Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Woord vooraf 5 Hoofdstuk 1

Dovnload 2.72 Mb.

Woord vooraf 5 Hoofdstuk 1



Pagina6/8
Datum04.04.2017
Grootte2.72 Mb.

Dovnload 2.72 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8

OEFENING 32


Much, many, a lot of? Streep door wat niet in de zin past.

1 We don’t understand much / many German at school.

2 I always spend many / a lot of time on my hairstyle.

3 Jeff has got a lot of / much games.

4 He doesn’t have much / many money.

5 There aren’t many / much jobs available.

6 I’ve got much / a lot of English comic books.

7 She had too many / much ideas. She couldn’t choose.

8 How much / many time do we have?

9 We always do much / a lot of things together.

10 You eat too much / many junk food.

11 We don’t know much / many people around here.

12 Does this restaurant have a lot of / many vegetarian dishes?

13 I don’t eat many / much cheese.

14 There are too many / a lot of cars in this car park.

15 Do you drink a lot of / many coffee?

OEFENING 33


Wat vul je in op de puntjes? Zet telkens een kruisje in de goede kolom.


a lot of many much

1 We’re having … fun!

2 Do you read … books?

3 Lizzy doesn’t have … close friends.

4 There are … German students at this school.

5 We don’t have … time.

6 Do you know … Canadian bands?


a lot of many much

7 He takes … pictures when he is on holiday.

8 I don’t drink … water.

9 Do you have … work to do?

10 My iPod contains … songs.

WIL JE VERDER OEFENEN? ga dan naar de theorielessen op de website van Taalblokken 2


2 Zinnen
1 Hoe maak je een zin? – I make a sentence.
Woordvolgorde – I read a book.

Een Engelse zin heeft meestal dezelfde volgorde als een Nederlandse zin:


onderwerp persoonsvorm – rest van de zin:


I am tired. Ik ben moe.

She studies computer science. Ze studeert informatica.

We will meet our friends in the restaurant. We ontmoeten onze vrienden in het restaurant.

The guests are eating their soup. De gasten eten hun soep.

Patrick goes to school by bus. Patrick gaat met de bus naar school.


Woorden zoals always, never, often en sometimes komen vóór de persoonsvorm:


I never eat breakfast. Ik ontbijt nooit.

Brian always wears sunglasses. Brian draagt altijd een zonnebril.

I often dream of going to South America. Ik droom er vaak van dat ik naar Zuid-Amerika ga.

She sometimes cleans her own room. Ze poetst soms haar eigen kamer.

Woorden als always, never, often en sometimes staan altijd áchter de vorm van be (am, is, are, was en



were):
Tim is always late. Tim is altijd te laat.
They are never ready when we get home. Zij zijn nooit klaar als we thuis komen.

OEFENING 1


Zet de stukken zin in de goede volgorde.
1 a letter / type / I I t y pe a let ter.
2 love / I / summer
3 says / hello / Peter / to his neighbours / always

4 the noise / very loud / is
5 have / a new mobile phone / I
6 are / dancing / they
7 wear / I / black clothes / never
8 always / you / your own lunch / bring
9 My parents / moving / are / to Rotterdam


10 usually / good grades / gets / Patty

WIL JE VERDER OEFENEN? ga dan naar de theorielessen op de website van Taalblokken 2
2 Hoe maak je een vraag?
Vragen zonder vraagwoord – Do you like it?

Als je een vraag wilt maken met het werkwoord be (am, are of is), dan zet je dat werkwoord vooraan in de zin:


Are you happy? Ben je gelukkig?
Is your grandma home? Is je oma thuis?
Am I ready for it? Ben ik er klaar voor?

Bij het werkwoord have got of has got gebruik je volgende volgorde:



have / has onderwerp (degene die het doet) got
Have you got the tickets? Heb je de kaartjes?
Has she got enough money? Heeft ze genoeg geld?
Have we got all the things we need? Hebben we alles wat we nodig hebben?

Bij andere werkwoorden gebruik je do of does:


do / does onderwerp werkwoord rest van de zin


Do you speak English? Spreekt u Engels?

Does Masha understand the question? Begrijpt Masha de vraag?

Do the managers talk to their employees? Spreken de managers met hun medewerkers?

Does the ice melt fast? Smelt het ijs snel?

Do we have a deal? Hebben we een deal?


De –s achter het werkwoord bij he, she en it verdwijnt. Daarvoor in de plaats schrijf je does.
She goes to school four days a week. Does she go to school four days a week? Brian wants to buy a new iPod. Does Brian want to buy a new iPod?

The train leaves from platform 2. Does the train leave from platform 2?

OEFENING 2


Maak van de volgende zinnen een vraag.



1

Tom eats fish and chips.



Does To m ea t f ish and chips?

2

Mr Brane reads the newspaper.




3

We look like clowns!







4

Nancy is working tonight.







5

The waiter is ready to take our order.







6

Your sister wears glasses.







7 This training is very useful.
8 I’m trying to learn Italian.


Who, what, when, why, how, where? Het vragend voornaamwoord
Who reads what?

Je kunt een vraag ook beginnen met who, what, when, why, how en where:


Who are you? Wie ben jij?

Where do you live? Waar woon je?

When is Mike coming? Wanneer komt Mike?

What have you got in your right hand? Wat heb je in je rechterhand?

Why is your room such a mess? Waarom is het zo’n rotzooi op jouw kamer?

How does Tom feel about this? Hoe denkt Tom hierover?

Kijk nog eens goed naar de vorige paragraaf om te zien wanneer je do en does moet gebruiken in dit soort vragen.

OEFENING 3
Wat is het beste vragende voornaamwoord? Kruis het goede woord aan.

1 is that new student?

When

What

Who

Why



2 … do you want to do?

How What Why When



3 … are you leaving for Spain?

□ What


□ Who

□ When


□ Where

4 … are you doing?

□ When


□ Why

□ How


□ Where

5 … is my laptop?

Where

□ When

□ How


□ Why

6 … is the soup?

□ Why


□ Who

□ How


□ When

7 … is going on?

What

□ How

□ Who


□ Where

8 … is your birthday?

□ Why



When

□ Who


What

9 … knows the answer?

Who

What

When

How

10 … is that smell?

Why

When

How

What

OEFENING 4


Maak vragen van de volgende zinnen. Vraag naar het vetgedrukte woord. Kies uit: how, when, where, what, who of why.
1 I’m watching the new Bond film. Wha t am I / ar e you wa tching?
2 She wants a Coke.
3 We live in Chester Road.
4 I turn on the heating because it is cold.
5 They go to Turkey by plane.
6 Roy and Brad are giving a party tonight.
7 Bart works in a restaurant.
8 The clients are happy with the service.
9 My aunt goes to Leeds every Wednesday.
10 He stays at home because he is ill.

Hoofdstuk 2

Spelling A1

Hoe schrijf je dat?




1 Woorden
1 Het meervoud van zelfstandig naamwoorden –
book books, taxi taxis
Je zet iets in het meervoud als het om meer dan één mens, dier of ding gaat.

Als je een Engels woord in het meervoud schrijft, zet je er een –s achter. Die –s schrijf je altijd vast aan het woord:


book books house houses taxi taxis

OEFENING 1


Welke woorden staan in het meervoud? Onderstreep ze.
Football is a team sport with two teams of eleven players and a ball. The game is played on a grass field. There are two goals; one for each team. The players try to get the ball into the other team’s goal. The goalkeepers are the only players that can touch the ball with their hands or arms. The team which scores the most goals wins.

OEFENING 2

1   2   3   4   5   6   7   8


Dovnload 2.72 Mb.