Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Willem Thomassen

Dovnload 35.78 Kb.

Willem Thomassen



Datum25.04.2019
Grootte35.78 Kb.

Dovnload 35.78 Kb.







Willem Thomassen


Op zaterdag 16 juni jl. overleed Wim Thomassen op ruim 91-jarige leeftijd. Zijn leven kende duidelijke markeringen, hoe gelijkmatig Wim Thomassen – als politieke bestuurder – daarover soms zelf berichtte. Wim Thomassen stamde uit een traditioneel “rood nest”. Zijn vader was een trouw SDAP’er, met de gave van het woord; dat had zijn zoon Wim dus niet van een vreemde. De vader was lid van Provinciale Staten van Noord-Holland, een lidmaatschap dat zijn zoon eveneens zou bekleden, en wel van juli 1954 tot mei 1958.


Wim Thomassen is te Amsterdam geboren, maar vond het hoogtepunt van zijn bestuurlijke loopbaan in Rotterdam, als burgemeester van die stad van april 1965 tot november 1974. Wij gedenken Thomassen hier omdat hij van begin november 1961 tot mei 1971 lid was van deze Kamer. Er zijn langdurige periodes waarin de burgemeesters van Amsterdam en Rotterdam lid van deze Kamer waren. Ook Thomassen trof hier zijn Amsterdamse ambtgenoot, in dezelfde fractie. Als Eerste-Kamerlid hield hij zich bezig met verkeer en waterstaat, ruimtelijke ordening en defensie. Over het begrotingshoofdstuk Defensie sprak Thomassen op 15 mei 1962 zijn maidenspeech uit. Veel, soms gevoelige, personele zaken passeerden de revue. Een ervan kwam hem, tot zijn verbazing, aan het eind van zijn maidenspeech op een interruptie van het lid Van Riel te staan. Daarmee was zijn entree in de Kamer meteen gemarkeerd. In dat dezelfde jaar nam hij deel aan het debat over begrotingshoofdstuk VIIB van Binnenlandse Zaken. Niet velen zullen meer weten dat dit de binnenlandse component was van Nederlands Nieuw-Guinea, dat overigens vooral in buitenlands perspectief besproken werd. Wie dat debat terugleest, onder de schaduw van het Plan-Bunker, ziet bezorgdheid over de toekomst van dit gebiedsdeel. Thomassen deelde deze bekommernis.
Wim Thomassen hield van structuren, en vooral van structuren die werkgelegenheid opleverden. Hij droeg daarin de sporen van zijn jeugd en opleiding. In de jaren dertig had hij gezien hoe cruciaal werkgelegenheid voor land en werknemer was. In zijn opleiding had hij in eerste aanleg na de HBS werktuigbouwkunde gestudeerd aan de MTS, hetgeen hem goed van pas kwam, toen hij in de oorlogsjaren een tijd lang verbonden was aan de ‘sociale afdeling’ van de Hoogovens, een bedrijf dat hij lang een warm hart zou blijven toedragen. Na de MTS volgde hij de kweekschool – zijn vader was hoofdonderwijzer geweest – waarna hij onderwijzer was te Amsterdam, Zaandam, Wieringen en Hoensbroek tot 1 januari 1936. Daarop sloot zijn politiek- bestuurlijke loopbaan aan, onderbroken door de oorlogsjaren, waarin hij, na een periode van gevangenschap en onderduiking, redacteur was van de verzetsbladen Je Maintiendrai, Vrij Nederland en Christofoor.

.

Na de oorlog zette hij zijn politiek-bestuurlijke functies voort, die hij als secretaris van de AJC had ingezet aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Eerst als secretaris van de platformorganisatie van de Nederlandse Volksbeweging tot februari 1946. Dit paste in zijn streven het socialisme te doen heenbreken door zijn ideologische grenzen. Van februari 1946 tot mei 1948 diende hij de Partij van de Arbeid als secretaris en was hij vrijwel tegelijkertijd lid van de Tweede Kamer. Zijn aanleg voor het politiek bestuur deed hem echter solliciteren naar het burgemeesterschap van Zaandam, een niet eenvoudige gemeenschap, die hij tien jaren diende. Van 1958 tot voorjaar 1965 was hij burgemeester van Enschede, waarna hij de overstap maakte naar Rotterdam. Opnieuw mocht hij bijdragen aan de vestiging van een universiteit. Voorts gaf hij de aanzet tot de aanleg van de metro. Hij koesterde bovenal zijn portefeuille van havenontwikkeling. Rotterdam daagde hem uit zijn instelling als doener, boven die van woordvoerder, in alle opzichten te ontplooien. Van buitenaf gekomen, paste hij wonderwel bij de mentaliteit van de Rotterdammers. Het bracht hem tenslotte in zijn eigen politieke groepering in een rechtsbuitenpositie, toen deze de belangen van milieu en oude wijken boven die van de structurele groeimogelijkheden van de grootste haven ter wereld stelde. Tot zijn verdriet verloor hij daardoor twee jaar voor zijn pensionering de havenportefeuille, waarmee een einde kwam aan de traditie in Rotterdam dat de burgemeester in eerste instantie verantwoordelijk was voor de haven. Het is te begrijpen dat Thomassen bij zijn afscheid in 1974 opmerkte: “Rotterdam heeft me meer geënerveerd en uit het lood geslagen dan me lief was.” Aldus citeerde NRC/Handelsblad hem in een herdenkingsartikel van 18 juni.


Een bestuurder, die met ongedurigheid de grote lijnen wenste te volgen, maar altijd oog had voor de kwetsbaarheid van het menselijk bestaan, is van ons heengegaan. In de Eerste Kamer gedenken wij hem om zijn vele kwaliteiten, en voor de periode dat hij in ons midden was. Wij willen in onze gevoelens bovenal de wens uitspreken dat zijn familie de kracht vindt troost te putten uit zijn boeiend en gedreven bestaan, waarin de menselijke maat voorop stond.
26 juni 2001



  • Willem Thomassen

  • Dovnload 35.78 Kb.