Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wil de echte Trinidadiaan nu opstaan? Dougla-identiteit in postkoloniaal Trinidad 1962-2006

Dovnload 0.5 Mb.

Wil de echte Trinidadiaan nu opstaan? Dougla-identiteit in postkoloniaal Trinidad 1962-2006



Pagina1/9
Datum12.06.2017
Grootte0.5 Mb.

Dovnload 0.5 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9


Wil de echte Trinidadiaan nu opstaan?
Dougla-identiteit in postkoloniaal Trinidad 1962-2006
Maisiah Noorman

Masterthesis Maatschappijgeschiedenis

Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen

Erasmus Universiteit Rotterdam

Studentnummer: 266395

Begeleider: Prof. Dr. A.A. van Stipriaan Luïscius

Datum: 27-11-2006

Mr. Trinidadian*

The conservative only talking race

Yet so much Dougla over the place

*Calypsolied door Maestro, 1974






Inhoudsopgave

Voorwoord 6

Hoofdstuk 1: Inleiding 7

§ 1.1 Methodologie en verantwoording 10

§ 1.2 Scriptie-indeling 14

Hoofdstuk 2: Historiografisch debat 15

§ 2.1 Verduidelijking van enkele begrippen 15

§ 2.2 Caribische historiografie 20

§ 2.3 Creolisering heroverwogen 28

§ 2.4 Dougla poetics 30

Conclusie 32

Hoofdstuk 3: ‘Eenheid door diversiteit’ of douglarisering? Het debat over samenleven 33

§ 3.1 (Anti-) douglariseringsdebatten 33

§ 3.2 Indo-Trinidadiaanse Identity Politics 39

§ 3.3 Nationale identiteit en de Dougla-figuur 44



Conclusie 46

Hoofdstuk 4: Postkoloniale machtsverhoudingen en de constructie van etniciteit 48

§ 4.1 ‘Mother Trinidad and Tobago’ en de formatie van de DLP en de PNM 48

§ 4.2 Black power beweging 50

§ 4.3 NAR experiment 53

§ 4.4 UNC “Black man how on earth you could condone this?” 54

§ 4.5 Arbeidsdeling 56

§ 4.6 ‘Dougla-perspectief’ op politieke ontwikkeling 57

Conclusie 59

Hoofdstuk 5: Historische ontwikkeling van de Dougla categorie 60


§ 5.1 1961:‘Spit me in two’ versus 1995: ‘Jahaji Bhai’ 60

§ 5.2 De levensvatbaarheid van de Dougla etniciteit 64

§ 5.3 ‘Dougla-perspectief’ op historisch verloop van hun etnische groep 67

Conclusie 69


Hoofdstuk 6: Dougla identiteit; keuze gemixte identiteit of mono-etniciteit? 70
§ 6.1 Dougla ervaringen 70

§ 6.2 Uiterlijke verwarring 74

§ 6.3 Zeggenschap in manifestatie etniciteit 77

Conclusie 79


Conclusie 80


Literatuurlijst 83


Archivalia 87
Bijlagen 88


Voorwoord
Het onderzoek voor deze scriptie is grotendeels tijdens het 10-weken durende veldwerk in Trinidad verricht. Ik kwam in aanraking met het onderwerp ‘etniciteit in Trinidad’ via het onderzoekscollege Diaspora, tijdens mijn bacheloropleiding maatschappijgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Tijdens dit vak zou mijn werkstuk gaan over de Indiase diaspora in Trinidad. Al snel, echter, las ik over de etnische verhoudingen tussen Indo-Trinidadianen en Afro-Trinidadianen en over de fascinerende verwikkeling van Douglas, mensen van gemixte Indo-Trinidadiaanse en Afro-Trinidadiaanse afkomst, binnen de Trinidadiaanse maatschappij. Het is mijn intentie om voor deze these, de nadruk op de Indiase diaspora iets meer los te laten om via de groep Douglas een evenwichtiger beeld te schetsen van etnische verhoudingen in Trinidad.

Voordat ik naar Trinidad vertrok heb ik contact gelegd met Dr. Lancelot Cowie. Dr. Cowie is directeur van Centre for Latin America and the Caribbean (Cenlac). Dit departement is onderdeel van de University of the West Indies (UWI). Naast het verzorgen van een onderwijs, wordt er ook onderzoek gedaan. Bij de sociaal en cultureel wetenschappelijke onderzoeken, staat het zoeken naar meer oriëntatie in eigen regio en Zuid-Amerika centraal. Cowi leidt dit centrum samen met Nina Bruni. Cowie heeft een grote rol gespeeld in het mij welkom laten voelen op de UWI. Hij heeft een aantal belangrijke zaken voor mij geregeld, zoals toegang tot de bibliotheek. Ook raadde Nina Bruni mij aan contact op te nemen met Sheila Rampersad.

Ik kende Sheila Rampersad van publicaties over Dougla-identiteit, maar wist niet dat ze op de UWI werkzaam was. Ik heb twee keer zeer nuttige gesprekken met haar gevoerd. Een belangrijk advies dat ze me gaf voor het onderzoek is goed na te denken over douglariseren in culturele zin en douglariseren in ‘fysieke’ zin. Zij gaf aan dat zij in haar artikelen zich meer op het culturele aspect richtte, doordat zij zich meer met literatuur studie bezig houdt. Volgens Rampersad is het heel belangrijk je bewust te zijn van deze twee lagen, maar het is volgens haar niet mogelijk om dit totaal los van elkaar te zien, omdat in Trinidad etniciteit zo bepalend is en tegelijk zo nauw verbonden aan uiterlijke kenmerken. Deze uiterlijk kenmerken dragen volgens Rampersad een culturele bagage met zich mee. Haar tips en anekdotes heb ik meegenomen in verdere aanpassingen van mijn onderzoeksplan.

Toen ik aankwam op Trinidad maakten verschillende mensen mij attent op de hoge criminaliteitscijfers en raadden mij aan zeer voorzichtig te werk te gaan. De veiligheidssituatie in Trinidad is van zekere invloed geweest op het verloop van het onderzoek. In deze periode was het in mindere mate mogelijk om overal zomaar op af te stappen, omdat het zeer sterk afgeraden werd om op stap te gaan naar onbekende plekken en om ’s avonds alleen over straat te gaan. Om deze reden heb ik mijn respondenten benaderd via contacten die ik in de loop van de onderzoeksperiode opbouwde. Zo ben ik mijn buurmeisje Lynn Dangler, mijn vriend Wendell Pamphill, Gregory Richardson, die onderzoek deed in Trinidad voor zijn Masteropleiding Latin American and Caribbean Studies aan de Universiteit Utrecht en Michelle van organisatie Shalimar, zeer dankbaar, dat ze mij in contact brachten met de respondenten.

Ook ben ik mijn begeleider Prof. Dr. A.A. van Stipriaan Luïscius zeer dankbaar voor zijn hulp en aanwijzingen bij het opstellen van het onderzoek en het aanscherpen van de onderzoeksvragen voor deze scriptie.


Inleiding
Trinidad wordt vaak vergleken met een callaloo. Dit is een lokaal gerecht gemaakt van jonge Dasheenbladeren, die met kokosmelk, kruiden, krab of kip tot een dikke brei worden gekookt. Callaloo wordt gebruikt als metafoor voor nationale eenheid, omdat van veel verschillende ingrediënten één nationaal gerecht wordt gemaakt. Trinidad kent wel meer culinaire metaforen om haar multi-etnische opmaak aan te duiden. Zo wordt Trinidad ook vergleken met pelau, een rijst gerecht met groenten en vlees of kip erin, om aan te geven dat Trinidad ‘one big mix up’ is. Interessant voor het metaforisch gebruik van dit gerecht, is dat zowel Chinezen, als the Spanish, als Afro-Trinidadianen, als Indo-Trinidadianen menen het pelau-recept naar Trinidad te hebben gebracht.1 Dit houdt in dat het discours dat de nationale eenheid van Trinidad uitdraagt hetzelfde discours is dat de wij-zij scheiding benadrukt.

Enerzijds koestert Trinidad haar imago van het Caribische eiland met grote etnische, culturele en religieuze verscheidenheid. Anderzijds zijn er ook spanningen en lijken etnische groepen vaak om de nationale identiteit te strijden. Er bestaan hardnekkige vooroordelen over elkaar en er is angst voor etnische dominantie. Etniciteit is een belangrijke factor in de maatschappelijke organisatie van Trinidad. Vooral politieke verhoudingen zijn verdeeld op grond van etniciteit, met name tussen de twee grootste bevolkingsgroepen: Afro- en Indo-Trinidadianen, die respectievelijk 37,5% en 40,0% van de bevolking uitmaken. Dit onderzoek analyseert hoe Douglas, nakomelingen van een inter-etnische relatie tussen Indo- en Afro-Trinidadianen, verwikkeld zijn in dit spanningsveld.

Bij het zien van drie bergen noemde Columbus het eiland Trinidad: heilige drie-eenheid. Vanaf dit moment werd er om Trinidad gevochten door voornamelijk Spanjaarden en Britten. Na de Spaanse kolonisatie, die startte in 1777, namen de Britten Trinidad in beslag in 1797. Zowel tijdens Spaanse als Brits koloniaal bestuur, werden Franse planters aangetrokken om plantages op te zetten in Trinidad. De Franse planters vestigden zich vaak permanent op Trinidad, terwijl de Britse ambtenaren na een bepaalde termijn vaak weer terugkeerden naar Groot-Brittannië. Hierdoor is er sprake van een grote Franse invloed in Trinidad terwijl het nooit onder Frans bestuur is geweest.

De planters stichtten plantages waar zij tot slaaf gemaakte Afrikanen op dwongen te werken. Toen in 1834 de slavernij officieel werd afgeschaft2, haalden de Britten zogenaamde ‘contractarbeiders’ uit India. In 1845 arriveerde het eerste schip de Fatal Rozack met 225 Indiase mannen, vrouwen en kinderen. Zij werden overgehaald om voor een bepaalde tijd en voor weinig geld op de plantages te werken. De verscheping van Indiërs ging door tot in 1916 een einde kwam aan de invoer van Indiërs door nationalistische oppositie in India die zich keerde tegen deze vorm van arbeidsmigratie. De Indiërs in Trinidad hadden de mogelijkheid om terug te keren na de periode van contractarbeid, veel Indiërs kregen een stukje land aangeboden als ze op Trinidad zouden blijven. Sommigen van hen namen de kans weer terug te gaan, maar de meeste Indiërs zijn op Trinidad gebleven.

De migratiegeschiedenis van beide groepen verschilt in grote mate. De contractarbeiders uit India arriveerden later dan de tot slaaf gemaakte Afrikanen. Doordat contractarbeid in principe van tijdelijke aard was gaf dit geen sterke impuls tot aanpassing aan de nieuwe leefomgeving. Doordat de contractarbeiders terecht kwamen op het platteland3 met ongeveer dezelfde klimatologische omstandigheden hoefden zij hun levensstijl niet in grote mate te veranderen. Veel Indiërs leefden in de periode van contractarbeid met het idee ooit nog terug te keren naar India. De culturele structuur, die van dien aard was dat er sterke groepsbindingen ontstonden via familieverbanden, religie en besluitvormingsstructuur in de gemeenschappen via de ‘pachayat’ (een soort dorpsraad), maakte dat zij in Trinidad een hechte interne gemeenschapsbinding konden houden. Doordat de meeste uit dezelfde provincies kwamen, namelijk uit United Provinces en Bihar, kon het Hindi als gemeenschappelijke taal worden gebruikt.4

In Trinidad leven ook Chinezen, Indianen, Europeanen, Portugezen5, Libanees-Syriërs en Spanish people. Spanish is een etnische categorie in Trinidad die op verschillende manieren wordt uitgelegd. Er worden soms Carib-indianen of Amer-indianen mee bedoeld. Verschillende Indianenvolkeren kwamen ca. 300 v. Chr. van het vasteland van Zuid-Amerika naar Trinidad. Met Spanish worden ook de Venezuelanen, die in het begin van de 20e eeuw naar Trinidad kwamen om in de olieverwerkende sectoren te werken bedoeld. Soms wordt er een lijn getrokken naar de Spanjaarden die enkele eeuwen geleden Trinidad koloniseerden. Spanish is een etnische categorie met een gemixte connotatie, evenals Dougla, en wordt soms verward of gebruikt in plaats van Dougla.

In de Caribische context wordt het woord ‘Dougla’ in Trinidad & Tobago, Guyana en Suriname gebruikt om mensen aan te duiden die voort zijn gekomen uit een interraciale verhouding tussen een Indo-Caribiër en een Afro-Caribiër. In het Caribisch gebied wordt de term verstaan als ‘bastaard’. De oorsprong van het woord moet worden gezocht in India. Sheila Rampersad stelt dat Dougla een woord uit het Hindi6 is, dat in enkele gebieden van India wordt gebruikt om het nageslacht van inter-religieuze of inter-kaste seksuele relaties aan te duiden.7 Rhoda Reddock vond in Sankshipt Hindu Shabdasagar8 dat Dougla in eerste instantie ‘het nageslacht van een inter-varna huwelijk’ betekent en daarmee de connotatie van bastaard verkrijgt. In de tweede instantie betekent volgens dit woordenboek ‘Dougla’ illegitieme zoon van een prostituee9. Voor veel mensen, vooral in de Indo-Trinidadiaanse gemeenschap, is de connotatie met illegitimiteit en met de term ‘bastaard’ nog niet helemaal verdwenen. In Trinidad wordt de term Dougla gebruikt om iemand met een Afro-Trinidadiaanse en een Indo-Trinidadiaanse ouder aan te duiden of als scheldwoord, om iemand van gemixte afkomst af te wijzen.10

Douglas hebben een interessante symbolische plek in Trinidad. Omdat de etnische categorieën ‘African’ en ‘Indian’ uit elkaar gehouden worden door stereotypen en door een wederzijdse angst voor dominantie vormen Douglas, al dan niet bewust, een mogelijkheid om deze categorieën te ontregelen en wellicht dichter bijeen te brengen. Dit roept de vraag op:


Is de Dougla-figuur veranderd van illegitieme bastaard tot zelfgekozen identiteit die symbool staat voor nieuw postkoloniaal Trinidad in de periode 1962-2005?

Er is veel onderzoek gedaan naar etnische verhoudingen in Trinidad. Vaak verschenen en verschijnen er sociaal-wetenschappelijke studies over dit onderwerp bij disciplines als Cultural Studies en Race relations. Ook zijn er uitgebreide historische werken vervaardigd over dit onderwerp. Vanaf de jaren 1960 kwam onderzoek naar etniciteit op Trinidad, en elders, goed op gang. Zoals we zullen zien in hoofdstuk 2 werden er, aan de vooravond van en na de onafhankelijkheid, veel theoretische werken gepubliceerd over de vorming van multi-etnische natiestaten in de postkoloniale situatie. Naast theoretische modellen werden er ook onderzoeken gedaan naar etniciteit op een kleinschaliger niveau. Vaak werden aparte groepen bestudeerd op antropologische wijze. Een voorbeeld hiervan is de studie van M. Klass11, waarin wordt besproken hoe de Indiërs hun cultuur behouden in Trinidad. Later is meer aandacht gekomen voor interactie tussen verschillende groepen, een dialectische trend die in etniciteitstudies in het algemeen wordt waargenomen. Ook is de nadruk steeds meer komen te liggen op etniciteit als instrument, de sociale constructie en manipulatie wordt meer benadrukt. Mede door deze breuk van het geloof in concepten als ‘pure rassen’ en ‘pure etnische categorieën’ is er ook meer aandacht gekomen voor hybriditeit, ‘tussenin’-categorieën en mengvormen.

In het begin van de jaren 1990 werd er onderzoek gedaan naar Dougla-identiteit en naar Douglarisering. Douglarisering heeft overigens verschillende betekenissen. In het alledaagse spraakgebruik betekent douglarisering de vermenging, vaak de fysieke vermenging, tussen Indo- en Afro-Trinidadianen. In het academische discours verwijst het naar culturele osmose tussen Indo-Caribische en Afro-Caribische gemeenschappen.12 Opvallend aan de onderzoekstrend van douglarisering, is dat niet langer de dominante groepen en etnocentristische uitspattingen bestudeerd worden, maar juist de culturele en letterlijke vermenging en tussenvormen aandacht krijgen. De nadruk wordt in dit onderzoek gelegd op wat daarmee gebeurt, hoe Douglas over douglarisering spreken en denken en hoe zijzelf hun positie definiëren en wat voor ervaringen zij hebben gehad; dat zegt iets over hoe etniciteit werkt in Trinidad.

Wat opvalt is dat veel onderzoeken omtrent douglarisering zelden het perspectief van Douglas hanteren als uitgangspunt voor hun onderzoek. In een artikel laat Rhoda Reddock wel Dougla respondenten aan het woord in de vorm van een opsomming van korte citaten. Echter, niet eerder is de ‘Dougla-stem’ gebruikt als kern van een onderzoek. Ik heb geprobeerd dit in dit onderzoek wel te doen door middel van veldwerk dat ik in Trinidad heb verricht.

Daarnaast is een belangrijk doel om te bekijken in hoeverre de dougla etniciteit nu een aparte categorie is geworden in Trinidad en om deze zo mogelijk in historisch perspectief te plaatsen. Etniciteit heeft alles te maken met machtsverdeling en sociaal-maatschappelijke omstandigheden. Daarom is het van groot belang de etnische verhoudingen te historiseren en om zo mogelijk ook de Dougla etniciteit in historisch perspectief te plaatsen.

Een laatste aspect dat mij is opgevallen is dat veel studies van douglarisering zich concentreren op Indo-Trinidadianen die zich tegen vermenging keren. Er is nauwelijks aandacht geweest voor attitudes van Afro-Trinidadianen ten opzichte van douglarisering. Dit is te verklaren doordat veel van deze onderzoeken zijn gestart vanuit het perspectief van Indiase diasporastudies. Dit is een gemis in kennis en deze ontwikkeling kenmerkt zich dan ook door een zekere eenzijdigheid, waarbij men ervan uit lijkt te gaan dat Afro-Trinidadianen hier passief, meningloos tegenover staan en almaar afgewezen worden. In dit onderzoek is getracht deze leemte in kennis op te vullen door op evenwichtige wijze te analyseren hoe beide etnische groepen zich opstellen in de zogenaamde ‘douglariseringsdebatten’.


§ 1.2 Methodologie en verantwoording
Onderzoeksgebied en -periode
Het onderzoek bestaat uit literatuuronderzoek en veldwerk in Trinidad. Dit veldwerk werd verricht tijdens een verblijf van 10 weken (6 februari 2006 tot en met 16 april 2006) in St. Augustine in Trinidad. Onderzoeksvragen en interviewlijsten waren van tevoren voorbereid.13 Echter, bij onderzoek op een onbekende bestemming is het niet goed mogelijk alles van tevoren te plannen, dus heb ik mij flexibel opgesteld en een aantal dingen ter plekke besloten.

Een van deze besluiten was de precieze afbakening van het onderzoeksgebied. Mijn onderzoek gaat over Trinidad, dit eiland is een onderdeel van de natiestaat Trinidad en Tobago. Tobago wordt in het onderzoek buiten beschouwing gelaten, omdat de bevolkingssamenstelling in Tobago in grote mate verschilt van Trinidad. Terwijl Trinidad een multi-etnische bevolking kent is Tobago voornamelijk Afro-Tobagoniaans. In Trinidad is het onderzoeksgebied verder beperkt tot the ‘East-west corridor’. Dit is een van de hoofdwegen tussen de hoofdstad Port of Spain en Arima. Dit gebied kan gekarakteriseerd worden als het meest urbane en dichtstbevolkte gebied van Trinidad. Ik verbleef deze tien weken in St. Augustine, op drie minuten loopafstand van de University of the West Indies (UWI), en dit lag aan de East-West corridor, ten oosten van het stadje Curepe (zie kaart).

Het beginpunt van de analyse valt samen met de onafhankelijk van Trinidad en Tobago en loopt tot en met 2006. De vooravond van de onafhankelijkheid was een periode waarin etnische tegenstellingen op scherp gezet werden. In de koloniale periode waren de tegenstellingen vooral aanwezig tussen het koloniale bestuur en de opkomende zwarte en gekleurde middenklasse. Op dit strijdtoneel mengden Indo-Trinidadianen zich in gering mate, wel hadden zij eigen verenigingen en partijen opgericht. Toen zelfbestuur in het vizier lag in het begin van de jaren 1960, was het duidelijk dat de partij (en etnische groep) die de volgende verkiezingen zou winnen de natiestaat de onafhankelijkheid zou indragen. Na een lange periode van kolonialisme, zouden Trinbagonianen zeggenschap krijgen over de te varen koers van hun natiestaat. In dit kader konden verhoudingen veranderd of juist verscherpt worden. De gehele postkoloniale periode tot nu toe blijkt doorspekt te zijn van wederzijds wantrouwen en angst voor etnische dominantie van de ander.


Veldwerk
Enerzijds is etniciteit iets dat zo vanzelfsprekend is en ook op zo’n vanzelfsprekende manier werkt, anderzijds vinden veel mensen het niet leuk om over etniciteit te spreken als problematisch fenomeen. In Trinidad zeggen de meeste mensen dat er geen enkel probleem is tussen verschillende bevolkingsgroepen en dat iedereen een grote familie of callaloo is. Kortom: Het zou erg vreemd staan als een studente uit Nederland op iemand afstapt om te vragen of hij Dougla is en of hij bereid is tot een interview betreffende hun identiteit in Trinidad. Dit vereist een subtielere aanpak. In ben in contact gekomen met de respondenten door middel van contacten die ik in Trinidad heb gelegd.

Een belangrijke vraag bij het werven van respondenten was natuurlijk: wie is Dougla? Immers wilde ik graag Douglas interviewen om antwoord te vinden op mijn onderzoeksvraag. Echter, het gaat voor dit onderzoek niet om een raciaal biologisch fenomeen, maar om identiteitsvorming. Ik wil graag duidelijk maken dat het concept van ‘pure rassen’ niet geaccepteerd wordt in deze scriptie. Ik beschouw etniciteit als iets dat alleen door aannames, discoursen en het handelen van mensen wordt geconstrueerd. En dus zocht ik naar mensen, die in enige mate een gemixte identiteit aannamen en die iets konden vertellen over het spanningsveld tussen de etnische constructies van Indo- en Afro-Trinidadianen.

In de volgende paragraaf zal ik de respondenten introduceren. Duidelijk zal worden dat columnist en presentatrice Jaye-Q Baptiste een ‘Dougla-stem’ vertegenwoordigt, maar haar voorouders komen niet alleen uit India en Afrika, maar ook uit Portugal, China en Venezuela. Ik beschouw Leonna Lewis als een zeer waardevolle respondent. Haar vader is van Venezuelaanse en Chinese afkomst en haar moeder is Indo-Trinidadiaanse. Dus in strikt ‘biologische’ zin is zij geen Dougla, maar zij vormt voor de buitenwereld wel een soort Dougla-gezin, omdat veel mensen denken dat ze Indo-Trinidadiaans is en haar man is Afro-Trinidadiaan. De verwikkelingen die dit met zich brengt, zijn voor dit onderzoek zeer significant.

Naast de interviews heb ik ook veel informele gesprekken gevoerd. Hierbij moet gedacht worden aan gesprekken met mensen op de UWI en praatjes die ik maakte met mensen op straat. Een andere belangrijke strategie, om een samenleving aan te voelen en te begrijpen hoe etniciteit ‘werkt’, is door er een poosje te wonen, je zoveel mogelijk te mengen in het alledaagse leven, de kranten te lezen en door altijd op te letten wat er gebeurt met speciale aandacht voor het onderzoeksonderwerp. Als in dit artikel verwezen wordt naar veldwerk dan wordt er gedoeld op de combinatie van het afnemen van de interviews, de informele gesprekken met mensen en observatie.


De Dougla-respondenten


  • Candice Arjoon, 20 jaar, komt uit Mayaro en studeert biologie aan de UWI, ze is verbonden aan Shalimar een katholiek instituut, dat jonge vrouwen helpt met studie, werk en culturele vorming.

Interview vond plaats op 16 maart 2006


  • Jaye-Q Baptiste, 37 jaar, woont in Port of Spain. Ze is schrijfster columniste en Televisiepresentatrice, momenteel presenteert ze The Jaye-Q show op CNC3. Ik kende Jaye-Q door haar columns die ze schreef voor de krant The Trinidadian Guardian, deze columns gingen vaak over haar gemixte Dougla identiteit. Het was erg makkelijk met haar in contact te komen en ze wilde graag meewerken. Wel moet hier vermeld worden, dat ik niet dezelfde vragen heb gesteld als vermeld bij de interviews in de bijlagen. Dit komt doordat ik al veel columns gelezen had en haar niet naar de bekende weg wilde vragen. Ik heb enkele kernvragen aangehouden en het gesprek gewoon laten verlopen.

Interview vond plaats op 25 maart 2006


  • Stacey Encinas, 24 jaar, komt uit West-Moorings. Zij volgt een studie rechten in Tunapuna

Interview vond plaats op 13 maart 2006



  • Stephen Francois, 43 jaar, woont in Arima, Stephen is loodgieter van beroep

Interview vond plaats op 5 april 2006


  • Sybell Francois, 72 jaar, woont in Arima, een groot deel van kinderen en kleinkinderen woont in Canada.

Interview vond plaats op 5 april 2006


  • Bhamaite Jaikaran, haar roepnaam is Mary, woont in Arima, 35 jaar, huisvrouw en moeder

Interview vond plaats op 8 april 2006


  • Shanti Liverpool, 22 jaar, woont in St. Clair, studeert Frans en Spaans aan UWI en is ook verbonden aan Shalimar

Interview vond plaats op 6 april 2006


  • Leonna Lewis, 37 jaar, woont in Cedros, is werkzaam als bejaardenverzorgster in een bejaarden tehuis in Tunapuna

Interview vond plaats op 23 maart 2006



  • Lyzelle Rampersoop, 21 jaar, woont in Arima, Ze begon ten tijde van het interview haar eerste baan als brandweervrouw, Lyzelle wilde liever niet dat het interview opgenomen werd met de voicerecorder

Interview vond plaats op 6 april 2006



  • Alan Sinaswee, 50 jaar, woont in Arima, werkloos

Interview vond plaats op 5 april 2006


Interview vond plaats op 8 maart 2006


  • Malika Thompson, 19 jaar, woont in Cunapy. Ze studeert aan de UWI. Haar vader is van Afrikaanse afkomst en haar moeder van Indiase afkomst. Zijzelf deed ten tijde van het interview mee aan een verkiezing om de African Association op de universiteit voor te zitten. Deze organisatie richt zich op het verhogen van het Afrikaanse bewustzijn. Volgens haar was het belangrijk te zorgen het Afrikaans bewustzijn op gelijke hoogte te brengen als het bewustzijn van de Indo-Trinidadiaanse gemeenschap.

Interview vond plaats op 15 februari 2006
Toelichting onderzoekspopulatie
Weliswaar worden de bevindingen van de interviews vergeleken met andere onderzoeken en andere literatuur, maar de kennisverwerving over de Dougla identiteit is voor een groot gedeelte gebaseerd op de interviews met de respondenten. Er is gekozen voor een ‘bottom-up aanpak’, omdat identiteit en etniciteit door gewone mensen geconstrueerd wordt. Het was mijn intentie om een zo divers mogelijke onderzoekspopulatie samen te stellen. Ik ben tevreden met het feit dat ik mensen uit verschillende generaties heb kunnen interviewen. Ook wat betreft sociale klasse is het tot op zekere hoogte gelukt diversiteit in de onderzoekspopulatie te brengen. Ik heb een biologiestudent, een loodgieter en een bejaardenverzorgster geïnterviewd. Duidelijk is wel dat de studenten in de meerderheid zijn. Dit komt omdat ik veel op de UWI aanwezig was en omdat ik een aantal contacten hier opbouwde. Voordeel is wel dat de studenten die ik heb geïnterviewd vaak erg bewust waren van hun identiteit en zeer goed in staat waren dit te verwoorden. Dit leverde interessante gesprekken op.

Een ander belangrijk punt is sekse. De sekseverdeling is niet gelijk. Van de twaalf respondenten zijn er tien vrouw en twee man. Ik had graag evenveel mannen als vrouwen geïnterviewd, maar doordat ik op subtiele wijze via derden met respondenten in contact kwam was het niet makkelijk om voorwaarden te stellen aan de mensen die mij hielpen. Ik heb in de interviews met de twee mannen, Stephen en Alan echter niet grote verschillen opgemerkt ten opzichte van de vrouwelijke respondenten. De interviews gingen immers ook om aspecten rondom etniciteit en niet om sekse. Ik heb de indruk dat sekse een grote importantie heeft bij het ‘douglariseren’, dus het aangaan van een inter-etnische relatie: het is immers makkelijker voor Indo-Trinidadiaanse mannen om een relatie aan te gaan met iemand uit een andere etnische groep, dan voor Indo-Trinidadiaanse vrouwen. Uit mijn veldwerk heb ik echter niet opgemerkt dat de ervaringen van een Dougla man anders hoeven te zijn dan die Dougla-vrouw.

De uitkomsten van mijn veldwerk voor het verrichte onderzoek zijn niet generaliseerbaar ook is de onderzoekspopulatie niet representatief voor de Trinidadiaanse bevolking. Dit was vóór mijn vertrek al bekend, omdat het in tien weken onmogelijk is om zo’n groot aantal mensen te interviewen, voor een representatieve steekproef. Doel van de interviews is om een inkijk te geven in de Dougla-identiteit. Ik beschouw de meningen en bijdragen van de respondenten als zeer relevant en waardevol voor dit onderzoek, omdat deze allemaal plaatsvinden binnen de Trinidadiaanse maatschappij en gebaseerd zijn op ervaringen en interactie met anderen en hierdoor mijn inziens een goed en persoonlijk beeld geven van etniciteit in Trinidad en het hebben van een gemixte identiteit in Trinidad.
§ 1.2 Scriptie-indeling
Hoofdstuk 2 zal fungeren als theoretisch kader. Sleutelbegrippen, die centraal staan in deze scriptie zoals: etniciteit, nationale identiteit en een typologie van Caribische identiteiten, zullen hier besproken worden. Vervolgens worden theorieën geïntroduceerd die vanaf de jaren 1960 ontstonden om etnische verhoudingen in het Caribisch te onderzoeken. Theorieën van onder andere de plurale samenleving en creolisering zullen behandeld worden. Er wordt bekeken welk conceptueel model het meest geschikt is om etnische verhoudingen in Trinidad te analyseren.

In Hoofdstuk 3 staan de ‘douglariseringsdebatten’ centraal. Het gaat hier er om hoe verschillende groeperingen in Trinidad in het publieke debatten spreken over douglarisering. Hoe verloopt het debat over samenleven en welke belangen en motieven gaan daarachter schuil? Duidelijk zal worden dat Indo-Trinidadianen doorgaans meer problemen hebben met douglarisering dan Afro-Trinidadianen. Er zal geprobeerd worden dit verschil te verklaren.

Dit verschil in attitudes ten opzichte van nationale identiteit en douglarisering van beide groepen dient begrepen te worden vanuit historisch perspectief. Hoofdstuk 4 dient als historische analyse van de constructie van etniciteit in de strijd om macht in het proces van postkoloniale nationbuilding. Daar etniciteit een sociale constructie is, is het van groot belang, de historische omstandigheden van de constructie te analyseren. De vraag die centraal staat is: Hoe verliep de postkoloniale machtsverhouding op politiek en sociaal-economisch vlak en hoe beïnvloedde dit de constructie van etniciteit?

In dit kader is het ook van belang na te gaan of de ‘tussenin-positie’ van Douglas verandert, naar mate politieke en etnische verhoudingen veranderen. In hoofdstuk 5 staat de historische ontwikkeling van de Dougla-etniciteit centraal. Is de Dougla groep nu een categorie op zich? Hoe denken Douglas daar zelf eigenlijk over? In dit hoofdstuk wordt een analyse gemaakt van een groep die niet altijd door iedereen als groep gezien wordt. De hoofdvraagstellingen hier is: Hoe levensvatbaar is de Dougla-etniciteit en hoe heeft deze etniciteit zich ontwikkeld van 1962 tot heden?



Hoofdstuk 6 is volledig gebaseerd op de afgenomen interviews. De vraag is: is de Dougla identiteit nu een legitieme identiteit, mag iemand zijn gemixte identiteit omarmen en uitdragen of moet men kiezen voor de ene of de andere dominante mono-etnische groep? Van groot belang is na te gaan wie bepalend is bij etnische oriëntatie. Definieert iemand zelf zijn/haar identiteit of wordt dit door anderen opgelegd?

Hoofdstuk 2: Historiografisch debat
In de jaren 1960 en 1970 verschenen er veel studies en theoretische modellen in de geschiedschrijving en sociologie van het Caribisch gebied. Na dekolonisering van veel eilanden, werd het definiëren van nationale identiteit extra belangrijk. Nog steeds is nationale identiteit een precaire kwestie in het Caribisch gebied. De oorzaak hiervan ligt onder meer in een vrij recente (en gedeeltelijke) dekolonisering van de regio en er is veelal sprake van interne verdeeldheid op grond van religie, cultuur en etniciteit.

In dit artikel worden conceptuele modellen en historiografische debatten met betrekking tot het Caribisch gebied en Trinidad in het bijzonder besproken. De conceptuele modellen die besproken zullen worden gaan over de vraag in wat voor kader de Caribische samenlevingen, waar verschillende etnische groepen bijeengebracht door Europees kolonialisme met elkaar samenleven, bestudeerd kunnen worden.

Doel van dit artikel is een overzicht te geven van belangrijke werken in de Caribische historiografie en te definiëren welk conceptueel model het meest geschikt is om etnische verhoudingen in Trinidad te onderzoeken. Daarom zal, waar mogelijk, speciale aandacht worden besteed aan publicaties over de behandelde debatten in Trinidad, evenals debatten over de verhoudingen tussen de Afro-Caribische gemeenschap en de Indo-Caribische.

§ 2.1 Verduidelijking van enkele begrippen
Etniciteit
Allereerst zullen enkele noties omtrent het fenomeen etniciteit besproken worden. Het zal duidelijk worden dat veel theoretische modellen en overpeinzingen betreffende het Caribisch gebied nauw verbonden zijn aan dit thema.

In het boek Etniciteit als strategie in Latijns-Amerika en de Caraïben wordt etniciteit gezien, als een geconstrueerde realiteit, met een te reconstrueren geschiedenis, waarin een zekere doelgerichtheid te herkennen is.14 Hiermee keren de auteurs van dit boek zich af van de primordialistische school, waarbij ervan uitgegaan wordt dat etniciteit uitsluitend gebaseerd is op historisch aanwijsbare kenmerken, en sluiten zich aan bij de instrumentalistische school, waarbij betoogd wordt dat etniciteit manipuleerbaar is en vaak een instrumenteel karakter bezit.15 De volgende elementen16 worden gehanteerd om een etnische groep mee te definiëren:

- gemeenschappelijke afkomst (echt of verondersteld)

- een sociaal relevant cultureel of fysiek kenmerk

- gedeelde attitudes en gedragingen
Belangrijk is de nadruk op de ‘gemeenschappelijkheid’. Etniciteit verwijst naar gemeenschappelijk gedeelde of door anderen opgelegde kenmerken en kan alleen als collectief actief of passief beleefd sociaal verschijnsel bestaan.17 De auteurs voegen de volgende criteria18 aan het vorige rijtje toe om aan te geven welke variabelen in het dagelijks leven etniciteit ‘bepalen’:

- ‘onveranderlijke’ somatische variabelen (huidskleur, haartype enzovoort)

- taal (een tussencategorie; in één of enkele generaties te herzien)

- secundaire variabelen (‘echt’ of ‘verondersteld’)

- normen en waarden;

- godsdienst (te verbinden met normen en waarden);

- geschiedenis;

- gebied van herkomst;

- economische karakteristieken;
Formuleringen van etnische identiteiten en de notie van etnische verschillen worden pas belangrijk wanneer groepen met elkaar in contact komen.19 De aard van het contact maakt een groot verschil. Als het contact in de vorm van competitie gestalte krijgt, zullen etnische verschillen eerder en scherper gedefinieerd worden. De auteurs maken een onderscheid tussen ‘latente’ en ‘manifeste’ etniciteit.20

In de constructies van etniciteit in Trinidad zien we een manifeste vorm van etniciteit. Dit houdt in dat etnische identiteiten zeer scherp geformuleerd en gefixeerd zijn en een belangrijke rol spelen in de maatschappelijke organisatie. Voor een ieder die deel neemt aan deze samenleving speelt etniciteit, op bewust of onbewust niveau, een rol in zijn/haar leven. Etnische identiteiten in Trinidad zijn zeer uitgebreid en er zijn veel ‘tussencategorieën’ en ‘subcategorieën’, de etnische identiteiten die in het dagelijks leven gebezigd worden zijn: Afro-Trinidadiaan, (ook wel aangeduid met termen als African, ‘negro’, ‘black’, Creool, licht gekleurde mensen worden vaak ‘red’ of ‘light skinned’ genoemd) Indo-Trinidadiaan (vaker wordt gezegd East Indian of Indian), white (met subcategorieën als ‘local white’, ‘French Creole’), Portugees, Spanish, Libanees-Syrisch, Chinees, Dougla en gemixt. Vooral aan de ‘pure’ etnische groepen zijn bijbehorende stereotypen en karaktereigenschappen verbonden. De groepen waaraan het meest vaststaande eigenschappen worden toegeschreven zijn Europeanen, Afrikanen en Indiërs.

Volgens historica Rhoda Reddock heeft de stereotypische constructie van ‘de neger’ alles te maken met de weerstand tegen slavenarbeid. Deze weerstand werd als ‘luiheid’ bestempeld en gold als belangrijke rechtvaardiging van de slavernij.21 Reddock is van mening dat dit stereotype nauw verbonden was aan de oproep van de plantersklasse voor grootschalige immigratie om het tekort aan arbeidskrachten op te vangen.22 Door de komst van contractarbeiders werden er nieuwe etnische identiteiten en stereotypen gecreëerd. Shalini Puri stelt dat Afrikanen en Indiërs, direct na aankomst, door de koloniale macht gedefinieerd werden in oppositionele termen: ‘de zuinige Indiër/ de verkwistende Afrikaan, de hard werkende Indiër/ de luie Afrikaan23, de calculerende Indiër/ de kinderlijke Afrikaan incapabel om zijn seksuele behoeften te beheersen’. Dit had ook een grote invloed op de stereotypering van vrouwen. Zo was de urbane Afro-Trinidadiaanse vrouw lastig, luidruchtig en vulgair. De Indiase vrouw was simpelweg het tegenovergestelde: rustig en bescheiden.24 In deze antagonistische etnogenesis ligt een belangrijke oorzaak voor de voortdurende etnische verdeeldheid in Trinidad.25

In hedendaags Trinidad worden deze stereotypen nog steeds gebezigd. Gemixte etnische identiteiten krijgen aanzienlijk minder karakteristieke eigenschappen toegeschreven. In dit onderzoek wordt geprobeerd na te gaan hoe de Dougla-identiteit in het scala aan etnische identiteiten past. Hoe worden deze in elkaars tegenpolen gedefinieerde stereotypen en eigenschappen verenigd in één persoon?


Nationale identiteit
Contact tussen verschillende etnische groepen en formulering van etnische identiteiten komt des te meer voor, wanneer er verschillende etnische groepen in een natiestaat wonen. De verhouding tussen etniciteit en nationale identiteit is een veelbesproken thema. Natievorming, hetgeen een sterke impuls krijgt na dekolonisatie, houdt meer in dan alleen de vorming van een soevereine staat die een bepaald gebied beheerst. Het impliceert ook een zekere mate van politieke consensus en sociale en culturele cohesie onder de inwoners van de staat.26 Benedict Anderson spreekt in dit verband van imagined communities. Voor hem bestaat een nationale identiteit uit een ingebeelde gemeenschap, omdat leden van zelfs de kleinste natie nooit alle leden van de natie zullen ontmoeten of van hen zullen horen. Echter, allen delen zij de inbeelding van hun gemeenschap.27

Een ander belangrijk element van natievorming is het staatsburgerschap, waarin alle burgers dezelfde politieke en sociale rechten dienen te verkrijgen. Ook wordt er in toenemende mate belang gehecht aan ‘culturele dimensies’ van staatsburgerschap. Culturele rechten van minderheden kunnen binnen een natie worden gezien als een aanvulling op het civiele, politieke en sociale burgerschap. Dit is echter niet altijd het geval. Er kan ook sprake zijn van hiërarchiesering langs etnische lijnen. Dit kan een ethnic revival oproepen.28 Indien de erkenning van deze culturele of etnische dimensies van burgerrechten wordt gefrustreerd, is het denkbaar dat zulke groepen gaan kiezen voor separatistisch etnisch nationalisme.29 De auteurs van Etniciteit als strategie in Latijns-Amerika en de Caraïben merken op dat zowel etnische groepen als naties zich graag portretteren als natuurlijk, eeuwig en uniek en dat het juist moderne instrumentalistische en ideologische verschijnselen zijn.

Naast de elementen staatsvorming en staatsburgerschap moet ook de nationale identiteit gedefinieerd worden. Er zijn hierbij verschillende mogelijkheden: de cultuur van de dominante groep kan bijvoorbeeld uitgeroepen worden tot nationale cultuur, of etnisch bewustzijn binnen de staatsgrenzen wordt gebruikt voor de constructie van een nationale identiteit, waarbij het thema diversiteit centraal staat voor het nationale narratief.30 Vaak worden symbolen uit een dominante cultuur gebruikt als representatief voor de nationale cultuur. In veel multi-etnische Caribische eilanden is het oproepen van een nationale identiteit een grote bron van strijd.

Volgens socioloog Anton Allahar is het mogelijk dat nationalistische sentimenten uitgesproken worden in termen van etniciteit. Als een groep mythen van gemeenschappelijke afkomst, een gedeelde historische herinnering, taal, religie en cultuur deelt, en een politieke identiteit inzet in de zoektocht naar territoriale ruimte, kan gesproken worden van een etnische nationalistische beweging.31 Als voorbeelden hiervan noemt hij een Indo-Caribische beweging die Indiërs uit Trinidad, Suriname en Guyana willen verenigen en de Indesh beweging van Hindoes in Trinidad die een scheiding van het eiland voorstaan waarin de Indo-Caribische natie kan voortbestaan.32 Ook de Afrocentrische National Association for the Empowerment of African People (NAEAP) kan worden gezien als een etnonationalistische beweging.33


Caribische identiteiten
Duidelijk mag zijn dat etnische en nationale identiteiten op een complexe manier met elkaar verweven zijn in het Caribisch gebied. Ralph Premdas onderscheidt vier typologieën van Caribische identiteiten, namelijk: (1) de etnonationale of etnolokale identiteit, (2) de etnonationale universele identiteit, (3) de nationale identiteit en tot slot (4) de trans-Caribische identiteit.34 Deze identiteiten worden volgens Premdas ingezet om een bepaalde behoefte te vervullen en kunnen elkaar overlappen.

De etnonationale of etnolokale identiteit treedt op wanneer een gemeenschap een substaat vormt, waarbij patronen, waarden en gebruiken zich voordoen, die een unieke manier van leven voorstaan, die anders zijn dan de rest van de staat.35 Deze identiteit wordt naar voren gebracht tegen de centrale overheidsautoriteit. 36 Premdas noemt Tobago als voorbeeld.

De etnonationale universele identiteit doet zich voor wanneer verschillende etnonationale identiteiten zich met elkaar in contact stellen.37 Premdas noemt Rastafari gemeenschappen uit het Caribisch gebied die contacten houden met Rastafaris uit Europa. Ook noemt hij Indo-Caribische gemeenschappen uit Trinidad, Suriname en Tobago die niet alleen contact onderhouden met elkaar maar ook met zulke groepen uit de Verenigde Staten en Azië. Dit wordt ook wel een diaspora identiteit genoemd.

De nationale identiteit ontstaat volgens Premdas als de ingebeelde gemeenschap samenvalt met de staat. Premdas, voortbordurend op Anderson, benadrukt dat er geen sprake hoeft te zijn van een één-op-één relatie tussen de leden van de natiestaat, maar dat de gedeelde inbeelding het belangrijkst is. Premdas meent dat, waar het bestaat, de nationale identiteit de sterkste groepsloyaliteit vertegenwoordigt die etnische en lokale identiteiten overstijgt.38 Premdas stelt dat veel Caribische eilanden, door intern pluralisme, veel moeite hebben om een onbetwiste nationale identiteit te creëren.39

De trans-Caribische identiteit doet zich voor waar mensen van Caribische afkomst verblijven buiten het Caribisch gebied. Deze identiteit is geconstrueerd door herinneringen aan het Caribisch gebied. In diaspora wordt deze identiteit geconstrueerd en daarom is het mogelijk dat de originele, lokale omgeving steeds meer wordt vergeten om een nieuwe collectiviteit te vormen, die heel de regio omvat.40 In deze scriptie zal de spanningen tussen de eerste drie typologieën besproken worden.

Met deze noties in het achterhoofd zal in Trinidadiaanse samenleving en geschiedenis nagegaan worden, hoe de constructie van etniciteit zich heeft ontwikkeld en hoe de nationale identiteit is gedefinieerd. De vraag is: als er sprake is van een duidelijke uitgesproken verdeling op grond van etniciteit, hoe wordt er binnen dit mechanisme omgegaan met iemand van gemixte afkomst? Doel is te analyseren hoe deze etnische en nationale identiteit met elkaar verwikkeld zijn en de Dougla figuur in deze verwikkeling staat.


  1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Is de Dougla-figuur veranderd van illegitieme bastaard tot zelfgekozen identiteit die symbool staat voor nieuw postkoloniaal Trinidad in de periode 1962-2005
  • Hoofdstuk 4
  • Hoofdstuk 2: Historiografisch debat

  • Dovnload 0.5 Mb.