Woord vooraf 5 Hoofdstuk 1

Dovnload 2.72 Mb.

Woord vooraf 5 Hoofdstuk 1

Grootte2.72 Mb.

Dovnload 2.72 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8

Onderstreep de 16 bijvoeglijke naamwoorden in de volgende tekst.
I live In The Hague, a beautiful town in the west of the Netherlands. I like The Hague, because it has a great beach, a famous theatre and a wonderful shopping centre. My house is in a really nice neighbour- hood. The house is old, but clean. My room is small, but the ceiling is high. I have a bed, a large table and a comfortable chair and, of course, a big wardrobe for my clothes and a bookcase for my books. One wall is purple and one is white. I also have coloured candles and a few big plants.
5 Dichtbij of veraf? Het aanwijzend voornaamwoord

this, that, these, those

Met this, that, these en those kun je duidelijk maken over wie of wat je het hebt:
This book is very interesting, but that book isnt. Dit boek is interessant, maar dat boek niet.

These people are waiting for help, but those people are ready.
Deze mensen wachten op hulp, maar die mensen zijn klaar.

Er zijn vier aanwijzende voornaamwoorden: this, that, these en those.

This en that. Het aanwijzend voornaamwoord: enkelvoud

Met this en that verwijs je naar een persoon, dier of ding. This gebruik je voor dichtbij en that voor verder weg:

Alwin has a new bike. Is it this one over here? No, it is

that one over there.

Alwin heeft een nieuwe fiets. – Bedoel je deze hier? – Nee,

het is die daar.

I will take this chair and you can take that chair over there. Ik pak deze stoel en jij kunt die stoel daar pakken.


Wat is het goede aanwijzend voornaamwoord? Streep het foute woord door.

1 I don’t like this / that shirt. It is too small. What about this / that yellow shirt in the window?

2 Hey, this / that is a really funny show. What do you think of it?

3 Who is this / that man across the street?

4 Can you see the Ferrari in the showroom? This / That is a really nice car!

5 I think I will have this / that sweater. It looks great on me. Don’t you agree?

6 Can you please take this / that book from the shelf? It is too high up for me.

7 You can sit over there if you like. This / That seat is free I think.

8 Hey, Ted. Look out of the window! This / That is the longest car I have ever seen!

These en those. Het aanwijzend voornaamwoord: meervoud

Met these en those verwijs je naar meer mensen, dieren of dingen. These gebruik je voor dichtbij en those

voor ver weg:
These pictures are great. Those pictures are too dark. Deze foto’s zijn prima. Die foto’s zijn te donker.
Those flowers are almost dead, but these flowers are fresh. Die bloemen zijn bijna dood, maar deze bloemen zijn vers.


Schrijf de volgende zinnen in het meervoud.
1 That house is very old. Th os e houses ar e v er y old.


This car is new.


Bill likes this plan.


That clock is ticking.


Can you help me with this question?


This girl is crying.


Can I have that book, please?


This plate doesn’t break.


Schrijf de volgende zinnen in het enkelvoud.


These exercises are very easy.

This e x er cise is v er y eas y.


I know those boys.


Those pictures are really nice.


These French words are very difficult.


Those plants grow fast.


These pencils are red.


Are these your birthday presents?


Kies het beste aanwijzend voornaamwoord.

1 Do you know that / those Brazilian girl from Maassluis?

2 This magazine is good, but these / that one is boring.

3 Do you know the answer to this / those question?

4 Can you help me with this / that website? I can’t open it.

5 That / Those black shirt is really nice. Can I try it on, please?

6 I wear that / these shoes every day.

7 Just press that / this button. See! It’s easy.

8 This / These songs are all good.

WIL JE VERDER OEFENEN? ga dan naar de theorielessen op de website van Taalblokken 2
6 Hoeveel? – many, much, a lot of
In het Engels zijn een paar woorden die veel betekenen: many, much en a lot of.

Je gebruikt many als je het woord erna kunt tellen:

I have many friends. one friend, two friends

Elly doesnt know many Italian songs. one song, two songs

How many emails do you write every day? one email, two emails

There are many bees in our garden. one bee, two bees


Je gebruikt much als je het woord erna niet kunt tellen:

How much milk do you drink every day? Hoeveel melk drink jij elke dag?

These people dont have much money. Deze mensen hebben niet veel geld.

I dont read much. Ik lees niet veel.

We dont need much sleep. Wij hebben niet veel slaap nodig.

A lot of

Als je veel wilt zeggen, gebruik je meestal a lot of. Je kunt a lot of niet gebruiken in vragen of ontkennin- gen:

The children make a lot of noise. De kinderen maken veel lawaai.

I usually have a lot of fun at school. Ik heb meestal veel plezier op school.

There are a lot of things that I like. Er zijn veel dingen die ik leuk vind.

We know a lot of English words. We kennen veel Engelse woorden.

Joelle watches a lot of TV. Joelle kijkt veel tv.

In vragen en zinnen met not (ontkenningen) moet je many en much gebruiken:

The children don’t make much noise. De kinderen maken niet veel lawaai.

Do you have much fun at school? Heb je veel plezier op school?

There aren’t many things that I like. Er zijn niet veel dingen die ik leuk vind.

Do you know many English words? Ken jij veel Engelse woorden?

Does Joelle watch many TV shows? Kijkt Joelle naar veel tv-programma’s?

Als je zegt dat iets te veel is, kun je a lot of ook niet gebruiken. Dan moet je many of much gebruiken:

In July there are too many tourists in the city. In juli zijn er te veel toeristen in de stad.

There are too many things that I like. Er zijn te veel dingen die ik leuk vind.

Evy drinks too much milk. Evy drinkt te veel melk.

The children make too much noise. De kinderen maken te veel lawaai.
1   2   3   4   5   6   7   8

Dovnload 2.72 Mb.