Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Woord vooraf 5 Hoofdstuk 1

Dovnload 2.72 Mb.

Woord vooraf 5 Hoofdstuk 1



Pagina4/8
Datum04.04.2017
Grootte2.72 Mb.

Dovnload 2.72 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8

1 (be) This fair.
2 (wear) This is very dirty work, so please

your best clothes.


3 (eat) Laura meat.
4 (have got) We any rooms available today.
5 (be) I hungry.
6 (have got) She many ideas.
7 (be) My hands cold.
8 (work) The new shop assistant very fast.
9 (understand) Sorry? I what you mean.
10 (drink) You enough water.
11 (know) Please help me. I what to do.
12 (have got) Gerard a girlfriend.

OEFENING 22


Maak de volgende zinnen ontkennend. Je mag de lange of de verkorte vorm gebruiken. Kies uit: am, is, are, do, does, have got of has got + not.
1 I’m afraid Brenda is no t / isn’t ready to go.
2 I like coffee. I prefer tea.
3 I going to pay for that.


4 Vincent going to play tennis this weekend.
5 They have a garage.
6 Lydia need a new computer.
7 The towel dry yet.
8 You going to take the bus.
9 Mathew have a sister.
10 We understand what you are saying.
11 The apple fall far from the tree.
12 I going to wear those jeans.

WIL JE VERDER OEFENEN? ga dan naar de theorielessen op de website van Taalblokken 2
3 Woorden voor personen – I, you, he me, you, him

Wie of wat? Het persoonlijk voornaamwoord – I, you, he me, you, him


Het persoonlijk voornaamwoord als onderwerp I, you, he

Als je naar iets of iemand verwijst, kun je een persoonlijk voornaamwoord gebruiken:


ik I go fishing.

jij / je You are friendly.

u You are my best friend.

hij He loves football.

zij / ze She is at home.

het It is on the floor.

wij We work a lot.

jullie You are late.

zij / ze They can come to the party.



Let op!

I (ik) schrijf je altijd met een hoofdletter.

You gebruik je voor jij / je, u of jullie. Aan de rest van de zin kun je zien wie er met you bedoeld wordt.

OEFENING 23


Met welk persoonlijk voornaamwoord verwijs je naar de dikgedrukte woorden? Vul het goede woord in.



1


Michelle is fixing the lights.

she

2

My friends dad is the leader of a rock band.




3


Freddie and I are going to New York next year!





4

Can you help me find my mobile phone?







5 Dave is ill.
6 Carla Bruni is the French president’s wife.
7 Our neighbours always make a lot of noise.
8 Where is your boyfriend?
9 My sister works in a lunchroom.
10 My classmates and I think this is too much work.

Het persoonlijk voornaamwoord als voorwerp me, you, him

Je gebruikt I, you, he enzovoort. als ze het onderwerp van een zin zijn.



Als ze geen onderwerp zijn, gebruik je me, you, him, her, it, us, you en them.


I like Denise. Denise likes me.

Would you like a cup of coffee? I will bring you a cup of coffee.

He needs help. I will help him.

She loves her dog. The dog bites her.

Where is my mobile? - It is on the table. I need it now.

We can see you. Can you see us?

Where are you going? Can I help you?

They love thrillers. Surya tells them a romantic story.

OEFENING 24


Welk persoonlijk voornaamwoord is goed? Streep het foute persoonlijke voornaamwoord door.

1 I don’t understand him / he.

2 Cas writes she / her an email.

3 That jacket looks good on you / I.

4 Tamara is looking for us / we.

5 My mother loves me / I.

6 Where do all these flies come from! I hate they / them.

7 Why does Miss Henderson always greet you / we?

8 Ashley always buys a sandwich for we / us when we / us have lunch.

9 Here is an orange. You can eat it / him now if you like.

10 I don’t know she / her.

OEFENING 25


Welke persoonlijke voornaamwoorden passen in de zin?

Let op: Er is meestal meer dan één mogelijkheid! Kruis dan alle mogelijkheden aan.

1 … work at the library.

We

Them

I

Him

2 Is Steven going to give his email address?

me

you

she



her

3 Do … want to eat pizza tonight?

she

you

I

we


4 Marcel talked to

her

you

we

us

5 The children want to play with …

I

you

they

we

6 Stop that now. Dean is talking to

he

you

I

me

7 are enjoying the sun.

They

Us

We

Me

8 Dyna phones every week.

we

us

me

he

9 … never drink coffee.

I

We

Them

Us

10 The girl is smiling at …

you

I

him

she

WIL JE VERDER OEFENEN? ga dan naar de theorielessen op de website van Taalblokken 2
4 Mensen en dingen beschrijven. Het bijvoeglijk naamwoord – long, beautiful

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een persoon, een dier of een ding:


I carry a plastic bag. Ik draag een plastic tas.

You have blue eyes. Je hebt blauwe ogen.

That car is fast. Die auto is snel.

Chris looks tired. Chris ziet er moe uit.

The wall is orange. De muur is oranje.

I like strong coffee. Ik houd van sterke koffie.

We’re young. Wij zijn jong.

The Mont Blanc is very high. De Mont Blanc is erg hoog.

De plaats van het bijvoeglijk naamwoord



Het bijvoeglijk naamwoord kan op twee plaatsen staan:
1. Vóór het zelfstandig naamwoord:


Thats a cheap meal. Dat is een goedkope maaltijd.

Shes got long hair. Zij heeft lang haar.

Thats a very high building. Dat is een heel hoog gebouw.

Nicky is a nice girl. Nicky is een aardig meisje.

Its a difficult exam. Het is een moeilijk examen.

This is great music. Dit is geweldige muziek.


2. Na een werkwoord en zonder zelfstandig naamwoord:


The meal is cheap. De maaltijd is goedkoop.

Her hair is long. Haar haar is lang.

The building looks high. Dat gebouw ziet er hoog uit.

Petra is nice. Petra is aardig.

This exam is difficult. Dit examen is moeilijk.

The music sounds wonderful. De muziek klinkt prachtig.

OEFENING 26


Is het vetgedrukte woord een bijvoeglijk naamwoord of niet? Zet een kruisje in de goede kolom.


Bijvoeglijk Geen bijvoeglijk naamwoord naamwoord

1 Your kitchen is clean.

2 Zena is a careful driver.

3 We will have to be in time tomorrow.

4 We are having an early meeting.

5 My room is a mess.

6 Ron is visiting his sick colleague.

7 I work in a supermarket.

8 The dog doesn’t bite.

9 Sal is very jealous.

10 That’s a good idea!

OEFENING 27

1   2   3   4   5   6   7   8


Dovnload 2.72 Mb.