezen en wie hij moet afwij­zen. En deze keuze moèt gemaakt worden. Niemand kan twee heren die­nen; hij zal of de een haten en de ander liefhebben, óf zich aan de een hechten en de ander verachten. Christus en het rationalisme zijn onver­enigbaar. Zij die een neutraal standpunt willen innemen en beide willen dienen. bezitten de waarheid niet en maken liefde tot de waarheid onmo­gelijk. Zij zijn vijanden van God en van de mensen” (William Kelly).

Hoofdstuk 6

6:1‑4


1 Daarna vertrok Jezus naar de overkant van de zee van Galiléa, of van Tiberias. 2 En een grote menigte volgde Hem, omdat zij de tekenen zagen die Hij deed aan de zieken. 3 En Jezus ging de berg op en ging daar zitten met zijn discipelen. 4 En het pascha, het feest van de Joden, was nabij.

Johannes vermeldt niet alle gebeurtenissen die plaats hebben gevonden tijdens de dienst van de Heer. Hij schrijft ook niet over wat er nog meer in Jeruzalem is gebeurd. Terwijl het grote wonder van de gene­zing van de verlamde en het daarop volgend onderricht van de Heer, wat we in het vorige hoofdstuk gelezen hebben, niet vermeld wordt in de andere evangeliën. En Johannes vermeldt weer heel weinig van het verblijf van de Heer in Galiléa. Hierin zien we de Goddelijke hand van de Heilige Geest die de schrijvers van de evangeliën geleid heeft. Hij liet Mattheüs, Markus en Lukas de genezing van de man bij de vij­ver en de woorden die daarna gesproken werden, niet opschrijven, ter­wijl Johannes het wèl moest opschrijven in verband met de strekking van het vierde evangelie.

Een grote schare volgde de Heer: Markus vertelt ons hoe zij Hem volg­den toen Hij het meer overstak. “En velen zagen Hem heengaan en herkenden Hem en liepen samen te voet van alle steden daarheen en kwamen hun voor” (Markus 6:33). Toen de Heer in een schip ging om naar de andere kant van het meer te gaan, ging de menigte te voet om het meer naar de plaats waar het schip zou landen. Wat voor mensen waren dit? Dat vinden we ook in dit hoofdstuk. Net als de mensen die genoemd worden aan het eind van het tweede hoofdstuk, geloofden zij omdat zij de wonderen gezien hadden. Velen gaven voor discipelen te zijn, maar nadat ze de woorden gehoord hadden die de Heer over Zichzelf sprak als het brood des levens, trokken vele van deze zoge­naamde discipelen zich terug en wandelden niet meer met Hem (vers 66). Het was weer vlak voor het Paasfeest, dat hier weer het feest van de Joden wordt genoemd.

6:5‑14


5 Toen nu Jezus de ogen opsloeg en zag dat een grote menigte naar Hem toe kwam, zei Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, opdat dezen eten? 6 Dit nu zei Hij om hem op de proef te stellen; want Hij wist Zelf wat Hij zou doen. 7 Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd denaren broden is voor hen niet genoeg dat ieder een klein beetje krijgt. 8 Een van zijn discipelen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei tot Hem: 9 Hier is een jongen die vijf gerstebroden en twee vissen heeft, maar wat is dat op zovelen? 10 Jezus zei: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. Dus gingen ze zitten, de mannen ongeveer vijfduizend in getal. 11 Jezus dan nam de broden, en toen Hij gedankt had, verdeelde Hij ze onder hen die daar zaten; op gelijke wijze ook van de vissen, zoveel zij wilden. 12 En toen zij verzadigd waren, zei Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren gaat. 13 Zij verzamelden ze dan en vulden twaalf handkorven met brokken van de vijf gerstebroden, die waren overgelaten door hen die hadden gegeten. 14 Toen nu de mensen het teken hadden gezien dat Jezus had gedaan, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet die in de wereld zou komen.

Deze grote gebeurtenis wordt ook volledig beschreven door de andere evangelisten; daar vinden we dus ook meer bijzonderheden over deze spijziging van de vijfduizend. “Hij zag een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, want zij waren als schapen die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren” (Mark. 6:34).

In ons evangelie lezen we dat Filippus tot de Heer kwam en zei: “Waar zullen wij broden kopen, opdat dezen kunnen eten”? Uit het Lukas­-evangelie leren we dat dit vlak bij Bethsaïda plaatsvond. Nu kwam Filippus uit die plaats (Joh. 1:45), en dat is waarschijnlijk de reden dat de Heer hem vroeg in de nood van de hongerige mensen te voorzien. Dit vroeg de Heer niet omdat Hij niet wist wat Hij zou doen, maar om Filippus op de proef te stellen. Filippus had kunnen antwoorden: “Heer, dat weet U wel, want U bent almachtig”! Zo’n antwoord had­den we mogen verwachten; Filippus had immers de belijdenis van Na­thanaël gehoord: “Gij zijt de Zoon van God; Gij zijt de Koning van Israël”.

Hij wist Zelf wat Hij zou doen”. Het wonder van de vermenigvuldi­ging van de broden was één van de werken die de Vader Hem gegeven had om te doen. Hij wist alles wat Hij zou doen en wat er zou plaats­vinden, want Hij is Dezelfde die Israël het brood gaf in de woestijn (Exodus 16).

Dan komt Andréas, de broer van Simon Petrus, met de jongen die vijf gerstebroden heeft en twee vissen. Het Griekse woord geeft aan dat het maar een kleine jongen was; waarschijnlijk had hij ook maar kleine broodjes bij zich. Maar hoe kon dit weinige voedsel voorzien in de be­hoeften van zo’n grote menigte?

De Heer had de tweehonderd denaren niet nodig. Hij kiest juist de kleine dingen uit om zijn macht te laten zien. Hij had zelfs al deze mensen kunnen voeden zonder de vijf gerstebroden en twee vissen te gebruiken.

Dan spreekt de Heer. Hij zegt de mensen dat ze moeten gaan zitten; in het Markus-evangelie zien we dat ze gingen zitten in volmaakte orde, in groepen van honderd en van vijftig. Wat moet dat een prachtig gezicht geweest zijn: vijfduizend mannen met de vrouwen en kinderen, vredig rustend op deze plaats waar “veel gras” was. Onwillekeurig moeten we denken aan de grazige weiden waarheen Hij de zijnen leidt (Psalm 23:2 en Joh. 10:9).

Wat moeten al deze mensen vol verwachting naar Hem hebben opge­zien toen Hij in hun midden stond! De Heer neemt de broden en dankt. Daarna verdeelt Hij de broden onder de discipelen en de disci­pelen verdelen ze onder de mensen die daar zitten. Het wonder van de vermenigvuldiging van de broden en de vissen moet hebben plaatsge­vonden nadat de Heer gedankt had en de broden aan de discipelen gaf. Dit is één van de grote wonderen van de Heer. Onbegrijpelijk groot is zijn almacht!

In onze tijd is er een neiging, zelfs onder hen die wel geloven in de in­spiratie van de bijbel, te proberen de wonderen in de bijbel te verkla­ren als natuurverschijnselen. Dit is bijvoorbeeld gedaan met het won­der van het pad door de Rode Zee, met het wonder van de zon die stil stond in de dagen van Jozua en met veel andere wonderen. Maar zo gauw een wonder verklaard kan worden, is het geen wonder meer. Zo hebben ook sommigen geprobeerd dit wonder te verklaren: de mensen zouden hun eten zelf meegenomen hebben en dit zouden ze zo gezamenlijk opgegeten hebben. Maar zulke verklaringen zijn uitvindingen van louter ongeloof en ze zijn bovendien zo belachelijk dat we er geen antwoord op hoeven te geven. Zeer juist heeft iemand eens gezegd: “Er is nog meer geloof voor nodig om zulke verklaringen te geloven dan te geloven in het wonder zoals het beschreven is”.

Zonder twijfel is het voeden van zo’n groot gezelschap een bewijs van de macht van de Schepper. Hoewel we Hem hier zien in de gedaante van een mens, heeft Hij de kenmerken van zijn Godheid niet afgelegd.

“En toen zij verzadigd waren, zei Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren gaat”. We zien hier het wonderbare feit dat de almachtige Heer ook zorg heeft voor de kleine dingen. Dit geldt voor de hele schepping. In de natuur, waarin alles zo wonderlijk door Hem gevormd en geregeld is, gaat er niets verloren. En als Hij zulke beginselen instelt en handhaaft behoren wij er in alle opzichten rekening mee te houden!

Twaalf korven worden gevuld met de brokken. Wéér een bewijs dat er een groot wonder is verricht, want wat nu nog over is is wel honderd maal zo veel als de oorspronkelijke voorraad. Het was een gewoonte bij de Joden dat ze, als ze samen gingen eten, iets overlieten voor dege­nen die hen bedienden. Elk legde een kleine hoeveelheid voedsel opzij, “het deel van de bedienden”. De korven waren waarschijnlijk korven die de Joden bij zich hadden als ze op reis waren.

Dit grote wonder heeft ook een betekenis die naar de toekomst ver­wijst. Christus openbaarde zich hier als de almachtige, liefhebbende, zorgende Heer. We zien Hem hier ook als de Koning van Israël. We le­zen in Psalm 132 een profetie die past bij wat hier gebeurde: “Want de Heer heeft Sion verkoren, Hij heeft het Zich ter woning begeerd: Dit is mijn rustplaats voor immer, hier zal Ik wonen, want haar heb Ik begeerd. Haar voedsel zal Ik rijkelijk zegenen, haar armen zal Ik met brood verzadigen” (vers 13‑15).

Dit zal ten volle vervuld worden in het toekomstige koninkrijk. Hij was gekomen als de beloofde Koning; Hij was in hun midden en toen Hij hen zo met brood verzadigde en hun voedsel zo rijkelijk zegende, zouden zij Hem als hun koning hebben kunnen herkennen. De twaalf korven hebben ook een betekenis. Twaalf is het getal van Israël. Dat de mensen ook in die richting dachten blijkt uit wat volgt.

“Toen nu de mensen het teken gezien hadden dat Jezus gedaan had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet die in de wereld komen zou”. Mozes heeft de komst van “de profeet” voorspeld in Deut. 18:15‑18. In Joh. 1:21 zien we dat de afvaardiging uit Jeruzalem vermoedde dat Johannes de doper die profeet was. Oude Joodse commentaren beves­tigen dat de profeet waarover we lezen in Deuteronomium de Messias is.

6:15


15 Daar nu Jezus wist dat zij zouden komen en Hem met geweld wegvoeren om Hem koning te maken, ontweek Hij opnieuw op de berg, Hij alleen.

Waarschijnlijk stonden de mensen in groepjes te praten en maakten het plan Hem tot een leider, een koning te maken ‑ maar niet tot “de Koning”. En Hij kende hun vleselijke plannen. Hij wist wie hier achter stond: de Satan, die op de berg Hem alle koninkrijken van de wereld had laten zien en ze Hem had aangeboden. Hier werkte Satan door middel van de menigte, die geestdriftig was omdat de Heer in hun behoeften had voorzien. Weer probeerde Satan zijn doel te berei­ken door Christus de kroon aan te bieden zonder het kruis. Maar de aanspraak op de kroon kon de Heer alleen maar rechtmatig verkrijgen door het werk van verzoening aan het kruis, door het storten van zijn bloed.

De mensen wilden de Heer alleen maar gebruiken voor hun eigen doel­einden; ze wilden van Hem een soort aanvoerder maken die hen zou helpen in een opstand tegen de Romeinse regering, zodat ze bevrijd zouden worden van het heidense juk. Zij wilden Hem tot een koning maken. Maar zij vergisten zich, want zij kenden de Schrift niet die voorspeld had dat de Heer eerst moest lijden en dat God Zelf Hem tot Koning zou maken op de heilige berg Sion. Hij zal volken tot zijn erf­deel ontvangen en de einden van de aarde tot zijn bezit (Psalm 2:8). Dan zal Hij gezien worden, gekroond met veel kronen als de Koning der koningen en de Heer der heren; dan zal het gelovig overblijfsel van Israël voor Hem buigen in oprechte verootmoediging en zij zullen Hem zien die zij doorstoken hebben. Dan zullen de beloofde zegeningen van Psalm 132 en veel andere profetieën die spreken van de heerlijk­heid van het duizendjarig rijk in vervulling gaan.

De Heer gaat plotseling bij de mensen weg, gaat de berg op en blijft daar de hele nacht. Hier zien we een voorafschaduwing van zijn hemel­vaart om in de tegenwoordigheid van God te zijn tijdens deze bedeling. Het plan van de mensen om de Heer zo voor hun eigen doel te gebrui­ken laat zien wat er in hun hart was. Zij wisten niets van een oprechte terugkeer tot God. Hier is vervuld wat Hosea voorspeld had: “Ik wil wederkeren naar mijn plaats, totdat zij zich schuldig gevoelen en mijn aangezicht zoeken” (Hosea 5:15). Dit laatste zal gebeuren tijdens hun grote benauwdheid, wanneer het hun bang te moede is, tijdens de grote verdrukking. Dan zullen zij zeggen: “Komt, laat ons wederkeren tot de Heer”! (Hosea 6:1).


6:16‑21


16 En toen het avond was geworden, daalden zijn discipelen af naar de zee; en zij gingen in een schip en kwamen over de zee naar Kapernaüm. 17 En het was al donker geworden en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen. 18 En de zee werd onstuimig, daar er een hevige wind waaide. 19 En toen zij ongeveer vijfentwintig of dertig stadien hadden geroeid, zagen zij Jezus op de zee lopen en dicht bij het schip komen, en zij werden bang. 20 Maar Hij zei tot hen: Ik ben het, weest niet bang! 21 Zij wilden Hem dan in het schip nemen, en terstond kwam het schip aan het land waar zij heen voeren.

De zee, de nacht waarin de Heer afwezig is, de storm ‑ dit alles spreekt van de tijd waarin wij leven. Dit voorval is uitvoerig beschre­ven in het evangelie naar Mattheüs, in verband met het Joodse karak­ter van het eerste evangelie. Als we in dat evangelie lezen van Petrus die het kleine scheepje verlaat om de Heer te ontmoeten, dan zien we een mooi beeld van de gemeente, terwijl we in het scheepje met de angstige discipelen een beeld is van het Joodse overblijfsel dat er was toen de Heer de aarde verliet om terug te keren naar de hemel. Een dergelijk overblijfsel zal er op de aarde zijn voor Hij terugkomt van de hemel om hen te verlossen. Zoals het toen was op de zee, zo is het nu in deze eeuw. Het wordt donkerder en de wind wordt onstuimiger. De kinderen van God kunnen met recht zeggen: “Het is donker en Jezus is nog niet gekomen”. Maar wij weten dat Hij zàl komen voor hen die van Hem zijn. En daarna komt de grote duisternis en de grote storm waarmee deze bedeling eindigt.

Weer gebeurde er een wonder: de Heer wandelde op de zee. De zoge­naamde wetten van de natuur zijn geheel aan Hem onderworpen. Hij die deze natuurwetten gemaakt heeft, kan er mee doen wat Hij wil.

Natuurlijk wordt ook dit wonder door bijbelcritici ontkend, of men probeert er een natuurlijke verklaring voor te vinden of men wijt het aan “gezichtsbedrog”. Maar als men niet meer gelooft in wonderen als deze, komt men al gauw zover dat men de hele geopenbaarde waar­heid prijsgeeft.

De discipelen begrepen dat hier iets bovennatuurlijks gebeurde en daarom waren ze bang. Toen hoorden ze die stem boven het geluid van de brekende golven en de bulderende storm uit: “Ik ben het, weest niet bevreesd”! Wat was die stem kostbaar voor hen. Horen wij die stem ook, die spreekt tot onze harten?

Vaak is de praktische opmerking gemaakt dat er veel dingen zijn die een christen angst kunnen aanjagen, die hem bang kunnen maken. Dit zou niet het geval zijn als hij in alles wat hem overkomt de hand van de Heer zou zien, die alles weet en alles leidt en bestuurt naar zijn wil, zodat er geen haar op de grond valt zonder zijn wil. Gelukkig zijn zij die zijn stem horen in de diepste duisternis en boven het geluid van de storm uit: “Ik ben het, weest niet bevreesd”!

Wat waren de discipelen blij toen de Heer kwam! Hoe vlug eindigde de storm; en behouden kwamen zij aan wal. Zo zal het ook gaan wanneer Hij terugkomt: de duisternis zal verdwijnen, de storm zal ophouden. Zijn gemeente zal bij Hem zijn en het overblijfsel van Israël zal in de beloofde haven aankomen (Psalm 107:30).

Het gedeelte van dit hoofdstuk dat we nu behandeld hebben kunnen we beschouwen als een inleiding tot de rest van dit hoofdstuk, waar we meer vinden over de bijzondere boodschap van dit evangelie: het eeuwig leven.


6:22‑25


22 De volgende dag zag de menigte die aan de overkant van de zee stond, dat daar geen ander scheepje was geweest dan dat ene waarin zijn discipelen waren gegaan, en dat Jezus niet met zijn discipelen in het schip was gegaan, maar dat zijn discipelen alleen waren weggegaan; 23 maar er kwamen andere scheepjes van Tiberias dicht bij de plaats waar zij het brood gegeten hadden, nadat de Heer had gedankt. 24 Toen dan de menigte zag dat Jezus daar niet was en ook zijn discipelen niet, gingen zij zelf in de schepen en kwamen in Kapernaüm om Jezus te zoeken. 25 En toen zij Hem hadden gevonden aan de overkant van de zee, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?

De schare was blijkbaar verbaasd over de verdwijning van Hem die hen op zo’n wonderbare wijze had gevoed. Zij begrepen niet hoe Hij in Kapernaam was gekomen. Zij gingen in schepen en kwamen in Kaper­naüm om Jezus te zoeken.

Natuurlijk moeten we niet veronderstellen dat al die vijfduizend man­nen in schepen overgestoken zijn om de Heer te zoeken. In Mattheüs lezen we dat de Heer de scharen had weggestuurd (Matth. 14:22). De meesten zullen naar hun huizen gegaan zijn of doorgereisd zijn naar Jeruzalem om daar het Paasfeest te vieren. Een klein aantal mensen volgde de Heer en vond Hem aan de overkant van de zee. Maar als we verder lezen in dit hoofdstuk, dan zien we dat de Heer deze geweldig belangrijke woorden niet gesproken heeft aan de oever van het meer maar in de synagoge, toen Hij leerde in Kapernaüm (vers 59). Dit is ook een bewijs dat niet al die vijfduizend mannen daarbij tegenwoor­dig waren, maar slechts een klein aantal. Op hun nieuwsgierige vraag: “Rabbi, wanneer zijt gij hier gekomen?” gaf de Heer geen antwoord.

6:26‑29


26 Jezus antwoordde hun en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: u zoekt Mij, niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u van de broden hebt gegeten en verzadigd bent. 27 Werkt niet om het voedsel dat vergaat, maar om het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u zal geven, want Hem heeft de Vader, God, verzegeld. 28 Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken van God werken? 29 Jezus antwoordde en zei tot hen: Dit is het werk van God, dat u gelooft in Hem die Hij heeft gezonden.

De Heer, de kenner van de harten, wist waarom zij Hem gevolgd wa­ren. Zij zochten Hem niet omdat ze in Hem geloofden als de Zoon van God; zij zochten Hem zelfs niet om de reden die genoemd is in het be­gin van dit hoofdstuk: “omdat zij de tekenen zagen die Hij deed”, maar zij zochten Hem om een heel zelfzuchtige reden. Hun motief was door en door vleselijk. “Gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt”. Om deze reden hadden zij Hem tot koning willen maken en was Hij opeens bij hen weggegaan. De Heer weet waarom zij Hem opnieuw zoeken.

Ook nu is de Heer de kenner van de gedachten en Hij kent de verborgen motieven van ons hart. Hij weet of wij Hem werkelijk van harte willen volgen, of dat we Hem volgen om de “broden en vissen”. Dit gevaar is ook aanwezig als zendelingen werken in landen waar gro­te armoede heerst. In China sprak men indertijd van “rijstchristenen”.

Dan gaat de Heer tot hen spreken over het eeuwige leven. “Werkt niet om het voedsel dat vergaat, maar om het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven”. Zij waren Hem met veel moeite gevolgd om voedsel te krijgen dat vergaat, dat alleen maar dient tot onderhouding van het lichaam. De Heer leert hen te werken om het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven; dit eeuwige leven, dat een mens niet kan krijgen door er voor te werken, kan Hij, de Zoon des mensen die de Vader verzegeld heeft, geven.

Deze laatste woorden betekenen dat Hij, de Zoon des mensen, de Zoon van God, verzegeld met de Heilige Geest, macht heeft het eeuwi­ge leven te geven (17:2). Hij is de gever van het leven èn van het voed­sel dat blijft tot in het eeuwige leven. Hijzèlf is het leven en het voed­sel.

Met deze woorden spreekt de Heer tot hun hart en geweten, net zoals Hij ook deed met de Samaritaanse vrouw. Zij waren de Heer gevolgd met grote lichamelijke inspanning, alleen maar om meer voedsel te krijgen dat vergaat. Zo was ook de vrouw bij de put gekomen om water te krijgen. De Heer gebruikt echter hun lichamelijke behoeften om hun te wijzen op hun geestelijke nood.

Henry Martin, de grote zendeling van India en Perzië, was erg ontmoe­digd tijdens zijn werk onder de arme Hindoes in Dinapore, India. Hij dacht er ernstig over met zijn werk te stoppen toen hij merkte dat de mensen niets gaven om zijn verkondiging van het evangelie. Zij luister­den niet naar het evangelie; ze kwamen alleen bij hem om hun licha­melijke nood, om het brood dat vergaat. Maar toen las deze jonge man op zekere dag dit hoofdstuk van het Johannes-evangelie, en toen hij dit vers las, zei hij: “Als de Heer Jezus zich niet schaamde om te spre­ken tot mensen die alleen kwamen om brood, wie ben ik dat ik nu met mijn werk zou stoppen?” Hij had van de Heer geleerd. Ook wij moeten Christus’ voorbeeld navolgen.

En welk antwoord gaven zij Hem? Het was het antwoord van het ver­duisterd hart van de natuurlijke mens. “Wat moeten wij doen, opdat wij de werken van God mogen werken?” De Heer had net gezegd dat zij niet moesten “werken om het voedsel dat vergaat” en nu waren zij bereid om te “werken om het voedsel dat blijft”; zij spraken over het werken van de werken van God. Zij beseften echter niet dat zij zon­daars waren, dat de schuld en de vloek van de zonde op hen rustte. Ook hielden zij geen rekening met de heiligheid van God. Zij dachten dat zij in staat waren God tevreden te stellen met hun werken en door hun werken het leven te verkrijgen;

Het hart van de mens is sinds die tijd niets verbeterd; het is niet veran­derd, het is nog steeds blind en door en door slecht. Er mag een gods­dienstige belijdenis zijn of een vorm van godzaligheid, het hart van zul­ke mensen is als het hart van Kaïn. Van hen lezen we in de brief aan de Romeinen: “De weg van de vrede hebben zij niet gekend, geen vre­ze Gods staat voor hun ogen” (Rom. 3:17, 18).

De natuurlijke mens denkt dat hij iets kan doen en zich zo aangenaam kan maken voor God. Men spreekt in verband hiermee van “de gulden regel”, alsof de mens in staat zou zijn dit in de praktijk te brengen. Of zoals iemand zei: “Doe elke dag een goede daad” ‑ alsof goede daden de weg zijn tot vrede en heerlijkheid! Zo doen ook de heidenen. Van Keizer Titus wordt verteld dat hij aan het eind van een dag zonder een goede daad, gezegd zou hebben: “Ik heb een dag verloren”.

Zonder de misleiding van hun hart bloot te leggen of hun aanmati­ging te veroordelen, vertelde de Heer hen wat ze moesten doen.

Jezus antwoordde en zei tot hen: Dit is het werk van God, dat gij ge­looft in Hem die Hij gezonden heeft”. Zo lazen we ook in het vorige hoofdstuk: “Wie Mijn woord hoort en gelooft Hem die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven” (5:24). Het enige dat zij konden doen was: in Hem geloven; en dit geloof in Hem is het werk van God, omdat het voorwerp van het geloof de Zoon van God is, die de Vader gezonden heeft.

Dit is het beginpunt voor iedere zondaar; er kan en er zal nooit een ander zijn. “Hem nu die werkt, wordt het loon niet toegerekend uit genade, maar als verschuldigd. Doch hem die niet werkt, maar gelooft in Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid” (Rom. 4:4, 5).

Toen een zondaar, wiens geweten was geraakt, uitriep: “Wat moet ik doen om behouden te worden”? was het antwoord dat hij meteen ont­ving: “Geloof in de Heer Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis” (Hand. 16:31).

Dit is nog steeds het antwoord op de belangrijkste vraag van het le­ven. Het geloof is het grootste werk van alle werken; het geloof is het enige werk dat voor God aangenaam is. Zonder geloof is het on­mogelijk Hem te behagen.

6:30-40


30 Zij zeiden dan tot Hem: Welk teken doet U dan, opdat wij zien en U geloven? Welk werk doet U? 31 Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, zoals geschreven staat: ‘Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten’. 32 Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel. 33 Want het brood van God is Hij die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft. 34 Zij zeiden dan tot Hem: Heer, geef ons altijd dit brood. 35 Jezus zei tot hen: Ik ben het brood van het leven; wie tot Mij komt, zal nooit meer honger hebben; en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben. 36 Maar Ik heb u gezegd dat, ook al hebt u Mij gezien, u niet gelooft. 37 Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. 38 Want Ik ben van de hemel neergedaald, niet opdat Ik mijn wil zou doen, maar de wil van Hem die Mij heeft gezonden. 39 En dit is de wil van Hem die Mij heeft gezonden, dat Ik van alles wat Hij Mij heeft gegeven, niets verlies, maar het opwek op de laatste dag. 40 Want dit is de wil van mijn Vader, dat ieder die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft, en Ik zal hem opwekken op de laatste dag.

De woorden van de Heer waren bedoeld om hen tot geloof te brengen; de woorden waarmee zij antwoorden laten echter hun ongeloof zien. De Heer had gezegd dat het werk van God is dat zij geloven in Hem die Hij gezonden heeft; maar zij vragen om een teken, dat ze konden zien en dan geloven. Hoewel ze de vorige dag een geweldig teken ge­zien hadden, de wonderbare spijziging, vragen ze nu om een teken: “Welk werk doet gij”?

Zo is het altijd geweest bij de Joden; pas toen ze de tekenen zagen die Mozes en Aäron in hun tegenwoordigheid deden, geloofden zij. Paulus bevestigt deze neiging: “De Joden begeren tekenen” (1 Kor. 1:22).

Waarschijnlijk hebben de Joden zo geredeneerd: Hij heeft gisteren in­derdaad een groot wonder gedaan door de menigte te voeden, maar wat is dat nu als we het vergelijken met wat er in de woestijn gebeurd is? Onze vaderen aten het manna in de woestijn; Mozes gaf hun brood uit de hemel te eten. Mozes heeft een groter aantal mensen gevoed dan Hij; zijn wonder is dus niet zo groot als het wonder dat Mozes gedaan heeft. Nu, welk teken doet u dan, opdat wij mogen zien en u geloven?

Maar zij hadden het mis en de Heer verbetert hen. “Niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel” Uit de woorden van de ongelovige Joden zien we dat ze nog wel geloofden in het historische feit dat hun vaderen op wonderbaarlijke wijze gevoed waren in de woestijn. De moderne bij­belkritiek verwerpt dit en ontkent de betrouwbaarheid van dit ver­haal in Exodus. Maar wat houdt deze ontkenning in? Hier bevestigt de Heer Zelf dit wonder. Als iemand dit wonder ontkent, houdt dit dus in dat hij ook twijfelt aan de kennis van de Heer en de betrouw­baarheid van zijn woorden.

Maar terwijl de Heer de betrouwbaarheid van deze gebeurtenis beves­tigt, spreekt Hij ook over het ware brood uit de hemel, dat de Vader geeft, het brood dat uit de hemel gekomen is: de Heer Jezus Zelf. “Want het brood Gods is Hij die uit de hemel neerdaalt en aan de we­reld leven geeft”.

Hij is meer dan het manna, want Hij is niet uit de hemel gekomen om het lichamelijke leven te onderhouden, maar om het eeuwige leven te geven, niet alleen voor Israël, maar voor de wereld.

Toen zeiden zij tot Hem: “Heer geef ons altijd dit brood”. Net zoals de Samaritaanse vrouw, die, toen de Heer had gesproken over levend water, zei “Geef mij dit water”, voelden zij dat de Heer had gesproken over iets hogers, iets beters, wat zij niet konden begrijpen.

Toen sprak Hij, zoals alleen Hij kon spreken, tot oren die niet zouden horen en het niet zouden begrijpen: “Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt zal nooit meer hongeren; en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorsten”.

Zo had de Heer ook gesproken tot de Samaritaanse vrouw bij de bron van Jakob: “Ieder die drinken zal van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben” (4:14). Zowel water als brood zijn nodig voor het menselijk bestaan; ze zijn onmisbaar. Maar de gees­telijke behoefte van de mens is leven; en de Zoon des mensen die kwam van de hemel is dat leven. Buiten Hem is er geen leven voor de zondige mens.

De mens moet tot Hem komen en in Hem geloven; alleen dan zal hij nooit meer hongeren en nooit meer dorsten, maar volkomen bevredi­ging vinden. De woorden “komen” en “geloven” hebben hier ongeveer dezelfde betekenis. Wat Hij is en wat Hij geeft moeten we ons toeëige­nen; dat doen we als we tot Hem komen en in Hem geloven. Komen tot Christus is geloven in Hem en in Hem geloven is komen tot Hem. Beide uitdrukkingen geven de handeling aan van hem die vlucht naar Christus, die zich aan Christus vastklemt, die op Christus vertrouwt. “Komen” is de beweging naar Christus toe. “Geloven” is het zich aan Christus toevertrouwen.

En Christus verzekert ons dat Hij in alle behoeften zal voorzien. Alle verlangens worden bevredigd. Wij zijn misschien zwak en geneigd te zondigen, maar onze ziel zal nooit meer hongeren en dorsten in eeuwigheid. Wie gelooft in Christus zal nooit uitgeworpen of verlaten worden.

Maar de Heer kende het ongelovig hart van de Joden; zij hadden Hem gezien, maar zij geloofden niet in Hem. Zij wilden niet in Hem geloven en tot Hem komen om het leven te hebben, om het ware brood te ontvangen. Hier blijkt hoe ongelovig het hart van de mens is.

Wie zal dan tot Hem komen? De Heer geeft Zelf het antwoord: “Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”.

Dit zijn kostbare woorden. Jammer genoeg hebben zij aanleiding ge­geven tot veel strijd.

De Calvinisten beroepen zich op het eerste deel van deze woorden, ter­wijl de Arminianen het tweede deel gebruiken. In de eerste zin is het woordje “alles” belangrijk; het ziet op het hele gezelschap van mensen die door God uitverkoren zijn en die de Vader aan de Zoon gegeven heeft. Deze gave is door de Vader aan de Zoon gegeven “vóór de grondlegging van de wereld” (Ef. 1:4). Dat is de uitverkiezende genade van God in zijn eigen soevereiniteit.

Er bestaat een uitverkoren lichaam, de gemeente. Van dat lichaam zegt de Heer dat het aan Hem gegeven is en dat elk lid van dat uitver­koren lichaam tot Hem zal komen. Dit is een vertroostende waarheid voor de kinderen van God. Zij zijn het geschenk van de Vader aan de Zoon, een geschenk dat Hij gegeven heeft toen er nog geen wereld was en er nog geen mens bestond.

Mensen die niet geloven in de uitverkiezende genade van God hebben vaak de vraag gesteld: “Hoe kan ik nu weten dat ik bij die uitverkoren groep hoor”? Terwijl elke gelovige die Christus aangenomen heeft en Hem toebehoort er verzekerd van kan zijn dat hij bij die uitverkoren groep hoort en aan de Zoon gegeven is door de Vader. “Het geloof in Christus is een zeker bewijs van onze uitverkiezing en dus ook van on­ze toekomstige verheerlijking” (Beza). En allen die aan Christus gege­ven zijn, zullen ook tot Hem komen; geen macht kan hen weerhou­den.

Hier staan wij voor een geheim dat we niet kunnen begrijpen of verkla­ren. Wij geloven in de duidelijke uitspraken van de bijbel over onze uitverkiezing, maar wij geloven ook dat het evangelie voor allen be­stemd is en dat bij het brengen van deze blijde boodschap de uitverkie­zing niet aan de orde is.

“Toen de gave van het leven ons werd aangeboden en wij het aannamen, voelden wij dat wij dat vrijwillig deden... Maar nu we die boodschap hebben aangenomen en gezegend zijn met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten in Christus, zien we in dat, in een diepere en vollere be­tekenis, de genade soeverein is. Toen we de open deur van de genade na­derden zagen we boven die deur de woorden van het evangelie: toen wij naar binnen gegaan waren lazen we boven die deur de woorden: “In Hem uitverkoren voor de grondlegging van de wereld”.


Voor een gelovige is dit geheim van de uitverkiezing een kostbare waar­heid. Maar voor de meerderheid van de christenheid is dit zo’n tegenstrij­dige zaak, dat zij er geen zegen door ontvangen. Men gaat de duidelijke uitspraken uit de bijbel anders verklaren of men verwerpt deze waarheid helemaal. Men ziet niet hoe men de genade met de uitverkiezing moet verenigen.
Het evangelie biedt alle mensen verzoening aan: de genade is “heil­aanbrengend voor alle mensen” (Titus 2:11).
De uitverkiezing daarentegen houdt in dat de zegeningen van de gelovige het gevolg zijn van een besluit van God.
Deze twee feiten, zegt men, zijn tegenstrijdig; en één van beide feiten wordt dus weggeredeneerd. Deze waarheden schijnen inderdaad onver­enigbaar te zijn, maar als men beweert dat ze onverenigbaar zijn, dan plaatst men het verstand boven de openbaring, of met andere woorden: men plaatst de mens boven God” (Sir Robert Anderson).

Het feit dat God wil dat alle mensen behouden worden en dat niemand verloren gaat, laat zien dat de leer van zeer strenge Calvinisten, die menen dat God een deel van de mensheid voorbestemd heeft om verloren te gaan, niet waar kan zijn.

De Heer zei Zelf: “Wie tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen”. Dit is een geweldige belofte van de Heer Zelf! Hij zal in zijn genade ieder­een ontvangen die tot Hem komt en Hij zal niemand uitwerpen die in Hem gelooft. Alle mensen mogen tot Hem komen, alle mensen wor­den uitgenodigd om te komen. En wie komt wordt door Hem ontvan­gen en zal bij Hem blijven. Wat er ook gebeurt, zij kunnen nooit uitgeworpen worden.

Want Ik ben van de hemel neergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft. En dit is de wil van Hem die mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verlies, maar het opwek op de laatste dag” (vers 38, 39).

Hij kwam van de hemel (dit is weer een duidelijk bewijs van zijn vóór­bestaan) en Hij kwam om de wil van God te doen, wat betreft de red­ding van hen die Hem gegeven zijn. Niemand van hen kan verloren gaan en zij zullen allen opgewekt worden.

De volle openbaring over de eerste opstanding, de opstanding van de gestorven gelovigen en de verandering van de dan nog levende gelovi­gen, bij de komst van de Heer, heeft de Heer niet gegeven toen Hij op aarde was, maar dit heeft Paulus op een bijzondere manier mogen doorgeven (Zie 1 Thess.4:13-18 en 1 Kor. 15:51‑54).

Dit hoort tot de “veel dingen” die de Heer beloofd heeft “later” te verklaren, dat wil zeggen na zijn dood en opstanding.

Dan volgen nog die kostbare en bemoedigende woorden, die het hart van elk kind van God wel moeten vervullen van vreugde en zijn lippen met lofzegging: “Een ieder die de Zoon aanschouwt en in Hem ge­looft, heeft eeuwig leven”.


6:41‑46


41 De Joden dan mopperden over Hem, omdat Hij zei: Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald. 42 En zij zeiden: Is Deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Hij nu: Ik ben uit de hemel neergedaald? 43 Jezus antwoordde en zei tot hen: Moppert niet onder elkaar. 44 Niemand kan tot Mij komen tenzij de Vader die Mij heeft gezonden, hem trekt; en Ik zal hem opwekken op de laatste dag. 45 Er staat geschreven in de profeten: ‘En zij zullen allen door God geleerd zijn’. Ieder die van de Vader heeft gehoord en geleerd, komt tot Mij. 46 Niet dat iemand de Vader heeft gezien, dan alleen Hij die van God is gekomen; Deze heeft de Vader gezien.

De Heer had zijn getuigenis over Zichzelf als het levende brood uit de hemel beëindigd. De Joden hadden naar Hem geluisterd en morden over Hem, net zoals hun vaderen gedaan hadden in de woestijn. Zij hadden er bezwaar tegen dat de Heer Zichzelf het brood noemde dat uit de hemel is neergedaald, omdat zij dachten dat Hij de zoon van Jo­zef was.

Is deze niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Hij dan: Ik ben uit de hemel neergedaald?” Hun mopperen zou terecht geweest zijn als dat wat zij zeiden waar was. Als Hij “de zoon van Jozef” was, als Jozef zijn vader was, als Hij dus ge­boren was net als ieder ander mens, dan konden zijn woorden dat Hij het brood uit de hemel was, ook niet waar zijn.

En wat de Joden toen zeiden horen we nu op het christelijk erf: een onbeschaamde ontkenning van zijn maagdelijke geboorte. Als deze ontkenning juist was, dan was Hij niet de Redder van de mens, noch het brood des levens. De maagdelijke geboorte van onze Heer is een fundamentele waarheid van het christendom.

De Joden hadden uit hun eigen Schriften kunnen weten dat de Messias geboren moest worden uit een maagd (Jes. 7:14). De feiten over de ge­boorte van de Heer die wij vinden in het eerste hoofdstuk van Mattheüs en in het begin van het evangelie naar Lukas, waren niet bekend aan de Joden in die tijd.

En de Heer antwoordde hen: “Mort niet onder elkaar”. Hieruit kun­nen we afleiden dat ze heimelijk stonden te mopperen. Misschien ston­den ze in kleine groepjes zachtjes te praten over Hem. De Heer kende hun gedachten, maar in zijn antwoord vertelde Hij hen niet het ge­heim van zijn maagdelijke geboorte. Hij wist dat Hij omringd was door ongelovigen die Hem binnenkort zouden overleveren in de handen van de heidenen. Aan hen te vertellen dat Hij geboren was uit de Heilige Geest, dat Jozef niet zijn Vader was, zou zijn “parels voor de zwijnen werpen” (Matth. 7:6).

In zijn antwoord spreekt de Heer over dezelfde waarheid als in vers 37‑40: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader die Mij gezon­den heeft, hem trekt”. In het vorige gedeelte had de Heer gesproken over de uitverkorenen die de Vader Hem gegeven heeft. Hier zegt de Heer dat de Vader hen trekt. Zij die Hem gegeven zijn door de Vader, kunnen niet tot Hem komen als de Vader hen niet trekt om te komen. De natuur van de mens is sinds de zondeval zo slecht en verdorven, dat zelfs als Christus aan hem gepredikt wordt, hij niet tot Christus zal komen en in Hem geloven, als God in zijn genade niet zijn wil buigt en hem de gezindheid geeft om te komen. Overredingskracht en goede raadgevingen alleen zullen de zondaar er niet brengen. Hij moet “ge­trokken” worden.

Dit is een vernederende waarheid. De mens heeft al de eeuwen door deze waarheid gehaat en tegengestaan. Wij horen veel liever dat wij doen kunnen wat wij willen, ons bekeren of niet, geloven of niet, tot Christus te komen of niet, alles naar ons eigen goedvinden. Feitelijk denkt de mens dat hij zijn redding zelf in de hand heeft.

Zulke ideeën zijn lijnrecht in strijd met onze tekst. De woorden van de Heer zijn duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.

Wat moeten we dan denken van moderne methodes die gebruikt wor­den tijdens grote evangelisatiecampagnes, waar alle mogelijke midde­len gebruikt worden om de mensen te doen opstaan en zich te voegen bij één of andere godsdienstige gemeenschap? Kaarten worden inge­vuld voor het kaartsysteem, handen worden geschud en men beroemt zich op het aantal mensen dat weer toegevoegd is.

Deze methode moet afgekeurd worden als we geloven dat de Vader ieder trekken zal, die Hij aan de Zoon heeft gegeven en dat Hij hen tot Christus zal trekken om in Hem te geloven. De taak van de evangelist is het evangelie te brengen op een duidelijke en eenvoudige manier. Het “trekken” moet hij overlaten aan de Geest van God.

Over dit punt heeft Ryle ook enkele opmerkingen gemaakt die van be­lang zijn:

1. Deze waarheid doet niets af van het feit dat de mens zelf verantwoor­delijk is tegenover God. De bijbel leert duidelijk dat als een mens ver­loren gaat, het zijn eigen schuld is. “Hij verliest zijn ziel” (Mark. 8:36). Al kunnen we de almacht van God en de verantwoordelijkheid van de mens nu niet met elkaar in overeenstemming brengen, we hoe­ven er niet aan te twijfelen dat dit ons in de heerlijkheid duidelijk zal zijn.

2. De waarheid die we in deze verzen vinden moet ons er niet toe bren­gen dat we ons gaan beperken en het aanbod van genade alleen willen brengen aan de uitverkorenen. Integendeel, genade en vergeving door Christus moet vrijuit aan iedereen worden aangeboden, zonder uit­zondering. Wij weten niet wie God wil trekken en bovendien hebben wij daar ook niets mee te maken. Het is onze plicht iedereen uit te nodigen en het aan God over te laten de “vaten van genade” te kie­zen.

3. Wij moeten niet denken dat iemand getrokken wordt, als hij niet in geloof tot Christus komt. Als iemand komt is dit het bewijs dat hij getrokken wordt door de Vader. Als hij getrokken wordt komt hij tot Christus en gelooft. Maar waar geen geloof en liefde is, daar kan gepraat worden, daar mag eigendunk zijn of een goede belijdenis. Maar daar is geen “trekken” door de Vader.

Dan haalt Christus de Schriften aan: “Er staat geschreven in de profe­ten: En zij zullen allen door God geleerd zijn. Ieder die van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij”. De Heer haalt de woorden aan van Jes. 54:13. Jeremia heeft ook hierover gesproken (31:33‑34).

Wie tot Christus komt en zijn eigendom is zal door God geleerd zijn. Ieder die tot Christus komt heeft eerst van de Vader gehoord en heeft van de Vader geleerd, zodat alles uit God is en door genade.

God heeft in zijn Woord gesproken, ook over zijn Zoon; maar nie­mand heeft de Vader gezien, dan alleen de Zoon.


6:47‑59


47 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie in Mij gelooft, heeft eeuwig leven. 48 Ik ben het brood van het leven. 49 Uw vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn en zijn gestorven. 50 Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat men daarvan eet en niet sterft. 51 Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij leven tot in eeuwigheid. En het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees dat Ik zal geven voor het leven van de wereld. 52 De Joden dan twistten onder elkaar en zeiden: Hoe kan Deze ons zijn vlees te eten geven? 53 Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij u het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt u geen leven in uzelf. 54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem opwekken op de laatste dag. 55 Want mijn vlees is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank. 56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. 57 Zoals de levende Vader Mij heeft gezonden en Ik leef door de Vader, zo zal ook degene die Mij eet, leven door Mij. 58 Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; niet zoals de vaderen het manna hebben gegeten en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal leven tot in eeuwigheid. 59 Deze dingen zei Hij in de synagoge, toen Hij leerde in Kapernaüm.

Met de woorden “Voorwaar, voorwaar” gaat de Heer verder met het onderwijs over Zichzelf. De Joden hadden Hem immers met hun vraag onderbroken (vers 42). In vers 40 zei de Heer dat een ieder die in Hem gelooft, eeuwig leven heeft en nu spreekt Hij nog duidelijker: “Voor­waar, voorwaar, ik zeg u: hij die in Mij gelooft, heeft eeuwig leven”. En de Heer voegt er aan toe: “Ik ben het brood des levens”.

Dit zijn kostbare woorden, woorden van leven en woorden van vrede. De Zoon van God die uit de hemel gekomen is, is Degene op wie het geloof zich moet richten. Hij verzekert de zondaar die in Hem gelooft, dat hij eeuwig leven heeft. Hij is het brood des levens, niet zijn woor­den, niet zijn leer, maar Hij is het Zelf.

De Joden hadden tot de Heer gesproken over hun vaderen die het manna gegeten hebben in de woestijn (vers 31), maar nu vertelt de Heer hun de tegenstelling tussen het manna en Hemzelf: “Uw vaderen (niet “onze vaderen”) hebben het manna gegeten in de woestijn en zijn gestorven. Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat men daarvan eet en niet sterft”.

Hun vaderen waren ongelovig geweest en zij konden het beloofde land niet binnen gaan; ze stierven in de woestijn. Hoewel zij het manna aten, kon dit hun niet redden. De Heer spreekt over Zichzelf als het brood uit de hemel waar de mens van kan eten; wie daarvan eet, zal niet sterven, maar het eeuwig leven hebben.

Voor de derde keer noemt de Heer Zich “het brood des levens”. Nu spreekt de Heer van “het levende brood, dat uit de hemel neerge­daald is”. Dit ziet op de menswording van de Heer. Hij kwam als het brood des levens uit de hemel; als iemand van dit brood eet, die zal leven en niet sterven.

Het brood dat Hij geeft, is zijn vlees, dat Hij geven zal voor het leven van de wereld. Het “vlees” is zijn lichaam. Dat lichaam heeft Hij ge­geven als offerande aan het kruis.

De Heer spreekt over zijn lijden en sterven aan het kruis als Hij zegt:

Het brood nu dat Ik geven zal, is mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld”. De Heer ziet vooruit naar het kruis, waar Hij de prijs voor de verlossing zou betalen om aan een verloren wereld het eeuwig leven te kunnen geven.

Mensen die het verzoenend lijden en sterven van de Heer ontkennen, moeten deze woorden wel overslaan. Ze zijn niet voor een andere uit­leg vatbaar. De woorden van de Heer zijn zo duidelijk dat er geen an­dere betekenis aan kan worden gegeven. Het brood dat Hij geeft is zijn vlees, en dat is zijn lichaam, dat Hij gegeven heeft voor het leven van de wereld.

Toen de Joden hoorden dat de Heer sprak over “zijn vlees”, begonnen zij onder elkaar te strijden en zeiden: “Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven”? Deze vraag laat net zo als bij Nicodémus en bij de Sama­ritaanse vrouw zien hoe verduisterd het hart van de natuurlijke mens is.

Het antwoord van de Heer begint weer met “Voorwaar, voorwaar”. Hij spreekt over het eten van het vlees van de Zoon des mensen en het drinken van zijn bloed. Wie dit niet doet heeft geen leven in zichzelf. “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en ik zal hem opwekken op de laatste dag. Want mijn vlees is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem”.

Het is vanzelfsprekend dat deze woorden niet letterlijk het eten van zijn vlees en het drinken van zijn bloed kunnen betekenen, het wordt figuurlijk bedoeld. De Rooms‑katholieke kerk leert dat hier het “sa­crament” van het avondmaal wordt bedoeld, dat hier dus gesproken wordt over het brood en de wijn van het avondmaal. Maar de Heer be­doelt hier evenmin het avondmaal als Hij de doop bedoelde in het der­de hoofdstuk toen Hij sprak over “geboren worden uit water en Geest”.

Een duidelijk bewijs van de ongerijmdheid van deze onbijbelse gedach­te is gegeven door Ryle:

1. Als de Heer met deze woorden het avondmaal bedoeld had, dan zou dit betekenen dat ieder die niet aan het avondmaal deelneemt, verlo­ren is. Alle kinderen die jong sterven, alle volwassenen die niet aan het avondmaal hebben deelgenomen, ook de moordenaar aan het kruis. hebben dan geen eeuwig leven, maar zijn voor eeuwig verloren in de hel. In de vroege kerk, in de tijd van Cyprianus, heeft men om deze reden kinderen aan het avondmaal toegelaten.

2. De leer dat de Heer met deze tekst het avondmaal bedoelde opent de deur voor formalisme en bijgeloof. Wat zijn er veel mensen die graag horen: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt ‑ wie eet van het brood en drinkt van de wijn van het heilig avondmaal ‑ heeft eeuwig leven”. Dit voorziet precies in de behoefte van het natuurlijk hart van de mens! Hij wil graag naar de hemel gaan enkel door het in acht nemen van kerkelijke gebruiken. Door deze leer lijden miljoenen zielen schipbreuk in de Rooms‑katholieke kerk.

3. Door te leren dat de Heer met deze tekst het avondmaal bedoelde, maakt men de behoudenis afhankelijk van een handeling die de mens moet verrichten. Dat heeft de Heer nooit zo bedoeld. Inderdaad heeft de Heer gezegd dat de gelovigen het avondmaal moesten vieren, maar de Heer heeft nooit gezegd dat degenen die het avondmaal vieren, daardoor gered zijn en dat degenen die het niet vieren, verloren zijn. Wat krijgen veel mensen berouw op hun sterfbed en komen dan nog tot bekering, zonder dominee of priester, zonder het avondmaal te kunnen vieren! Durft men te beweren dat al deze mensen verloren zijn?
Alleen het kostbare bloed van Christus kan de zondaar verlossen!”

Maar wat betekenen deze woorden dan wèl? Bij de woorden “vlees en bloed” dacht de Heer aan het offer van Zichzelf aan het kruis van Golgotha. Met eten en drinken bedoelde Hij de geloofsdaad waardoor wij deel hebben aan de kostbare resultaten van het offer van Christus. Door het geloof hebben we daaraan deel. Zonder geloof is er geen le­ven. In vers 53 spreekt de Heer over degenen die Hem hebben aange­nomen, die verlost zijn, gered door het storten van zijn bloed en daar­door het eeuwig leven hebben. In vers 54‑56 spreekt de Heer over het voortdurend eten en drinken van Hem. De gelovige moet zich door de Heer laten voeden. Het eeuwige leven dat hij bezit moet onderhouden en gevoed worden door Hem Zelf; daarom moeten we er mee door­gaan ons te voeden met zijn liefde.

Hierover spreekt ook de apostel Paulus met de woorden: “En wat nu mijn leven in het vlees betreft, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven (Gal. 2:20).

Door van Hem te eten en te drinken, worden we één met Hem: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in mij en ik in hem”.


6:60‑66


60 Velen dan van zijn discipelen die dit hadden gehoord, zeiden: Dit woord is hard, wie kan het aanhoren? 61 Jezus nu wist bij Zichzelf dat zijn discipelen daarover mopperden, en Hij zei tot hen: Valt u hierover? 62 Wat dan, als u de Zoon des mensen ziet opvaren waar Hij tevoren was? 63 De Geest is het die levend maakt; het vlees heeft geen enkel nut. De woorden die Ik tot u heb gesproken, zijn geest en zijn leven. 64 Maar er zijn sommigen onder u die niet geloven. Want Jezus wist van het begin af wie het waren die niet geloofden, en wie het was die Hem zou overleveren. 65 En Hij zei: Daarom heb Ik u gezegd dat niemand tot Mij kan komen, tenzij het hem van de Vader gegeven is. 66 Van toen af trokken velen van zijn discipelen zich terug en wandelden niet meer met Hem.

De Heer heeft zijn grote toespraak in de synagoge te Kapernaüm beëindigd. De slotwoorden herinnerden de Joden nog eens aan de belangrijke waarheid die Hij hen geleerd had en daaruit bleek ook de te­genstelling tussen het manna in de woestijn en de Heer Zelf, het levende brood uit de hemel. “Dit is het brood dat uit de hemel neergedaald is; niet zoals de vaderen, die het manna gegeten hebben en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal leven tot in eeuwigheid”.

En nu zien we de gevolgen van dit geweldig onderwijs. Het is duidelijk dat de vele discipelen die morden en zich van de Heer afwendden, niet de twaalf discipelen waren. Zij morden niet; misschien heeft Judas diep in zijn hart wel gemopperd. Met discipelen wordt hier bedoeld: de vele mensen die de Heer volgden in de hoop dat Hij, als de Messias, het koninkrijk in macht en heerlijkheid zou oprichten. Met deze aard­se verwachtingen in het hart noemden zij zich “zijn discipelen” en volgden de Heer. Het waren dezelfde soort mensen die genoemd wor­den aan het eind van het tweede hoofdstuk; het waren ook dezelfden die in vers 15 van dit hoofdstuk genoemd worden, die de Heer met ge­weld wilden wegvoeren om Hem koning te maken. Judas, met zijn be­geerte naar geld in het hart, volgde ook de Heer in de hoop dat de Heer koning zou worden; dan zou hij daar geldelijk voordeel van kun­nen hebben. Maar toen hij zag dat dit niet gebeurde, verraadde hij de Heer voor geld.

De zogenaamde discipelen zeiden: “Dit woord is hard”. Hard, want hun hoop werd de bodem ingeslagen; hard, want het was onaantrekke­lijk voor hen. Zij geloofden de woorden van de Heer niet over het ont­vangen van het eeuwige leven; zij stootten zich aan de verklaring van de Heer dat dit leven alleen ontvangen kan worden door het eten en drinken van het vlees en het bloed van de Heer.

Hoewel ze de Heer gevolgd waren, wilden ze zijn woorden niet aannemen. Ze weigerden zich er aan te onderwerpen. Het was in tegen­spraak met hun eigen mening en hun verwachtingen.

De Heer wist in zijn alwetendheid wat zij dachten en wat zij onderling tegen elkaar zeiden. Hij hoefde niet naar hun woorden te luisteren, “want Hij wist zelf wat in de mens was” (vgl. 3:25).

Als zij zich ergerden aan zijn leer, wat zouden zij dan zeggen als zij de Zoon des mensen zouden zien opvaren naar de hemel, waar Hij was voor Hij naar de aarde kwam? Dit is een belangrijke verklaring van de Heer. Zij hadden gemopperd toen de Heer zei dat Hij uit de hemel ge­komen was. Zij hadden gemopperd toen Hij sprak over het eten van zijn vlees. En nu spreekt Hij over hetzelfde lichaam, dat Hij had aange­nomen bij zijn menswording als Zoon des mensen, hetzelfde lichaam dat Hij zou geven voor het leven van de wereld aan het kruis; in dit lichaam zou Hij, als de Zoon des mensen, opvaren naar de hemel.

Dit ziet vooruit op zijn lichamelijke opstanding en zijn lichamelijke hemelvaart. Hier is het antwoord aan mensen die de lichamelijke op­standing en hemelvaart van onze Heer ontkennen. In het lichaam dat de Zoon van God aannam bij zijn vleeswording, dat lichaam dat was toebereid door een scheppende daad van de Heilige Geest, het lichaam dat aan het kruis hing, dat stierf en dat begraven is ‑ in datzelfde lichaam is Hij nu aan de rechterhand van God. Hij is daar als de ver­heerlijkte Zoon des mensen. In hetzelfde lichaam zal Hij binnenkort terugkeren naar de aarde.

Ook deze woorden van vers 62 zijn weer een bewijs van de Godheid van de Heer. Hij verklaart dat Hij na zijn lijden en sterven gaat naar de plaats waar Hij te voren was.

Daarna zegt de Heer: “De Geest is het die levend maakt; het vlees is van geen nut”. Hiermee bedoelt de Heer de Heilige Geest. Omdat de woorden van de Heer geestelijk zijn, gebruikt de Geest van God ze om mensen die geestelijk dood zijn, levend te maken en zo geeft Hij leven. Het vlees is van geen nut. Over deze woorden van de Heer zijn vele on­juiste commentaren geschreven. Maar de uitleg dat de Heer de Heilige Geest bedoelt en dient te werken in het meedelen van het eeuwig le­ven aan de gelovige, stemt geheel overeen met de rest van de leer van onze Heer in dit evangelie. Het eeuwig leven en de Heilige Geest kun­nen niet van elkaar gescheiden worden.

Terwijl de Heer sprak, wist Hij wat er in de harten van de mensen leef­de. Hij wist dat er sommigen waren die niet geloofden; als Hij naar de twaalven keek, wist Hij dat Judas Hem spoedig zou verraden. Hun on­geloof, dat zich uitte in het verwerpen van Hem en zijn woorden, was een bevestiging van de woorden die Hij even tevoren tot hen gespro­ken had: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij het hem van de Vader gegeven wordt” (vgl. vers 44). Maar meer dan dat: toen zij zich van Hem afwendden en Hem niet langer volgden, was het zijn troost en zijn vreugde dat allen die de Vader Hem gegeven had zouden komen en zijn eigendom zouden zijn.

6:67‑71


67 Jezus dan zei tot de twaalf: Wilt u soms ook weggaan? 68 Simon Petrus antwoordde Hem: Heer, naar wie zullen wij toe gaan? U hebt woorden van eeuwig leven. 69 En wij hebben geloofd en erkend dat U de Heilige van God bent. 70 Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u, de twaalf uitverkoren? En één van u is een duivel. 71 Hij nu sprak van Judas Iskariot, de zoon van Simon; want die zou Hem overleveren, één van de twaalf.

Dan zijn ze allemaal weg. Wat een toneel moet dat geweest zijn toen al die mensen al mopperend uit de synagoge van Kapernaüm gingen en waarschijnlijk buiten in groepjes hun verhitte discussie voortzetten.

Nu is de Heer alleen met zijn twaalf discipelen. Met hoeveel liefde moet Hij ben aangezien hebben toen Hij hen vroeg: “Wilt gij ook niet weggaan?”

Natuurlijk, de Heer wist wat zij zouden doen; daarvoor hoefde Hij hen deze vraag niet te stellen. Maar zijn liefhebbend hart verlangde naar een uiting van hun vertrouwen in Hem.

Het is Petrus die in naam van de anderen spreekt. Zijn impulsieve na­tuur heeft meteen een antwoord: “Heer, tot wie zullen wij heen­gaan?” Duizenden en duizenden gelovigen hebben hem dit nagezegd. Deze woorden zijn een uiting van de diepste gevoelens van Petrus. Hij was ervan overtuigd dat als ze de Heer zouden verlaten, er niemand zou zijn als Hij tot wie ze zich kunnen wenden.

Hem te kennen, in Hem te geloven, Hem te vertrouwen, Hem te vol­gen, in zijn gemeenschap te wandelen is de kostbaarste ervaring in het leven van een mens. Als Christus opgegeven wordt, waarheen moet de mens met zijn geestelijke honger dan gaan, om te vinden wat hij nodig heeft? Veel wordt de mens aangeboden buiten Christus om. Maar alleen Christus kan voldoening geven. Niet wat er in de hele we­reld gevonden wordt, kan ons hart bevredigen ‑ Christus alleen! “Van Christus weggaan is hier op aarde al duisternis; en het eindigt in een­zaamheid, hopeloosheid en wanhoop” (Dr. Lyman Abbott).

Petrus getuigt dat Christus “de woorden van eeuwig leven” heeft, en daarna getuigt hij over de Persoon van Christus in dezelfde geest als in Matth. 16:16: “Gij zijt de Heilige van God”.

Geen ander had ooit gesproken over het eeuwige leven als de Heer Je­zus Christus. Petrus die in Hem geloofde, had zijn woorden geloofd en hij kende dat eeuwige leven waarvan de Heer gesproken had. Daarna belijdt Petrus zijn geloof in Hem als de Messias, de zoon van de leven­de God.

Terwijl Petrus zo in naam van de twaalven sprak, wist de Heer dat één van die kleine groep een duivel was. Hij sprak van Judas Iskariot. Hij had hem uitverkoren, net zoals de anderen, maar dit betekent niet “uitverkoren tot behoudenis”.

Sommigen hebben beweerd dat de verrader van onze Heer ook een ga­ve van de Vader aan de Zoon was en dat de Heer Jezus hem uitverko­ren had om behouden te worden. Zij zijn van mening dat de uitverkie­zing van Christus, het geven en trekken van de Vader niet uitsluit dat zo iemand later weer afvalt.

Als dit waar was, dan is er een onoverkomelijke tegenstelling tussen de daden en de woorden van de Heer, want Hij leert later dat zijn scha­pen, die Hem van de Vader gegeven zijn, nooit verloren zullen gaan (10:28, 29).

De uitverkiezing van Judas betekent dat de Heer hem had uitverkoren voor het ambt van apostel. Hij had hem gekozen voor dit ambt, terwijl Hij tegelijkertijd wist dat deze man het werk zou doen dat in het pro­fetisch Woord in het oude testament was voorspeld en aangekondigd. Judas is nooit een echte discipel geweest; hij heeft nooit in Jezus ge­loofd, zoals Petrus geloofde in “de Christus, de Zoon van de levende God”. De Heer noemde hem “een duivel”. Judas was verbonden met “de mensenmoorder van den beginne”.


1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   25

  • 5:39-43

  • Dovnload 1.32 Mb.