Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wijsgerige antropologie

Dovnload 381.86 Kb.

Wijsgerige antropologie



Pagina1/17
Datum21.09.2017
Grootte381.86 Kb.

Dovnload 381.86 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   17

Wijsgerige antropologie
Geen historisch overzicht, maar ophangen aan verschillende thema’s.
Vier hoofdstukken. Moet op een ordentelijke manier zelf noteren, daar leer je het meest van.


  1. Klassiek, gaat terug op plato: wat is genot, genieten, rust, alle drie als synoniem. Hoe verhoudt genot zich tot het goede, tot het goede leven? Of het goede tot het genot. Als filosofen daarover nadenken dan doorgaans drie vragen:

    1. Vraag 1, is genot voor de mens het allerbelangrijkste? Technischer geformuleerd: is genot het hoogste goed? Zullen we afzonderlijk behandelen.

    2. Laat ons aannemen dat we argumenten kunnen geven voor de stelling dat genot niet het allerbelangrijkste is. Dan blijft de vraag, is genot iets waardevols? Niet het belangrijkste, maar is het iets goeds? Wat is de waarde? Lijkt een gekke vraag.

    3. Wat is genot? Wat is genieten, wat is lust? Je weet het uit ervaring, je hebt dat meegemaakt, je kan het wel herkennen, kan je het ook bepalen, definieren? Dan minder eenvoudig.

Eerste twee vragen noemt men morele vragen, gaat over de morele waarde, morele vraag. De derde is de ontologische vraag, wat is het? Wat is genot? Twee onderscheiden type vragen. Niettemin volgens veel filosofen: morele waarde hangt af van de ontologische vraag. Maar dat is niet evident. Dat houdt in, dat uit de aard van wat iets is, hoe iets is, daaruit automatisch de morele beoordeling volgt. Dat is een eigenaardig, ongewoon perspectief voor ons. Wij zijn geneigd te zeggen vandaag: de morele waarde wordt door het individu bepaald. Wat iets is bepaald de waarde, dat wordt door klassieke filosofen beweerd. Het zijn bepaald de waarde en niet omgekeerd, niet het individu.

Dat zijn de drie vragen.

Die drie vragen werden het eerst afgezonderd door Plato. Info daarover in de nota’s. hij heeft ze als eerste behandeld. Zijn antwoord is nog steeds richtinggevend. De eerste die daarop geantwoord heeft is Aristoteles, nog altijd voor christus. Dat zijn de eerste twee te behandelen filosofen.

Nadenken over genot was een van de centrale thema’s van deze filosofen. Belangrijk.

Plato en Aristoteles. Zoveel eeuwen later, na christus, augustinus.

Belangrijkste kerkvader. Van hem wordt gezegd dat het christendom en het westen er totaal anders hadden uitgezien als hij niet zo had gedacht. Augustinus heeft hier ook over nagedacht. Hij verdedigt een uitdagende stelling. Die lijkt onverdedigbaar: genot is door en door onbetrouwbaar, zelfs slecht. Uitdagende stelling, moeite om over na te denken.

Sprong van 15 eeuwen (preziece data boeien niet zo, je moet het maar ongeveer weten.)

Twee van de belangrijkste filosofen uit de 20e eeuw, Freud en Lacan. Freud is een filosoof. Geen wetenschapper. Zoveel eeuwen later verdedigd hij dezelfde stelling als Plato. Vergelijkbare definitie, plato dus nog steeds richtinggevend. Maar hij komt tot een andere morele beoordeling. Merkwaardig. Zowat de enige filosoof die een positief oordeel heeft van genot. Dat hangt samen met zijn definitie. Een leerling van Freud: Lacan, ook psycho-analyticus. Lacan zal tegen Freud in opnieuw de donkere aspecten van genot benadrukken. Hij was een frans psychiater, probeerde freud binnen de psychologie aanneembaar te maken.

Eerste vraag die we af zullen leggen: is genot het hoogste goed? Wat houdt deze vraag in? Als je zegt dat genot het hoogste goed is, het belangrijkste, dan bedoel je: genot is datgene omwille waarvan je alles doet. Daar is het je om te doen uiteindelijk. Finaal. Genot zelf wil je niet omwille van iets anders, is een eindterm. Je doet alles omwille van het genot en het genot wordt niet omwille van iets anders. Dat wil niet zeggen dat alles wat je doet aangenaam is. Als studeren dat niet is, dan doe je dat omdat je denkt dat het je naar een toestand zal brengen die wel genot brengt.

Geen filosofen die dat zonder meer zullen beweren.

Wellicht is dat eerder de verwoording van een stelling die onnadenkend geformuleerd wordt. Spontaan zeggen: dat is eigenlijk het belangrijkst. Filosofen die systematisch nadenken stellen dat niet.

Plato meent dat er filosofen zijn die dat wel beweren: hedonisten. Hedonisme. Maar hoe zit het nu? Hebben ze het wel verdedigd of niet?

Nee, omdat: het beeld dat Plato van hedonisme schetst, dat is een vertekend beeld. Hij stelt het voor als een brute positie. Als filosofen die een ongenuanceerde stelling innemen. Dat is niet wat het hedonisme of het epicurisme zegt. Voor allebei is het een kunst. Die kan je leren, kan je oefenen, daarin kan je je bekwamen. Voor epicurisme en hedonisme is genot iets dat je in cultuur moet nemen. Vormen, verfijnen. Helemaal iets anders dan wat Plato suggereert: wie alleen maar genot wil leeft als een dier.

Als je zegt dat je genot moet cultiveren, dan zeg je: genot is niet het allerbelangrijkste, niet zonder meer het allerhoogste. Niettemin blijft Plato argumenteren tegen diegenen die volgens hem zeggen: genot is het hoogste.

Dialoog Philebus. (lees daarbij Van Riel) dit is een vereenvoudigde versie van de uitleg van Van Riel. Plato reageerde tegen de Hedonisten, hij weerlegt die stelling. Laat zijn tegenstrevers verstrikken in tegenstrijdige, onsamenhangende argumenten.

Genot is niet het hoogste goed, zijn argument is niet een morele veroordeling. Niet: dat magniet, niet: dat hoort niet, niet: zo hoor je als mens niet te leven. Dat is niet de kern van zijn argument! Zijn argument is empirisch. Dat wil zeggen, beschrijvend. Niet, dat hoort niet, maar ten eerste beschrijvend. Mensen die beweren dat voor de mens genot het hoogste goed is, die suggereren ook dat dat nu eenmaal van nature zo is, de mens zit nu eenmaal zo in elkaar. Feitelijk wil de mens niet anders dan genot. Dat wil zeggen: kijk naar hoe de mens leeft en je zal zien, als het erop aankomt: genot. Plato: je hebt verkeerd gekeken, empirische claim, als je kijkt hoe mensen feitelijk leven, dan kan je zien dat het fout is. Zo leven mensen niet. Die empirische claim is fout. Dat is iets anders zeggen dan: zo hoort het niet. Empirische weerlegging. Is ook veel interessanter.

Stap verder, dat argumenteren. De stelling, genot is het allebelangrijkste, wordt weinig verdedigd, maar wint aan relevantie als je die koppelt aan een bepaalde definitie van genot. Dan is hij interessant om te bediscussieren. Dat is de meest gangbare definitie, maar daarom niet de juiste: genot is een gewaarwording. Genieten is iets gewaarworden, is een waarneming van het lichaam, iets voelen, dat is genieten. Als je geniet, dan wordt je iets gewaar aan je lijf. Gangbare definitie. Bepaalde verandering aan je lijf. Gangbare stelling om te zeggen dat wie beweert dat genot het allerbelangrijkste is, die beweert dat het hebben van een gewaarwording het belangrijkst is. Genot willen betekent dan, aangename gewaarwordingen willen. Sensaties. Die sensaties doen er op zich toe, als zodanig. Dat is waar het om gaat. Technischer geformuleerd: waar het om draait is het dat van de gewaarwording. Ze er is. Dat ze er is, daar gaat het om. Het dat van de gewaarwording primeert op het wat van de gewaarwording. Het wat is de inhoud. Het enige wat telt als je genot wil, is dat je aangename gewaarwordingen hebt. Datgene waarin, waardoor, waaraan je genot beleeft is van ondergeschikt belang, wat telt is het dat van je gewaarwording. Datgene wat het veroorzaakt ofzo is dan niet belangrijk. Het enige wat telt is het dat van gewaarwording. Definitie impliceert dus: genot is een inhoudsloze gewaarwording. Vaak verdedigde stelling. Zelfde stelling anders geformuleerd: zeggen dat het dat primeert op het wat komt hierop neer: als men je vraagt naar het belang van datgene waar je om geeft: dat je het belang ervan kan herleiden tot het geheel van aangename indrukken op mij. Wat is het belang van iets? Waarom is dat van belang? Het belang van iets kan je herleiden, terugleiden naar het geheel van aangename indrukken dat op je maakt, heeft. Inhoud wordt opgelost in de som van aangename indrukken dat het op je maakt.

Terugkoppelend naar de vraag: is genot het hoogste goed? Het enige wat telt is de aangename indrukken die het op ons maakt.

Hier zal de argumentatie van Plato niet hernomen worden, maar wel wijze van redeneren actualiseren. Zijn weerlegging hernemen in een terminologie die niet van Plato is. Deze stelling van Plato beargumenteren door empirische claims. Niet van zo hoort het niet, maar het klopt niet, zo leven we niet. Genot is voor mensen niet het hoogste goed.

Hoe empirisch in de filosofie? Voorbeelden, herkenbaar, maar ook functioneren als een gedachte-experiment. Moet herkenbaar zijn, maar tegelijk funderend als een gedachte-experiment. Voorbeelden worden gebruikt om het denken juist te oriënteren. Zo moet je kijken, zo moet je nadenken. Alle gewicht in de analyse komt op de voorbeelden terecht (altijd bij Plato) hier andere voorbeelden dan Plato. Argumenteren aan de hand van voorbeelden is kwetsbaar, alles hangt ervan af of je de voorbeelden kan meevolgen. Begripsanalyse gebeurt in functie van de voorbeelden. Voorbeelden worden niet uigewerkt in de nota’s.


Voorbeeld 1: het adoptiekind. (niet van Plato dus)

Verhaal gaat als volgt. Pasgeboren baby komt terecht in een milieu dat alle miserie van onze samenleving in zich verenigt: vader is drugsverslaafd, moeder heroïne verslaafde prostituee, kindermisbruik, incest. Kind zal daar niet ongehavend uitkomen. Biologische ouders stemmen in met adoptie. Kind geadopteerd door doorsnee burgerlijk gezin. Kind groeit op zoals alle adolescenten. Gaat goed. Na de pubertijd bvraagt het zich af wie zijn echte ouders zijn. De pointe: ouders, geodbedoelend houden de boot af. Vanuit de volgende redenering: in eerste instantie niet meedelend aan het kind: als je de waarheid gaat kennen, gaan de gevolgen ervan voor je welzijn niet te overzien zijn. Nu heb je het goed, maar het goede dat je nu hebt dat gaat verloren door de schop van de waarheid.

We breiden gedachtegang uit, niet enkel op korte termijn, maar op lange termijn. Ook op lange termijn is de schok niet te overzien, dat is het gedachte-experiment. Als de ouders zo redeneren dan nemen ze het standpunt in dat je het goed hebt. Dat is wat primeert.

Maar het kind komt terug met die vraag, ouders proberen de boot af te houden. Zal het adoptiekind zonder meer bereid zijn het antwoord van de ouders en de bijbehorende levenswijze te aanvaarden? Goed mogelijk dat het kind zegt: kan mij niet schelen, ik moet de waarheid kennen. Wat ook de gevolgen zijn voor mijn welzijn, ik wil de waarheid kennen.

Dan kan je niet meer de stelling verdedigen dat genot het hoogste goed is. Waarheid is belangrijker. Niet waarheid van ideeËn, gewoon: wie zijn mijn ouders. Feit dat persoon kan zeggen: ik wil de waarheid, ongeacht de voor of nadelen die het heeft voor mij, dan refereert hij aan iets belangrijkers dna de gewaarwording.

(pijn van het niet weten is minder dan de pijn van de waarheid)


Tweede voorbeeld:

Voorbeeld van de farmaceutische. Neurobiologie ofzo.

We hebben al, ieder voor zich een bepaald beeld, wellicht schematisch, van hoe een gelukkig leven eruit ziet. Dat ziet er voor ieder van ons in enige mate anders uit. Maar door de band genomen ziet dat er voor de meeste mensen hetzelfde uit. Mensen willen bijvoorbeeld bijna allemaal gewardeerd worden.

Laat ons aannemen dat de neurobiologie reeds zo ver is geëvolueerd dat zij in staat het het zijn een bepaalde stof toe te dienen, bepaalde stromen, elektrisch in mijn hersenen, die zo gericht zijn, zo geindividueerd, dat in mijn hersenen precies die centra geactiveerd worden, waardoor ik de onweerstaanbare indruk heb, onbetwijfelbaar, dat ik leef in de wereld die aan mijn verwachtingen en verlangens beantwoord. Ik heb de zekerheid dat ik in die wereld leef waarin iedereen mij graag ziet etc. alleen is het niet echt zo, alleen heb je wel die indruk. Men stelt mij deze mogelijkheid voor. Nu weet je dat het niet echt zal zijn, maar binnen een kwartier weet je dat niet meer, dan is alles goed. Als het alleen om de indrukken gaat, dan ja antwoorden, maar als je nee zegt, dan betekent dat dat het je om meer gaat dan alleen de indrukken. Spontaan nee, als iemand ja zegt, dan wekt dat medelijden op. Als iemand terminaal ziek is ofzo, dan wordt dat begrepen, maar je mag niet alles begrijpen in het licht van die noodsituaties.


Voor de mens primeert er dus iets anders: de waarheid. Dat zegt Plato al. Het gaat om meer dan alleen de indruk. Waarheid kan er meer toedoen dan de gewaarwording. Waarheid transcendeert de indruk.

Plato suggereert dat de mens altijd de waarheid laat primeren. Dat klopt niet. Er zijn situaties waarin de mens dat doet, maar niet altijd. Pijn van terminale zieken, dat willen we verdoven. Wij geven om een inhoud, die de effecten van die inhoud transcendeert. Wij geven om iets, dat de effecten die het op ons heeft overstijgt.

Dit gegeven heeft een grotere reikwijdte in ons leven, dan je zou vermoeden.

Het feit dat je geeft om je faam en naam. Zo noemden de grieken het: hoe mensen over jou spreken, wat mensen denken. Het merkwaardige ervan is dat je erom geeft, in omstanidgheden waar je er zelf niks meer aan hebt. De effecten voor jou zijn nihil. Men geeft erom hoe mensen na je dood over jouw spreken. Je naam na dit leven. Als je dood bent merk je niet meer hoe mensen over je denken. (tenzij je gelooft in leven na de dood, maar beetje vreemde theorie) je kan zeggen, ik wil niet dat men zo en zo over mij spreekt na mijn dood. Je geeft om een inhoud, ook al heeft dat geen invloed op je. Is niet superbelangrijk, maar we geven er wel degelijk om.

Interessante consequentie van de visise van Plato, die dus ook de onze is, is dat je heel duidelijk kan maken, heel duidelijk, zodat je het met je verstand begrijpt. Niet met gevoel, dat je met je verstand gebruikt wat het is dat je voelt. Niet mystiek, datgene wat er meer is dan de indrukken wordt precies aangeduid, precies omschreven: het kennen van de waarheid. Niet: ik voel dat er iets meer is. Het gaat om de waarheid, je wil dat weten. Merkwaardige, als je vraagt: waarom doet het kennen van de waarheid er dan toe? Dan kan je geen redelijk antwoord vinden. Je kan precies aanduiden wat het is dat er meer toe doet dan de gewaarwordingen, de waarheid, dat kan je zelfs definieren, maar als je vraagt waarom doet dat er toe, dan zal men dat niet uitgelegd krijgen. Het is de waarheid omwille van de waarheid. Gaat niet om de voor en nadelen ofzo, niet omwille van de voordelen, maar omwille van de waarheid. Daarom zijn mensen die de waarheid willen weten irritant.

Conclusie: het hoogste in de mens is datgene dat zichzelf niet kan verantwoorden.


Verdere reikwijdte dan je denkt.
Twee voorbeelden.

1 ieder van ons stelt het op prijs om bemind te worden, begeerd, bemind. Dat hebben we graag. Dat men mij waardeert doet mij alleen maar genoegen wanneer je dat niet doet om mij genoegen te doen. Ik wil dat je mij bemind, maar als je dat doet alleen om mij een plezier te doen, dan doet dat mij geen genoegen.


u ziet dat ik er niet goed aan toe ben vandaag. Beetje depressief. Dan opvrolijken, maar het niet menen. Als je er dan achter komt dat dat niet gemeend was, dan doet je dat geen genoegen.
2 persoonsverwisseling

Centraal thema in theaterwereld.

Wat is het gedachte-experiment, ik ben een bedeesde jongeman, verleifd op een vrouw, veel te bedeesd, kan geen contact leggen. Ik lijd. Een vriend heeft met mij te doen, regelt een date. Alles gaat goed, maar het was donker, je wee tniet dat ze niet de echte is. Je komt in een situatie van persoonsverwisseling. Je hebt met een persoon te maken, waarvan je niet weet dat het niet de echte is. Als je er dan achter komt, laat je dat dan onverschillig? Nee, genot wordt daardoor niet per se meteen waardeloos, maar er wringt wel iets. Het doet er toe dat het niet die persoon was. Het verschil is op het vlak van gewaarwordingen niet uit te leggen, maar het doet er wel toe.

Dus genot is niet het aller belangrijkst, maar is het goed? Is het iets goeds?

Twijfel. Vaststelling: lust en het goede convergeren niet spontaan. Gaan niet spontaan in dezelfde richting. Gebaseerd op een vaststelling. Lust kan ten koste gaan van het welzijn van een ander, maar dit is geen moraalfilosofie, dus eraan toevoegen: lust kan ook je eigen welzijn beschadigen.
De meest verdedigde stelling met betrekking tot de morele waarde van het genot: genot is moreel neutraal.

Wat bedoeld men daarmee? Moreel neutraal, niet genot geeft niet om goed en slecht, maar genot heeft op zich geen morele waarde. Noch goed, noch slecht. Dat is neutraal. En daarbij: de morele waarde van het genot komt niet van het genot, maar van datgene waarvan je geniet,de inhoud bepaalt de morele waarde.

De waarde veranderd in functie van datgene waarvan, of waardoor. Bijvoorbeeld: het seksueel genot is overal hetzelfde, gangbare stelling, maar de waarde ervan verandert of je dat genot vindt in het verkrachten van een kind, van een volwassen vrouw, of in de liefde van een volwassen persoon. De inhoud bepaalt de waarde van je genot. Je genot wordt slecht, wanneer datgene waarvan je geniet slecht is. Het seksuele genot is neutraal, dat is wat het is, maar de inhoud bepaalt of dat dat goed is. Meest verdedigde stelling.

Plato niet mee eens: te mild, genot is moreel onbetrouwbaar, dat is sterker dan neutraal. Augustinus nog een sterkere claim: genot is slecht.

Deze vraag hangt onlosmakelijk samen met de derde vraag: wat is genot.


  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   17


Dovnload 381.86 Kb.