Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Woordenboek van de Tilburgse Taal Wil Sterenborg A

Dovnload 388.07 Kb.

Woordenboek van de Tilburgse Taal Wil Sterenborg A



Pagina3/4
Datum25.10.2017
Grootte388.07 Kb.

Dovnload 388.07 Kb.
1   2   3   4

afkrabbe

ww,zw. afkrabben

WBD de geweekte haren van een geslacht varken verwijderen, met een krabber of andere hulpmiddelen

afkrabbe - krabde(n) aaf - afgebrabd

 

aflaaje

ww,zw.

afleiden (deducere)



K+B aflaaje

CR hij wies de gaans wè af te laaje;

aflaaje - laajde(n) aaf - afgelaajd (geen vocaalkrimping)

Biks AFLAAJE afleiden, uitlaten van dieren

 

aflaot

zn.


aflaat (r.-k.)zie: pesjónkele

'nen vóllen aflaot

Antw.AFLAAT znw. m. - fig. Nen aflaat aan iet verdienen - afmattende arbeid aan iets moeten besteden.

 

aflègge

ww. st.

afleggen (i.a.b.)



gez. bekaant aflèggesgerêed - op het punt te sterven

K+B 'dè de meensen weer afgelee zijn' (= afgezet)

CR hil de buurt die stond grif klaor om Drikske af te lègge

WBD III.2.2:94 'afleggen' = idem (een dode)

aflègge - li/leej aaf - afgelègd/afgeleej

Hees aflegges klaor (VI:22)

Goem. AFLEGGEN - aflè, wkw (lag af, afchelè:): iets van de tafel - (afnemen);

ook: een bezoek, zijn kaarten, nen eed - ; zijn schuld - (= met kortingen aflossen)

Antw. AFLEGGEN - afzoomen, afboorden, den zoom met eenig sieraad beleggen; afgeven, teruggeven

 

aflèkke

aflikken

DANB de schipper lèkte zen lippen aaf

aflèkke - lèkten aaf - afgelèkt

 

afloekieje

ww., zw.

bespieden

HvR iemand afloekieje - iemand bespieden

 

afmaoke

ww., zw.

afmaken (in div.bett.); onder narcose brengen, weerloos maken

afrasteren

WBD afrasteren (evenals 'afhèène', Hasselts)

WBD afmaoke (II:l390) - afmaken, afwerken (in pettenindustrie)

FVb nie afgemòkt - zonder narcose (geopereerd)

— afmaoke - mòkte(n) aaf - afgemòkt

ook in praesens vocaalkrimping: gij/hij mòkt aaf

Bont zw.ww.tr. afsluiten, afschutten ....; de laatse hand aan iets leggen.

Goem.AFMAKEN - afmu:ke, wkw (mokten af, afchemaokt): zijn werk, een paard, iemand - ; eene straat - (= afsluiten)

Antw. AFMAKEN - afsluiten, 't zij met eenen muur, eene haag, een schutsel.

 

afneeme

ww., st.

afnemen, verminderen

WBD III.4.4:4 'afnemende maan' = laatste kwartier

WBD III.4.4:27 'afnemen' = krimpen

 

afpèère

ww. zw.


afranselen, een pak slaag geven

Die zumme wèl is afpèère.

WBD III.1.2:56 'afperen' = een pak slaag geven; ook: 'bijperen e.d.'

afpèère - pèèrde(n) aaf - afgepèèrd

Bont afpe.re(n) zw.ww.tr. afperen, een pak slaag geven.

Antw. AFPEREN - kletsen, lappen, oorvegen geven.

Biks AFPÈÈRE - een pak slaag geven

 

afploege

ww., zw.

WBD (Hasselt) uiteenploegen (tegengestelde werkwijze aan de vorige keer)

- afploege - ploegde(n) aaf - afgeploegd

Bont afpluge(n), zie: afplu.uge(n), zw.ww.tr. afploegen; van een grotere akker een veld afploegen zodat het door een flinke voor ervan gescheiden is.

 

afpòtte

ww., zw.


FVb aftellen, bij een spelletje

 

afrakke

ww,zw.

MTW iemand of iets in de vernieling jagen



Biks AFRAKKE - rondzwerven

 

afraoje

ww,zw.

afraden


DANB ik hèb et em afgeraoje

HvR afraojen is ònraoje

afraoje - raojde(n) aaf - afgeraoje

 

afrèffele

ww,zw

vB afraffelen



Koen. haastig en slordig opzeggen of afmaken

FVb de roozekraans afrèffele - afratelen

FVb garen (van de klos af laten lopen)

WBD (III.3.3:195) 'afraffelen' = afraffelen

afrèffele - rèffelde(n) aaf - afgerèffeld

Bosch afroefele - haastig en slordig werken

 

afrösse

ww,zw.


aframmelen, afranselen, een pak slaag geven, 'afslaon'

WBD III.1.2:56 'afrossen' = een pak slaag geven; ook: 'afslaan'

afrösse - röste(n) aaf - afgeröst

 

afschaaje

ww., zw.

uitscheiden, ophouden

gez. Hij schaajt eraaf as enen hond van zene stront, -levert slordig werk

MTW 'Dur afschaaje as unnen boer van zunne stront'- stoppen met iets zonder de boel op te ruimen

WBD III.1.4:312 'afscheiden' = ophouden met het werk

SN erven afschaajen as enen hond

— afschaaje - schaajde(n) aaf - afgeschaaje

Bont zw.ww.intr. - afscheiden, uitscheiden, ophouden (met iets)

Zegsw. 'Hij schaeit ouveral van af lak enen boer (of hond) va z'ne stront.' d.w.z. hij werkt zijn zaken niet netjes af.

Antw. AFSCHEE(D)EN - afscheiden

Biks AFSCHAAJE - ermee ophouden, uitscheiden

 

afschaajing

zn

WBD akkerscheiding (grens tussen twee stukken grond), ook 'scheiing' en (Hasselts) 'schaaj' genoemd



FVb schutting, hek

WBD III.4.4:202 'afscheiding'= scheiding, ook'schei'

 

afschèète

ww,st.


MTW aan komen slenteren

Biks AFSCHÈÈTE - aan komen sukkelen

 

afschiete

ww., st.


betalen, over de brug komen

Et wier tèèd dèttie afschoot. - Het werd tijd dat hij over de brug kwam.

FVb de Carnavalsstichting kent als donateurs: De scheutege afschieters

WBD III.5.1:115: 'afschieten','over de brug komen' = betalen

- afschiete - schôot aaf - afgeschoote

Bont st.ww.tr. afsohieten l) geld geven bij wijze van douceur, 2) betalen: ik zoo mar is afschiejte.

Goem. AFSCHIETEN, een geweer e.d. - ; het zeel is afgeschoten (= losgeraakt); hij kwam den trap afgeschoten (in hollende vaart).

Antw. AFSCHIETEN - betalen; bij landb.: den stal afschieten = afdoen

 

afslaoger

zn

MTW veilingmeester



 

afslaon

ww,st.


afslaan ; een pak slaag geven

MP gez. Ik slao niks aaf as vliegen èn blèndaoze = Ik sla niets af.

WBD 'afslaon (Hasselt.), of 'spinne' (v.e. merrie) - afscheiding geven uit de schede, teken van hengstigheid

WBD III.3.1:62 'afslaan','afzetten' = verlagen (v.d. prijs)

WBD III.1.2:16 'afslaan' = keren} ook: omkeren, omdraaien, wenden, zwenken

WBD. III.1.2:55 'afslaan' = een pak slaag geven

WBD III.2.3:l85 'afslaan' = idem van noten

— afslaon - sloeg aaf - afgeslaon

— geen vocaalkrimping in praesens

Bont afslon st.ww.tr.- afslaan 1)een pak slaag geven... Zegsw. Ik slóoi niks af a's vliejge.

Goem. AFSLAAN - het stof v.d. kleeren, een stuk van iets - ; iemand - (= afranselen)

Biks AFSLAON - afslaan, een pak slaag geven; zen klòk is afgeslaon (t.w. v.d. duivenmelker;

 

afsnòlle

ww., zw.


MTW (Textiel) garen van pijpen stropen of het schiet er spontaan af

 

afsnölle

afschieten, afkalven

WBD afsnölle (II:939) - als 't garen van de pijp afschiet

 

afspanne

ww,zw.


WBD uitspannen (v.e. paard), (Hasselts)ook 'ötspanne' genoemd

afspanne - spande(n)aaf - afgespanne

Bont afspane(n) st.ww.tr. afspannen, ontspannen: de zaog afspanne.

Antw. AFSPANNEN - afsluiten met ijzerdraad, koorden enz.

Biks AFSPANNE - losmaken; in de knoei raken

 

afspèlle

ww., zw.

afspelden

WBD afspèlle (II:1189) - afspelden (van een zoom in kleding)

 

afstaand

zn.

afstand


K+B afstaand

Goem. AFSTAND, afstant znw.m.: afstand doen; iemand op afstand houden

DISTANTIE - distanse, znw.vr. Wordt meer gebruikt dan 'afstant'

 

afsteeke

ww,st.

afsteken


WBD het deeg op de werkbank verdelen

afsteeke - staak aaf - afgestooke

in praesens vocaalkrimping: gij/hij stikt aaf

 

afstooke

ww,zw.

FVb in brand steken



Biks AFSTOOKE - in brand steken

 

afstrêûpe

FVb winkels aflopen voor koopjes

SN 'Ons moeder moes sewèèle afstrêûpe om der jong ònt eete te haawe - Mijn moeder moest soms op koopjes jagen om haar kinderen de kost te geven' (240308)

 

afstrije

ww,st.


betwisten, loochenen, ontkennen; tegenwerpen, met argumenten bestrijden

HvR dè zak nie afstrije - dat zal ik niet aanvechten

WBD III.3.1:236 'afstrijden', 'bekvechten, strijden, muilvechten, smoelvechten, ruzie maken, haarenkelen' = bekvechten 

- afstrije - streej aaf - afgestreeje

Antw. AFSTRIJ(D)EN - betwisten, loochenen (Fr. contester, nier); iemand iet afstrij(d)en - in eenen woordenstrijd hem iets uit het hoofd trachten te praten, van het tegendeel overtuigen.

 

aftaands

bn.

aftands


D'l6 'aaftaands' - iemand van zekeren leeftijd

 

aftèùge

WBD aftuigen (v.e. paard) 

MTW afranselen, aftuigen

WBD III.1.2:57 'aftuigen' = een pak slaag geven

aftèùge - tèùgde aaf - afgetèùgd (geen vocaalkrimping)

Antw. AFTUIGEN - het getuig afdoen: E pèèrd aftuigen

 

aftrappe

ww., zw.

vertrokken, ertussenuit gaan

MTW 'aaftrappe ww - vertrekken'

 

aftreeje

ww, st

WBD land aftreden (om een perceel te meten)



WBD III.4.4:292 'aftreden = afpassen

- aftreeje - aaf - afgetreeje

Bont st.ww.tr aftreden, met passen afmeten b.v. een veld.

Antw. AFTRE(D)EN meten hoeveel treden iets lang is.

 

aftrèkke

ww, st.


van het getouw halen

WBD aftrèkke (II:1052) - van het getouw halen (v.h. weefsel)

WBD III.2.2:107 'zijn eigen aftrekken' = masturberen

 

afval

zn.

afval


D'16 longen en hart van een varken, om zult (hoofdkaas) van te maken

 

afvalle

ww., st.

flink tegenvallen; gewicht verliezen;

V 'van oewèège afvalle' - in onmacht vallen, flauwvallen

R Et zal oe wèl afvalle daor. - Het zal je daar wel tegenvallen.

R Et wèèrke viel wèl aaf.

V Hij valt gereegeld van zenèègen(aaf)

WBD III.1.1:24 'afvallen' = mager worden

wBD III.1.4:277 'afvallen' = heimwee hebben

afvalle - viel aaf - afgevalle

Door progressieve assimilatie van stem wordt de v geabsorbeerd.

Goem. AFVALLEN, Het fruit is met den wind

afgevallen; hij viel van de leer af; lichamelijk vervallen; Hij is de

laatste jaren fel afgevallen.

 

afvatte

ww, st.

afnemen, ontnemen



MTW 'aaffatte, affatte ww - afnemen, ontnemen'

afvatte - viet aaf - afgevat

(de v assimileert aan de f)

Bont afate(n) st. en zw. ww. tr. - afvatten, (iemand iets) afnemen

Biks AFVATTE - afnemen

 

afwaas

zn.

afwas, vaat



WBD III.2.1:286) afwaas, opwaas, omwaas = vaat

 

afwaase

WW,ZW.

wassen (van personen)



zenèègen afwaase - zich wassen

R.J. 'toen hebben wij ons afgewasen'

- afwaase - waaste(n) aaf - afgewaase

Geen vocaalkrimping

 

afwinne

ww, st.


van iemand winnen

MTW 'aafwinne ww - iemand voor zijn'

Biks AFWINNE - afwinnen (ergens mee vóór zijn)

 

afwòchte

ww. zw.

afwachten



CR niks as de bui afwòchte;

BrSp mar afwòchte, as Ónze Lieven Heer ònt krèùs (vB-TT '7l) - Zijn ziel in lijdzaamheid bezitten.

— afwòchte - wòchtte(n) aaf - afgewòcht

Goem. AFWACHTEN, wkw ( wa ten af, af ewa t): wacht mij aan de statie af; zijnen tijd, zijnen toer (beurt) - ; met vijandelijke gevoelens opwachte

 

afzèèke

ww., st.


MTW iemand voor de gek houden of belachelijk maken

 

afzègge

ww. st.

afzeggen


BrSp hij gao de liste mis afzègge (vB TT '70) - gezegd van iemand wiens broek te laag hangt

 

afzètte

WW , ZW .

FVb urineren

financieel oplichten

WBD III.3.1:62 'afzetten', 'afslaan' = verlagen v.d. prijs

WBD III.3.1:195 'afzetten', 'aftroggelen, aftroggen, ontfutselen, aftruitelen, afdrogen, affoefelen' = aftroggelen

Biks AFZETTE - uit laten stappen; wateren

 

agge

sandhi


als ge

CR Agge daor blèèft zitte, .. Agge klaor zèèt.

CR tis gemakkelek nèè zégge, agge nie wòrdt gevraoge;

B agge - als gij

— als>as>a + ge = agge

Antw. ACHE, samentrekking van 'als gij'

Hees AGGE - adde (V:56)

Str. agge (l:92)

 

aj

tussenw.


au.! (kreet van pijn)

aj men èksterôog!

Antw.AAI (zuiver uitgespr.) tw.- kreet van droefheid of pijn. Ook 'ai'.

AÏE tw. - kreet van pijn of van schrik

 

ajuu

interj.


MTW gegroet

 

ak

andhi

als ik


Ak gao, meude meej

HvR ak menen bril nie bij hèb, zèèk afgespanne - ... ben ik ontriefd

bèt ie ak em aaj?

als as a + ik ak

Antw. AK samentrekking van 'als ik': Ak den tijd heb ...: Ak mag ...

 

akkem

sam.

als ik hem



GG bèttie akkem aaj?

 

akkenta(a)nt

zn.

accountant



 

akkerdeere

ww., zw.


opschieten, overweg kunnen, accorderen

Ze kósse goed akkerdeere. Ze konden goed met elkaar overweg.

R As gullie naa mar akkerdeert. - Als jullie nou maar geen ruzie maken.

CR Wilde meej oew vrouw akkerdeere? Meej jou viel hêel goed te akkerdeere:

CR Ik kan meej ónze vadder nie akkerdeere;

- akkerdeere - akkerdeerde - geakkerdeerd

Str. akkerdeere (2:5l)

Hees akkerdeere (II:18)

S.G. blz. 84,III,326,330 (aant.Witters)

van fr. accorder = tot overeenstemming brengen, tred houden of s'accorder = het eens zijn

WNT ACCORDEEREN is geene afleiding van 'accoord', maar rechtstreeks aan fr.'accorder' ontleend.

Goem. ACCORDEEREN - akordéren wkw - overeenkomen: ze - goed samen.

Antw. ACCORDEEREN (uitspr.akkerdéren)- in goede overeenkomst met elkander leven (Fr.s'accorder); ook onpers.: 't accordeert daar niet.

 

al

bw/tw

Kern Ze waandelden aal proatende tot oan de staad



HvR ek gelêûf et al zen daosje - ik geloof het ongetwijfeld

 

alderaande

bn

allerhande, allerlei



FVb allerhaande sorte - goed gesorteerd

WNT ALDER voor ALLER is in de volksspraak gewoon en komt ook bij 17e-eeuwsche schrijvers veelvuldig voor.

 

alderheilege

zn., plur.

Allerheiligen, r.-k. feestdag 1 november

WBD (III.3.3:174) allerheiligendag

met epenthetische d (,na l)

 

alderIist

tw/bn

allerlaatst



CR alderlist (bis)

WNT ALLER-. De vorm 'alder-' is nog heden in de volksspraak gewoon en komt

ook bij de schrijvers der 17e eeuw veelvuldig voor.

 

aldervruugst

bw/bn

MTW op zijn vroegst



 

alderziele

zn, plur.

Allerzielen, 2 november in r.-k. kerk

met epenthetische d (na 1)

 

algemêen

bw. - bn.

algemeen

Btk blz. 16

 

alkoof

zn.


alkoof

WBD alkoof, alkoowf - alkoof, klein vertrekje zonder ramen, waarin bedden of bedsteden zijn geplaatst.

WNT ALKOOF .... via fr. en sp. van Arabischen oorsprong, uit het lidw. al + kobba, een verwulfd of koepelvormig gebouw of vertrek.

Goem. ALKOOF, alke:f, znw.vr. soms in den zin van bed

 

allebaaj

tw.


beide, allebei(de), alle twee

Die zèn allebaaj èffe zot. - Die zijn alle twee even gek

CR toen ze allebaai wir verder góngken

CR hòk ze allebaaj mar wir in hèùs

CR we hòn allebaaj den hits in óns lèèf;

 

allebeneur

bw.

MTW mij goed, vooruit dan maar



FVb allebeheur - vooruit dan maar (Fr. à la bonheur)

SN Naa allebeneur, as ge dè naa zo gèère hèt, dan doek dè wèl (070207)

Fr. à la bonne heure ?

 

alledaoge

uitdr.

elke dag, alle dagen



GG dè is ene meens van alle daog - die zal het niet lang meer maken

 

alpinke

zn.

WBD III.1.3:192 'alpinke' = alpinomuts; ook: 'alpinetje'



 

alleej

interj.


aansporend tussenwerpsel

WBD allee verèùt - vlugger! (commando voor een paard)

WBD alleej-hup, halee-hop - opstaan (commando voor een paard)

R.J. alleej-naa, Kees, nie stoeje

CR alleej vurèùt, truuhuup!

CR alleej, ge meuget weete; allee allee Mientje;

CR alleej koesjeej - vooruit, naar bed

MTW alleej, saluu war - kom, gegroet hoor: afscheidsgroet

= fr. 'allez' = ga, kom!

Goem. ALLEZ (Fr.), alé:, aléi, alai; tw. aansporend: - kom! Z.a.

 

allêen

bw

alleen



CR we zingen alleen mar we m**pkes;

GD94 daor wòrde allêen mar muug van

WBD III.3.1:40 'alleen' = eenzaam

 

allêeneg

bw/bn

alleen


K+B 'alleenig'

CR toen et Gòd allêeneg deej...; allêeneg;

CR Ze lèkt nèt de stèr van Bètteljèm, jè, allêeneg blinkt ze nie

OANB Teegeswórreg spinne zallêeneg mar meej mesjienes

HvR hij kos et himmòl allêeneg

WNT ALLEENIG ... van 'alleen' + het achterv. -ig. In de volksspraak ge-

wone, maar ook bij dichters niet ongebruikelijke verlenging van 'alleen',

die echter de beteekenis geheel onveranderd laat.

Bont bijw.(weinig gebr.) allenig, alleen. Zie WNT.

WAT allenig b.n.(pred.) z.a.

Bosch allenig

 

allegeduureg

bw.

voortdurend, doorlopend



Hij moes allegeduureg drinke

Bont bijw. gedurig, aanhoudend! Et wa's allegeduurigen te doewn

Antw. ALLE GEDURIGEN - gedurig aan, alle oogenblikken: 't Is alle gedurigen zoo

 

alleman

zn.

iedereen


CR host alleman te voet

BrSp allemans vriend is allemans gèk (D'16)-wie voor iedereen goed is, ziet zijn goedheid al gauw misbruikt

WNT ALLEMAN, koppeling van 'alle' en 'man', als eenheid opgevat, evenals

ieman(d) en nieman(d), en als zelfst. vn. gebruikt. 'Man' staat hier in

de oude beteekening van 'mensen'. Komt al in de hooge oudheid voor.

Goem. ALLEMAN: allemansvriend is -szot.

 

allemanshond

vB meisje dat met iedere jongen op pad gaat, of met zich laat spelen

 

alle mèèrges

elke morgen

GG as ge alle aovende int kefeej zit, hèdde ok alle mèèrges kòppènt

 

alles

vn.

alles


Kern Ze nemen aalles wetter te krêgen is

BrSp Alles is kits: de kachel óp bed en de klèène in de koolenbak (vB-TT'74)

- Alles is in orde; oorspr. gezegd na een geslaagde bevalling.

 

BrSp Alles óp zene tèèd èn bóntjes in augustus, èn et kèènd hiet Jaoneke. (vB-TT'69) - reactie van iemand die tot spoed wordt aangemaand.



Variant: Alles óp zene tèèd èn de brèune bôonen in mei.

FVb Alles is in òrde: de kachel óp bèd èn de klèene in de koolekit

 

allèskes

bw

allengs, allengskens, langzamerhand, hoe langer hoe meer



CR alèskes al meer (als titel v.e. gedicht, en frequent daarin)

MTW alèskes - allengs, langzamerhand

WNT ALLENGS, voorheen 'allencx, later ook'allenks'. Andere vormen: allenken, allenkskens, allenskens, allengskens. Z.a., waar nergens de nasaal na

de tweede klinker ontbreekt.

Antw. ALLESKE(N)S bw. Uitspraak van 'allengskens'

 

alzelèève

bw.

zijn hele leven ;



vast en zeker

Die heej alzelèèven óp Körvel gewond.

Ik gelêûf et alzelèève. variant: Ik gelêûf et al zen daoge

Hees alzeleve (VII:22)

Verh. ALZELEVEN (alzelééve), bw. heel zijn leven; ppk: altijd, in alle omstandigheden, zeer zeker, in elk geval.

Goem. al ze lieve - altijd; ook wellicht, vermoedelijk

Bosch alzeleeve - zijn hele leven, altijd, zeker, nadrukkelijk; lieve hemel!

 

ambras

FVb heibel, problemen

WBD III.3.1:305 'ambras' = bluf

WBD III.1.4:382 'ambras' = drukte

van Fr. 'embarras'

 

ammezuur

embouchure, mondstuk v.e. blaasinstrument

R uithoudingsvermogen

FVb vermogen om goed op een blaasinstrument te spelen; lipspanning

R Hij heej nòg den amezuur van ene jonge kèèrel.

CR Hij heej den amezuur nòg van ene fèfteger (Burg. v. VtV, 1e spade hoogsp.)

K+B 'aonmonding'

HvR ginnen ammezuur hèbbe - geen lust, fut, animo hebben

MTW Vandaog gin ammezuur - vandaag geen zin / lust

FVb De blaozers v.d.hèrmenie vatten en paor glaoze bier vur et ammezuur.

- Verbastering van fr. embouchure

WBD (III. 3.2:325) ammezuur = mondstuk

Bont amezü.jer zn.o. ammezuur, embouchure, mondstuk v.e. blaasinstrument...

Verbinding 'ammezuuier hebben (op)' zekere geschiktheid bezitten voor het bespelen van (een af ander blaasinstrument). Z.a.

Biks AMMEZUUR - 'ammezuur hèbbe'- aanleg hebben v. 't bespelen v.e. instrum.

EDW ammezuur - embouchure (Hamont-Achel)

Hees ammezuur is onze variant van embouchure (I:14)

 

ammòl

tw. bw.

allemaal ; alsmaar



met vocaalreductie: ammel

Kwók et ammól wies. - Ik wou dat ik het allemaal wist.

Hij plaogt mèn ammòl. - Hij plaagt me alsmaar.

MP gez. Ze hèbben ók nie ammòl bèllekes aon, die nòr de kèèrk gòn.

K+B mee allemollen zongen we

CR hier zèn ze allemòl gelèèk; ge meuget ammòl weete; et kan vort ammòl;

CR waor heetie et ammòl oover? Tis ammòl niks!

CR gullie wilt ammòl mar te pòst èn te pèèrd trouwe;

CR et doe hier ammòl zeer; dôod gòmme ammòl;

WS daor stonne ze meej zen ammòlle - ,.. met z'n allen

HvR zooj zi zèn zammól zuut. - naar hij zei, zijn ze allemaal zoet

HvR koome ze meej zen ammòlle? - komen ze met z'n allen?

Biks 'AMMEL' bijw. : allemaal, voortdurend

Verh. AMMAL bw, 1. allemaal, met zijn allen; 2. steeds, de hele tijd door: 'hij din ammal réére ' - hij beefde voortdurend

Bont I bijw. en vn. allemaal, altemaal: Wa zëess' ammel?

II bijw. al maar (door), voortdurend: 'k Denk ammel dat et woensdeg:

Antw. ALLEMAAL (ook 'ammal' uitgespr.) - geheel en al; allen

Soms wordt allemaal verbogen: mee' hun allemalen.

kdoet nie ok nie (lied): bekèkt et ammel mar!

CiT (4) 'Kome ze mee zamolle?'

 

amtenèèr

zn

ambtenaar



K+B 'ambtenèèr', 'ambtenair'

 

anderst

bn.

ander


óm den andersten dag - om de dag (de ene dag wel, de volgende niet)

Bont um den andersen dag, ook 'ouver andersen dag' - om de andere dag;

'ouver anderst joor- om het andere jaar

 

1   2   3   4


Dovnload 388.07 Kb.