Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wondertandpasta voor de tanden

Dovnload 8.47 Kb.

Wondertandpasta voor de tanden



Datum04.04.2017
Grootte8.47 Kb.

Dovnload 8.47 Kb.

Wondertandpasta voor de tanden

Noorderlicht, 23 februari 2005



De tandarts kan wel inpakken, zo lijkt het. Met een pasta die beginnende gaatjes repareert en een speekseltest die de kans op cariës voorspelt, gaat de wetenschap zieke tanden te lijf. Andere onderzoekers denken intussen te begrijpen waarom de mens eigenlijk zo kwakkelt met zijn gebit.

Hij houdt het midden tussen tandpasta en alabastine, de nieuwe pasta waarmee het blad Nature deze week uitpakt. Smeer het spul op je tanden, wacht een kwartiertje, en de pasta dicht beginnende, onzichtbaar kleine beschadigingen in het glazuur. Ideaal om erger te voorkomen, schrijven zeven Japanse onderzoekers deze week in Nature.

Experts van het Amsterdams tandheelkundig centrum ACTA zijn echter niet onder de indruk. "Het lijkt me geen wereldschokkend nieuws," vindt hoogleraar tandheelkunde Albert Feilzer. "Al jaren is bekend dat zeer kleine, beginnende glazuurbeschadigingen kunnen herstellen door mineralisatie van calciumfosfaten die van nature in speeksel zitten. In Nederland wordt daarom afgeraden om dit soort beschadigingen te gaan open boren en vullen. Afwachten is beter."




Waren onze voorvaderen behept met betere tanden?

Zijn collega Bob ten Cate twijfelt bovendien of de Japanse wonderpasta wel werkt. "Ik zou wel eens willen weten hoe hard deze pasta wordt, en hoe slijtvast hij is. Tandglazuur is keihard materiaal. Dat komt omdat de glazuurkristallen uiterst langzaam zijn gegroeid, waardoor ze een enorme dichtheid hebben. Ik betwijfel of je dat ook kunt bereiken met een behandeling van enkele minuten."


 
Een bijkomend, praktisch probleem is dat de pasta niet met tandvlees in aanraking mag komen. "En het soort beschadigingen waarvoor deze pasta is bedoeld, zit meestal tussen de kiezen," legt Feilzer uit. "De vraag is of je daar met dit soort pasta's wel bij kan zonder het tandvlees te raken."

Het valt ons al niet eens meer op, maar eigenlijk is ons gebit een merkwaardig zorgenkindje. Geen andere diersoort heeft een beugel en een leger orthodontisten nodig om zijn fietsenrek weer recht te buigen. En geen ander menselijk lichaamsdeel heeft zo vaak chirurgie nodig, of permanent medisch toezicht.

Het komt allemaal door onze gewoonte om ons eten te koken, zo vernam de jaarbijeenkomst van het Amerikaanse wetenschapsgenootschap AAAS vorige week. Volgens antropoloog Peter Lucas van de George Washington University is ons gebit uit balans geraakt doordat we opeens zacht voedsel gingen eten.

Voor gekookt voedsel hebben we veel kleinere kaken en kiezen nodig dan onze meer aapachtige voorvaderen. Daardoor begon onze kaak gaandeweg te krimpen (zie ook "Groot brein door zwakke kaak", links op deze pagina). Ongelukkigerwijs zijn onze tanden even groot gebleven, omdat we nog steeds even grote happen afbijten. Het resultaat: chaos in de mond. Onze kaak is te klein geworden om nog alle kiezen te kunnen huisvesten. En voorin de mond zitten de tanden elkaar hopeloos in de weg. Wanneer de mens precies begon te koken, is overigens onduidelijk: schattingen lopen uiteen van een paar honderdduizend tot twee miljoen jaar geleden.

Lucas wil zijn ideeën toetsen door te onderzoeken of er een relatie is tussen diergebitten enerzijds, en de grootte van de happen die de dieren nemen en de hardheid van hun voedsel anderzijds. Toch kan hij nu al rekenen op voorzichtige bijval. "We zijn geëvolueerd tot moes-eters," tekende het Britse blad New Scientist op uit de mond van een van hen, paleoantropoloog Bernard Wood. "We zijn een opvallend slappe soort, met kleine tanden en kaken."

Gelukkig komt hoogleraar tandheelkunde Paul Denny van de Universiteit van South Carolina onze slappe soort te hulp. Op de AAAS-bijeenkomst liet die vorige week weten dat hij aan de hand van een eenvoudige speekseltest 'met 98 procent zekerheid' kan voorspellen hoe groot de kans is op gaatjes.



Niet iedereen heeft evenveel aanleg voor cariës. Die aanleg hangt vooral af van welke suikerketens er van nature in de mond worden aangemaakt. Want denk niet dat suiker alleen maar slecht is voor het gebit: er zijn ook 'goede' suikerketens, die juist beschermen tegen bacteriën. Met de speekseltest valt te achterhalen welke suikers men precies in de mond heeft - en hoe 'goed' of hoe 'slecht' die zijn. Dat kan handig zijn: wie meer aanleg heeft voor gaatjes, weet dat hij extra goed op zijn gebit moet letten.

Een keerzijde is er echter ook. Iemand met weinig kans op cariës mocht zijn gebit eens gaan verwaarlozen. Met als gevolg, jawel, gaatjes. Denny benadrukt daarom: de speekselproef kan het ouderwetse poetsen niet vervangen. Het ziet ernaar uit dat de nabije toekomst van de tandheelkunde toch verdacht veel lijkt op de werkelijkheid van vandaag: driemaal daags poetsen, en twee keer per jaar naar de tandarts.


Dovnload 8.47 Kb.