Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Woord vooraf 5 Hoofdstuk 1

Dovnload 2.72 Mb.

Woord vooraf 5 Hoofdstuk 1



Pagina1/8
Datum04.04.2017
Grootte2.72 Mb.

Dovnload 2.72 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8


Inhoud
Woord vooraf 5

Hoofdstuk 1 7

Grammatica A1. Wat zijn de regels?

1 Woorden 8

1 Mensen en dingen 8

2 Zijn, Hebben en dingen doen 11

3 Woorden voor personen 21

4 Mensen en dingen beschrijven 23

5 Dichtbij of veraf? 25

6 Hoeveel? 26

2 Zinnen 29



1 Hoe maak je een zin? 29

2 Hoe maak je een vraag? 30
Hoofdstuk 2 33

Spelling A1. Hoe schrijf je dat?



1 Woorden 34

1 Het meervoud van zelfstandige naamwoorden 34

2 Voluit of kort? 35

2 Letters 39

1 Hoofdletters 39



Hoofdstuk 1

Grammatica A1

Wat zijn de regels?




1 Woorden
1 Mensen en dingen. Het zelfstandig naamwoord –
book, baby, man

Wat is een zelfstandig naamwoord?



Een zelfstandig naamwoord is een woord voor:


een mens teacher, man, child

een dier of een plant fly, fish, tree, tulip

een ding computer, building, calendar

een begrip love, respect

OEFENING 1


Is het woord een zelfstandig naamwoord of niet? Zet een kruisje in de goede kolom.
Zelfstandig naamwoord Geen zelfstandig naamwoord

1 floor

2 bread

3 feel


4 friend

5 weekend

6 the

7 beautiful

8 kitchen

9 yellow

10 idea

11 be

12 silent

13 city

14 time

15 shop

OEFENING 2
Onderstreep de zelfstandig naamwoorden in de zinnen.

Let op! Meestal staan er twee of drie zelfstandige naamwoorden in een zin.

1 These students always go to school by bike.

2 My girlfriend goes to the gym twice a week.

3 Our teacher did not know the name of every student.

4 Many people go to the beach in summer.

5 Our school is in Eindhoven.

6 We always drink coffee with our classmates after class.

7 My alarm rings at seven in the morning.

8 The red car drove very slowly.


9 My boss thinks I am wonderful.

10 This receptionist always tries to help our customers.

Het lidwoord – a, the

De Engelse lidwoorden zijn a, an en the.
A en an betekenen allebei een.
Je gebruikt an voor een woord dat begint met een klinker (a, e, i, o of u):
an aunt een tante
an uncle een oom
an old book een oud boek

Je gebruikt a voor een woord dat begint met een medeklinker (b, d, f, g, enzovoorts):
a teacher een leraar
a job een baan
Let op! Het gaat om de uitspraak van het eerste woord na a of an:


Uitspraak

a user [joeser] een gebruiker

a European country [joeropiejen] een Europees land

a one-way street [wan] een eenrichtingsweg

an hour [auwer] een uur

De uitspraak van user en European begint met de medeklinker [j]. Daarom moet je a gebruiken. Bij one spreek je eerst een [w] uit. Dus dan krijg je ook a. Bij hour zeg je geen [h] maar begin je met een klinker. Daarom zeg je an hour.


The betekent de of het:
the street de straat
the beach het strand
the exercises de oefeningen

OEFENING 3


Wat is het goede lidwoord? Streep het foute lidwoord door.

Let op! Soms moet je in een zin twee keer een lidwoord kiezen.

1 I really need a / an drink.

2 Where is the / an school?

3 There is an / a new baby elephant in the zoo.

4 I have a / an date with Sam on Friday.

5 I don’t want to be late for the / a appointment with the director.

6 The / an meeting starts at 8 o’clock tomorrow morning.

7 They are going to buy a / an new house.

8 I have a / an uncle who lives in Portugal.

9 There is a / an group of students waiting outside.

10 Schoolchildren in Britain have to wear a / an uniform.

11 There is the / a university in Eindhoven and one in Tilburg.

12 A / The evening programme starts at 7 p.m.

Het meervoud book books, house houses
Regelmatig books, houses, bills

Als je een Engels zelfstandig naamwoord in het meervoud schrijft, zet je er –s achter. Die –s staat altijd vast aan het woord:




one book two books

one house two houses

one bill two bills

one kilo two kilos



Als het enkelvoud van het woord eindigt op s, ss, ch, sh, z of x zet je er in het meervoud –es achter:
one bus two buses one watch two watches one kiss two kisses

OEFENING 4


Staat het woord in het enkelvoud of in het meervoud? Zet een kruisje in de goede kolom.
Enkelvoud Meervoud

1 group □ □



2 bus

3 sandwiches



4 witch






5 kiss



6 seasons

7 schools

8 glasses

9 phone

10 taxis


OEFENING 5


Welk woord past in de zin? Kruis het goede woord aan.

1 I have got two big … for all my books.

box

boxes

2 Tess never has time to eat her …

lunch

lunches

3 Do you believe in …?

witch

witches

4 I always give my grandmother a when I see her.

kiss

kisses

5 I have got a green … and a blue one.

bag

bags

6 Hey, thats a falling star! Now I can make a …!

wish

wishes

7 We’re going to a football … on Saturday afternoon.


match

matches

8 How many … have you got?

CD

CDs

9 Those … are very rude.

boy

boys

10 Don is my best ….

friend

friends

OEFENING 6


Schrijf de woorden tussen haakjes in het meervoud.
1 (car) Don Ritchie has three !
2 (computer) Argh! never do what I want them to do!
3 (sandwich) How many do you have for lunch?
4 (photo) You can put your on the Internet.
5 (river) The Nile, the Amazon and the Mississippi are three very long .
6 (bottle) Can I have three of mineral water, please?
7 (crash) There were two big car on the A2 this morning.
8 (glass) Has he broken many this week?
9 (shoe) I’ve got some really nice !
10 (key) Do you know where my are?

WIL JE VERDER OEFENEN? ga dan naar de theorielessen op de website van Taalblokken 2
2 Zijn, hebben en dingen doen. Het werkwoord –
I am, you have, she talks

Het werkwoord be am are is, was were



Be betekent zijn. De vormen van be zijn: am, are en is.


I am at school. Ik ben op school.

You are at school. Jij / u bent op school.

He is at school. Hij is op school.

Nadia is at school. Nadia is op school.

Our teacher is at school. Onze leraar is op school.

We are at school. Wij zijn op school.

You are at school. Jullie zijn op school.

They are at school. Zij zijn op school.

The students are at school. De studenten zijn op school.

OEFENING 7


Vul de goede vorm in. Kies uit: am, is of are.
1 You always late!
2 Tom 16 years old.
3 The books on the table.
4 We in France.
5 That dog very dangerous!
6 Tim and Chris in the same group.
7 She never lazy.
8 They proud of their football team.
9 It a beautiful day.
10 I ready.


Als je een vraag maakt, zet je am, is of are vooraan in de zin:
Am I the youngest in this group? Ben ik de jongste in deze groep?
Are you happy with this? Ben je hier tevreden over?
Is that OK? Is dat goed?

OEFENING 8

  1   2   3   4   5   6   7   8


Dovnload 2.72 Mb.