Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Woord vooraf 5 Hoofdstuk 1

Dovnload 2.72 Mb.

Woord vooraf 5 Hoofdstuk 1



Pagina3/8
Datum04.04.2017
Grootte2.72 Mb.

Dovnload 2.72 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8

Maak van de zinnen hieronder een vraagzin en een ontkennende zin met not. Kijk goed naar het voorbeeld.



1 You like playing tennis.

2 Kasper works in Leeds.

Vraag Zin met not






Vraag Zin met not

3 They want me to help them.

4 Eddy goes to the gym every day.

5 Afshan plays the piano.

6 I share a room with my sister.

7 Nadeem lives in Utrecht.

8 We hate swimming!


Present continuous I am talking, you are watching, she is working

Als je iets zegt over dingen die op dit moment bezig zijn, gebruik je de present continuous. In het



Nederlands kun je dan ook zeggen: aan het ...


I am helping Irene, so I have no time today. Ik ben Irene aan het helpen, dus ik heb vandaag geen tijd.

They are walking to the railway station. Ze lopen naar het station.

Where is Stephen? - He is talking to his boss. Waar is Stephen? - Hij staat te praten met zijn baas.

Kim is working on her school project. Kim is bezig met haar project voor school.



Je maakt de present continuous met am, is of are + een werkwoord eindigend op –ing:


I am watching TV. Ik ben tv aan het kijken.

You are watching TV. Jij / u bent tv aan het kijken.

He is watching TV. Hij is tv aan het kijken.

She is watching TV. Zij is tv aan het kijken.

Simone is watching TV. Simone is tv aan het kijken.

The dog is watching TV. De hond is tv aan het kijken.

We are watching TV. Wij zijn tv aan het kijken.

You are watching TV. Jullie zijn tv aan het kijken.

They are watching TV. Zij zijn tv aan het kijken.

My parents are watching TV. Mijn ouders zijn tv aan het kijken.

OEFENING 17


Schrijf de werkwoorden tussen haakjes in de goede vorm. Gebruik de present continuous.
1 (sleep) Tess and Zoe in my parents’ bed.
2 (play) Freddy football with his friends.
3 (boil) The water . Can you make some tea?
4 (read) Can you switch off the TV, please? I .
5 (rain) Oh, no. It !
6 (try) Stop shouting at me! I to help you!
7 (eat) I cannot talk now. I .


8 (wait) Bjorn outside.

Houd het volgende verschil goed in de gaten:

Je gebruikt de present simple als iets vaak, altijd of nooit gebeurt.

Je gebruikt de present continuous als iets op dit moment gebeurt.
It rains a lot in England. It is raining now.
I write my friend an email every Sunday. I am writing an email to my friend. She works in a supermarket every Saturday morning. She is not at home. She is working.

OEFENING 18


Schrijf de woorden tussen haakjes in de present simple (PS) of de present continuous (PC).
1 (talk, PC) Quiet, please! I on the phone!
2 (watch, PC) Sorry, Paul is not here. He a film with his friends.
3 (go, PS) I always to school by bike.
4 (have, PC) Can you come to my place now? We a party.
5 (live, PS) I in Amsterdam. What about you?
6 (have, PS) Mandy two brothers, Patrick and Tom.
7 (study, PC) The students are very quiet. They for their exams.
8 (have, PS) Most teenagers their own computer.
9 (read, PS) She the newspaper every morning.
10 (want, PS) I to visit my friends in Brussels next weekend.


Een vraag maak je door am, is of are vooraan te zetten:
Are you watching TV? Ben jij televisie aan het kijken? Is he playing the guitar? Is hij gitaar aan het spelen? Am I doing this right? Doe ik dit goed?

Een ontkenning maak je met not: am / is / are + not + werkwoord op –ing:
I am not watching TV. Ik ben niet tv aan het kijken.
He is not playing the guitar. Hij is niet gitaar aan het spelen.
I am not doing this right. Ik doe dit niet goed.

OEFENING 19


Maak van de zinnen hieronder een vraagzin en een ontkennende zin met not. Kijk goed naar het voorbeeld.



1 She is having breakfast.


2 Nathalie is watching a film.

Vraag Zin met not




Vraag Zin met not

3 They are trying to call her.

4 I am talking too loud.

5 You are staying home.

6 Ahmed is trying to call you.

7 I am talking to you.

8 We are leaving.

Zeggen dat iets niet zo is – de ontkenning – I dont know, you
arent, she hasnt got

Als je zegt dat iets niet gebeurt, noem je dat een ontkenning. In Engelse ontkenningen gebruik je meestal not.


• Je zet not na de persoonsvorm.

• Je kunt not ook verkorten tot n’t.


Let op! I am not kun je alleen verkorten tot I’m not.


Lange vorm Korte vorm

I am angry. I am not angry. I’m not angry

You are angry. You are not angry. You aren’t angry.

She is angry. She is not angry. She isn’t angry.

We are angry. We are not angry. We aren’t angry.




Lange vorm Korte vorm

I have got a car. I have not got a car. I haven’t got a car.

You have got a car. You have not got a car. You haven’t got a car.

She has got a car. She has not got a car. She hasn’t got a car.

We have got a car. We have not got a car. We haven’t got a car.

Bij be en have got kun je not gewoon achter am, is, are, have of has zetten. Bij werkwoorden als walk, drive, drink en wait gaat dat niet. Dan moet je do not of does not gebruiken. De verkorte vormen zijn don’t of doesn’t.




Lange vorm Korte vorm

I walk. I do not walk. I don’t walk.

You go. You do not go. You don’t go.

He talks. He does not talk. He doesn’t talk.

She drinks milk. She does not drink milk. She doesn’t drink milk.

My friend drives a Golf. My friend does not drive a Golf. My friend doesn’t drive a Golf.

We study very hard. We do not study very hard. We don’t study very hard.

You scream. You do not scream. You don’t scream.

They watch TV They do not watch TV. They don’t watch TV.

Petra and Irene wait. Petra and Irene do not wait. Petra and Irene don’t wait.

OEFENING 20


Is de zin een ontkenning of niet? Zet een kruisje in de goede kolom.


Ontkenning Geen ontkenning

1 Noah doesn’t want to leave.

2 Most people like the sun.

3 You don’t look very nervous.

4 I haven’t got a boyfriend.

5 Sue is hungry.

6 We don’t sing love songs.

7 Ali’s mother doesn’t like cake.

8 The school will be closed next month.

9 You aren’t invited to the party.

10 That book isn’t very interesting.

11 Are you going to school today?

12 Tara doesn’t answer the questions.

OEFENING 21


Maak de volgende zinnen ontkennend met not. Je mag de ontkenning voluit of verkort schrijven.
1   2   3   4   5   6   7   8


Dovnload 2.72 Mb.