Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Xiii. De directe actie van de benadeelde Mr W. G. B. Neervoort Inleiding

Dovnload 32.79 Kb.

Xiii. De directe actie van de benadeelde Mr W. G. B. Neervoort Inleiding



Datum01.08.2017
Grootte32.79 Kb.

Dovnload 32.79 Kb.







XIII. De directe actie van de benadeelde

Mr W.G.B. Neervoort


1. Inleiding
1.1 Geen directe actie onder het oude recht

Naar oud verzekeringsrecht had de benadeelde alleen dan een directe actie jegens de aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker indien dit in een wettelijke bepaling was vastgelegd.1 Totnogtoe is dit alleen gebeurd bij de verplichte aansprakelijkheidsverzekering ingevolge de WAM, de Jachtwet, de Wet Aansprakelijkheid Olietankschepen en de Wet Aansprakelijkheid Kernongevallen: de benadeelde kan in de in die wetten geregelde gevallen zijn schade rechtstreeks claimen onder de aansprakelijkheidsverzekering van de veroorzaker. De benadeelde heeft zelfs een “eigen recht”: hem kunnen door de verzekeraar geen verweren worden tegengeworpen die de verzekeraar wel aan zijn verzekerde zou kunnen tegenwerpen (niet-betaling van de premie, te late melding van de schade, verrekening met een tegenvordering ter zake van premieachterstand, etc.).

In de rechtspraak is herhaaldelijk bevestigd dat een directe actie alleen mogelijk is als daarvoor een wettelijke grondslag bestaat en dat er voor wat betreft de onverplichte aansprakelijkheids­verzekering geen directe actie is ten behoeve van de benadeelde. De werknemer die door een bedrijfsongeval arbeidsongeschikt was geraakt en na faillissement van zijn werkgever probeerde om de schade rechtstreeks vergoed te krijgen van de aansprakelijkheidsverzekeraar van zijn werkgever, kreeg aldus nul op het rekest.2
1.2 Ratio van de directe actie

De ratio van de directe actie is dat de benadeelde zonder zo’n actie jegens de aansprakelijkheids­verzekeraar onder omstandigheden schadevergoeding misloopt, wat vanuit het perspectief van slachtofferbescherming onaanvaardbaar is. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarbij de verzekeraar al aan de verzekerde heeft uitgekeerd, en deze laatste failleert; dan rest de benadeelde slechts een concurrente vordering op de failliete boedel. Iedereen is het er tegenwoordig over eens dat indien een veroorzaker van schade zijn aansprakelijkheid heeft verzekerd, de verzekeringspenningen zoveel als mogelijk bij de benadeelde terecht moeten komen. Werd vroeger de aansprakelijkheidsverzekering vooral gezien als vorm van vermogensbescherming voor de verzekerde, in de loop der tijd is het besef gegroeid dat de aansprakelijkheidsverzekering ook een sociale functie heeft en in de eerste plaats bedoeld is voor de benadeelde.3



2. De praktijk onder het oude recht
2.1 Volmacht

In de praktijk van de schaderegeling werd en wordt in verreweg de meeste gevallen de claim van de benadeelde door de verzekeraar rechtstreeks met de benadeelde afgewikkeld. Dat is mogelijk doordat in de meeste moderne aansprakelijkheidspolissen een schaderegelings- en schadebetalingsclausule is opgenomen: de verzekeraar is gerechtigd om de schade rechtstreeks af te wikkelen met de benadeelde. De clausules zijn meestal gesteld in zodanige bewoordingen, dat daarin een volmacht kan worden gelezen van de verzekerde aan de verzekeraar om de schade namens hem rechtstreeks met de benadeelde af te wikkelen.4 Problemen ontstaan als de verzekerde in staat van faillissement wordt verklaard. Dan komt de volmacht van rechtswege te vervallen.


2.2 Voorrecht

Art. 3:287 BW5 komt de benadeelde in zoverre tegemoet, dat hij op grond van dit artikel voor zijn vordering op de verzekerde een voorrecht kan doen gelden op de verzekerings­penningen. Hiermee kan de benadeelde zich met voorrang boven andere crediteuren van de verzekerde verhalen op de verzekeringspenningen. Het voorrecht gaat bijvoorbeeld voor in rang op een pandrecht of beslag op dezelfde vordering. Het voorrecht schiet echter in vele gevallen tekort.

Ingeval van faillissement van de verzekerde moet de benadeelde allereerst zijn vordering indienen bij de curator en aan deze vragen om de vordering te plaatsen op de lijst van voorlopig erkende schuldeisers. Als alles loopt zoals het hoort, doet de curator dit en meldt de claim bij de verzekeraar, als dat niet al is gebeurd. Als de verzekeraar de claim van de benadeelde erkent, heeft alleen de curator de bevoegdheid om de schadepenningen te incasseren. Als de verzekeraar weigert uit te keren, moet de curator een procedure tegen de verzekeraar beginnen. Keert de verzekeraar uit, dan kan de curator vervolgens de schadepenningen pas afdragen aan de benadeelde als er een verificatievergadering is geweest, de vordering door hem definitief is erkend en de slotuitdelingslijst in het faillissement verbindend is geworden. Bovendien dient de benadeelde bij te dragen in de boedelkosten, waaronder het loon van de curator en de salarissen van het personeel tijdens de faillissementsperiode. Als hij een beetje pech heeft, blijft er aan het einde van de rit niet veel voor de benadeelde over. De afwikkeling van het faillissement kan al met al erg lang duren en dat kan ook erg ongunstig zijn in het geval de benadeelde moet revalideren. Maar bovendien eindigen de meeste faillissementen in Nederland door opheffing wegens gebrek aan baten. Een verificatievergadering blijft dan achterwege en er vindt helemaal geen slotuitdeling plaats. Er is meestal niet eens genoeg boedelactief om het salaris van de curator te betalen. De meeste curatoren hebben dan ook geen zin om zich uit te sloven voor de benadeelde (het innen van de vordering bij de verzekeraar indien deze gehoudenheid tot uitkering betwist), omdat de boedel er meestal niet (veel) beter van wordt en omdat het hen noodzaakt tot het houden van een verificatievergadering die anders achterwege zou blijven. Zij kunnen hiertoe volgens de rechtspraak ook niet worden verplicht.

Het voorrecht biedt onder deze omstandigheden de benadeelde dus volstrekt onvoldoende bescherming. De praktijk behelpt zich soms met een lapmiddel: curator en benadeelde gooien het op een akkoordje en de curator draagt aan de benadeelde de vordering over die de boedel op de aansprakelijkheidverzekeraar heeft. De curator bedingt hiervoor meestal een - soms forse - financiële tegenprestatie. Bovendien is deze weg niet altijd zonder risico’s. Verzekeraars zijn soms geneigd om aan te voeren dat daarmee de curator als (vertegenwoordiger van) de verzekerde hun belangen heeft geschaad. Ook stellen zij wel dat door middel van een procedure tussen de benadeelde en de curator eerst moet komen vast te staan dat er aansprakelijkheid is en dat die vraag niet in een eventuele procedure tussen benadeelde als cessionaris van de verzekerde enerzijds en de verzekeraar anderzijds kan worden beslist.6

Onder het oude recht schiet de bescherming van de benadeelde dus ernstig tekort. Hoe is dat onder het nieuwe recht ?
3. Nieuw recht
3.1. Artikel 7:954 (7.17.2.9c )

Indien aan bepaalde in art 7:954 gestelde voorwaarden is voldaan, kan bij een verzekering tegen aansprakelijkheid de benadeelde verlangen, dat indien de verzekeraar een uitkering verschuldigd is, het bedrag dat de verzekerde terzake daarvan van de verzekeraar te vorderen heeft aan hem wordt betaald. Dat lijkt een grote verbetering ten opzichte van het oude recht, maar de verbetering is beperkt, zoals we hierna zullen zien.


3.2 Doel en reikwijdte van de directe actie (geen eigen recht)

Met de nieuwe regeling wordt beoogd te bereiken dat indien er een verzekering is gesloten die dekking biedt voor aansprakelijkheid, de verzekeringspenningen bij de benadeelde terecht komen. Het is niet de bedoeling om de benadeelde ook tegemoet te komen als er wel een verzekering is, maar geen dekking of een ander uitkeringsbeletsel. De benadeelde krijgt dus nog steeds geen eigen recht: anders dan bij de WAM en de overige hiervoor genoemde bijzondere wetten kan de verzekeraar zich tegenover de benadeelde beroepen op een uit de wet of polisvoorwaarden voortvloeiende nietigheid of ander dekkingsverweer dat de verzekeraar jegens de verzekerde heeft.

De benadeelde kan op grond van art. 7:954 van de verzekeraar rechtstreekse betaling verlangen van datgene wat de verzekerde van de verzekeraar te vorderen heeft. De benadeelde is met andere woorden bevoegd om in de plaats van de verzekerde betaling te ontvangen. Als de verzekeraar weigert te betalen, kan de benadeelde in rechte vorderen dat de verzekeraar wordt veroordeeld om hem rechtstreeks te betalen. Die bevoegdheid om van de verzekeraar betaling aan zichzelf te vorderen en om zo nodig in rechte betaling af te dwingen, komt dus niet meer toe aan de verzekerde maar aan de benadeelde. Dit betekent ook dat de verzekeraar alleen nog bevrijdend aan de benadeelde kan betalen.7
3.3 Toepassingsvereisten

Art. 7:954 lid 1 bevat een aantal toepassingsvereisten.

Allereerst geldt dat het moet gaan om een aansprakelijkheidsverzekering. Dat ligt voor de hand. Het geldt uiteraard echter niet alleen voor aansprakelijkheidsverzekeringen sec. Ook andere verzekeringen die mede een rubriek aansprakelijkheid kennen, vallen er voor wat betreft het aansprakelijkheidsrisico onder. Interessant is de vraag of daarnaast ook de objectverzekering die bijvoorbeeld de bewaarnemer als verzekeringnemer heeft gesloten om zijn belang bij behouden teruggave van het object aan de rechtmatige eigenaar te verzekeren, eronder valt. Die vraag zal ooit door de rechter moeten worden beantwoord.

Daarnaast geldt de eis dat de benadeelde alleen rechtstreekse betaling kan verlangen als de verzekerde de schade (“de verwezenlijking van het risico”) overeenkomstig zijn verplichting uit hoofde van art. 7:941 (7.17.1.14) aan de verzekeraar heeft gemeld. De bedoeling van deze eis is dat het de verzekerde de mogelijkheid biedt om de schade buiten de verzekering om af te wikkelen.8 De verzekerde kan hier bijvoorbeeld voor kiezen omdat hij zijn no-claimkorting niet wil verliezen of omdat hij een tegenvordering heeft op de benadeelde, die hij wil verrekenen met de schade-uitkering. Dit brengt wel mee dat indien de verzekerde de schade niet meldt, de benadeelde enkel de verzekerde aan kan spreken en niet de verzekeraar. In de praktijk zal de verzekerde een melding niet snel achterwege laten; wanneer hij immers de schade niet zo spoedig mogelijk meldt, loopt hij op grond van art. 7:941 het gevaar zich zelf te benadelen en zelfs zijn recht op uitkering te verspelen.9 Als de verzekerde in staat van faillissement verkeert, zal de curator de schade moeten melden, anders benadeelt hij de boedel.10 Maar als de verzekerde onwillig of onvindbaar is en de schade niet meldt, zit de benadeelde ook onder het nieuwe recht met een probleem. Hij zal het initiatief moeten nemen om de verzekerde te dwingen de schade te melden, desnoods door het aanspannen van een kort geding.

Voor het geval de verzekerde een rechtspersoon was die heeft opgehouden te bestaan, kent lid 2 een uitzondering op de meldingsplicht van de verzekerde. De benadeelde kan toch betaling van de verzekeraar verlangen als de verplichting tot schadevergoeding niet op een ander is overgegaan, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn ten opzichte van het personeel bij een bedrijfsovername. Dat is aardig bedacht van de wetgever, maar als de verzekerde niet meer bestaat, is de kans natuurlijk klein dat de verzekeraar nog kan worden achterhaald.

3.4 Beperking tot schade door dood of letsel

Art. 7:954 kent een belangrijke beperking: de directe actie wordt alleen gegeven voor schade die de benadeelde door dood of letsel te vorderen heeft (personenschade). De benadeelde aan wie de verzekerde enkel of ook zaakschade en/of zuivere vermogensschade heeft toegebracht, heeft dus in zoverre geen directe actie.11 In deze gevallen is de benadeelde ook in het nieuwe systeem aangewezen op de huidige regeling van artikel 3:287 BW.

Wat is de reden van de wetgever geweest om niet alle benadeelden te hulp te komen? Zoals al opgemerkt kan het erg lang duren voor de benadeelde een uitkering ontvangt. De bezwaren tegen deze tijdsfactor doen zich volgens de wetgever het meest voelen bij schade door dood of letsel.12 Daarnaast blijkt de beperking in de nieuwe regeling het gevolg te zijn van een compromis13. Het Verbond van Verzekeraars vond het een bezwaar dat verzekeraars bij de afwikkeling van schade te maken zouden krijgen met een derde partij met wie zij niet in een contractuele relatie staan. Zeker wanneer ook een directe actie mogelijk zou worden met betrekking tot zaakschade en zuivere vermogensschade, zou er vaak een beroep op deze regeling gedaan worden door dergelijke derde partijen. Deze argumentatie kan niet overtuigen. Door de beperking van de directe actie tot dood en letsel blijft de onbevredigende situatie voor degene die zaakschade of zuivere vermogensschade heeft geleden in geval van faillissement van de verzekerde onverminderd bestaan. Als de premie voor de aansprakelijkheidsverzekering is betaald en er geen dekkingsproblemen zijn, valt niet goed in te zien waarom de uitkering niet rechtstreeks naar de benadeelde zou kunnen gaan. Ook voor zaakschade en andere vermogensschade geldt toch het algemene beginsel dat de verzekeringspenningen zoveel als mogelijk bij de benadeelde terecht moeten komen?
3.5 Alleen bevrijdend betalen aan benadeelde

Wanneer de benadeelde gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om rechtstreekse betaling van de verzekeraar te verlangen, kan de verzekeraar alleen bevrijdend betalen aan de benadeelde. Maar ook als de benadeelde (nog) geen rechtstreekse betaling heeft verlangd, kan de verzekeraar ingevolge lid 3 slechts bevrijdend aan de verzekerde betalen nadat hij de benadeelde tevergeefs heeft verzocht binnen vier weken mee te delen of hij van zijn bevoegdheid om rechtstreekse betaling te verlangen gebruik wil maken. Aansprakelijkheidsverzekeraars moeten voortaan dus dubbel opletten bij het doen van uitkeringen voor personenschade.


3.6 Verzekerde beperkt in zijn beschikkingsbevoegdheid

Het is logisch dat de bescherming van de benadeelde in het nieuwe verzekeringsrecht een lege dop zou zijn, indien de verzekerde vrijelijk zijn vordering jegens de verzekeraar zou kunnen vervreemden of bezwaren. Dat is in lid 4 van art. 7:954 dan ook verboden. Hoewel de vordering van de verzekerde op zijn verzekeraar blijft behoren tot zijn vermogen, kan hij er niet vrijelijk over beschikken. Ongeacht of de benadeelde de verzekeraar al dan niet heeft verzocht om rechtstreekse betaling, mag de verzekerde niet ten nadele van de benadeelde over zijn vordering op de verzekeraar beschikken. Hij kan de vordering dus niet overdragen aan een ander. De vordering kan ook niet worden verpand en is evenmin vatbaar voor beslag.


3.7 Keuzerecht van de benadeelde

De benadeelde kán rechtstreeks van de verzekeraar betaling verlangen. Hij is daartoe uiteraard niet verplicht. Hij kan er ook voor kiezen de schade te verhalen bij de verzekerde, bijvoorbeeld door verrekening met een vordering, die de verzekerde op hem heeft. Ook kan hij beiden aanspreken; de betaling door de een bevrijdt de ander.14


3.8 Procedure van benadeelde tegen verzekeraar

Is de verzekeraar niet bereid de claim van de benadeelde te honoreren, en wil de benadeelde een procedure beginnen, dan mag hij ingevolge lid 6 van art. 7:954 alleen de verzekeraar dagvaarden indien hij ook de verzekerde tijdig in het geding roept15. Deze wordt dan partij in het tussen de benadeelde en de verzekeraar aanhangige geding. Als de verzekerde een rechtspersoon is die heeft opgehouden te bestaan, kan de benadeelde ermee volstaan de verzekeraar te dagvaarden.


3.9 Meerdere benadeelden

Denkbaar is dat er meerdere benadeelden zijn en dat het totaalbedrag van de aanspraken de verzekerde som overschrijdt. Voor die situatie bepaalt lid 5 van art. 7:954 dat de benadeelden dan gelijk worden behandeld en dus naar evenredigheid van hun vordering van de verzekeraar betaling kunnen verlangen. Wanneer de verzekeraar onbekend is met het bestaan van vorderingen van andere benadeelden en hij te goeder trouw aan een benadeelde diens volledige schade heeft vergoed, dan behoeft hij aan de later bekend geworden benadeelde(n) niet meer uit te keren dan het eventueel nog resterende deel van de verzekerde som.

Weet de verzekeraar dat er meer benadeelden zijn dan zich hebben gemeld of nog niet van alle benadeelden bekend is hoeveel ieders schade bedraagt, dan loopt hij het risico wanneer hij tot toch reeds tot uitkering overgaat, dat hij niet te goeder trouw is en uiteindelijk een groter bedrag moet uitkeren dan de verzekerde som. Aan de verzekeraar is daarom een opschortingsrecht gegeven, zolang onzeker is welk bedrag dient te worden voldaan.16
3.10 Eigen recht WAM, Jachtwet etc. gaat vóór directe actie art. 7:954

Aan het begin van dit hoofdstuk kwam ter sprake het eigen recht van de benadeelde ingevolge de WAM, de Jachtwet, de Wet Aansprakelijkheid Olietankschepen en de Wet Aansprakelijkheid Kernongevallen. Dat recht geeft de benadeelde een betere bescherming dan de directe actie van art. 7:954. In lid 7 is daarom bepaald dat de leden 1 tot en met 6 toepassing missen voorzover de benadeelde door de wet een eigen recht jegens de verzekeraar is toegekend. Die bepalingen missen ook toepassing voor zover de benadeelde schadeloos is gesteld.


4. Conclusie
Met het invoeren van de directe actie worden de belangen van de benadeelde beter beschermd dan onder het oude recht. De benadeelde kan verlangen dat de personenschade die hem door de verzekerde is berokkend rechtsreeks door de verzekeraar aan hem wordt vergoed. De benadeelde krijgt geen eigen recht, zoals in bijvoorbeeld de WAM. De verzekeraar kan zich jegens de benadeelde dus beroepen op de weren die hij tegen zijn verzekerde kan inroepen. Met de nieuwe regeling wordt beoogd te bereiken dat indien er een verzekering is gesloten die dekking biedt voor aansprakelijkheid, de verzekeringspenningen bij de benadeelde terecht komen. Deze regeling geldt echter enkel voor personenschade. Voor zaakschade en zuivere vermogensschade blijft alles bij het oude. De benadeelde is terzake van dergelijke schade dus nog steeds aangewezen op de vooral bij faillissement van de verzekerde onbevredigende regeling van artikel 3:287 BW.


1 A.J.M. Nuytinck e.a., Verzekering naar komend recht (1995), p. 116.

2 HR 3 april 1992, NJ 1992, 397. De werknemer kon nog niet profiteren van het later ingevoerde voorrecht van art. 3:387 BW. Zie ook HR 21 januari 2000, NJ 2000, 189.

3 N. Frenk & F.R. Salomons, Het nieuwe verzekeringsrecht bijgewerkt, Het Verzekerings Archief nr. 1 (2001), p. 17.

4 Ph.H.J.G.van Huizen, De directe actie, Vrb. (2000), p. 111.

5 Art. 3:287 BW luidt: “1. De vordering tot vergoeding van schade is bevoorrecht op de vordering die de schuldenaar uit hoofde van verzekering van zijn aansprakelijkheid op de verzekeraar mocht hebben, voor zover deze vordering de verplichting tot vergoeding van deze schade betreft. 2. De schuldeiser kan zijn vordering op de vordering waarop het voorrecht rust verhalen, zonder dat hem rechten van derden op deze laatste vordering kunnen worden tegengeworpen”.

6 Zie de jurisprudentie besproken door K.W. Brevet en C.W.M. Lieverse, Verzekering & faillissement, pre-adviezen Vereniging voor Verzekeringswetenschap (1996), p. 37.

7 Nota van Wijziging (19529), p. 36. Zie ook M.J. Tolman, Nieuw verzekeringsrecht! Nou ja, nieuw?, VA nr. 4 (2000), p. 148.

8 Nota van Wijziging (19529), p. 38.

9 Zie nader hoofdstuk VIII, sub 2.2.

10 Nota van Wijziging (19529), p. 39.

11 C.C. van Dam & E.A. Waal, De directe actie in titel 7.17 BW, p. 111, in Verzekering en Maatschappij, T. Hartlief & M.M. Mendel.

12 Nota van Wijziging (19529), p. 33 en 34.

13 N. Frenk & F.R. Salomons, Het nieuwe verzekeringsrecht bijgewerkt, VA nr. 1 (2001), p. 19.

14 Nota van Wijziging (19529), p. 37.

15 Art. 118 Rv voorziet in de oproeping van derden. Wel zo praktisch lijkt verzekeraar en verzekerde tegelijkertijd te dagvaarden bij hetzelfde exploot en hoofdelijke veroordeling van beiden te vorderen, zodanig dat betaling door de een ook de ander bevrijdt. Zie ook MvA (19529), p. 22.

16 MvT (30137), p. 9-10.


  • 2. De praktijk onder het oude recht
  • 3. Nieuw recht
  • 4. Conclusie

  • Dovnload 32.79 Kb.