Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Yvette Spekenbrink

Dovnload 381.6 Kb.

Yvette Spekenbrink



Pagina3/9
Datum10.10.2017
Grootte381.6 Kb.

Dovnload 381.6 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

1.2 Backpacken en seksueel gedrag

Reizen, waaronder backpacken, wordt als een belangrijk risico factor gezien voor seksueel gedrag (Bellis e.a., 2004). De algemene gezondheidsuitkomsten over onveilige seks in de context van het reizen zijn voor veel onderzoekers en seksueel klinische gezondheids-medewerkers van grote zorg (Abdullah, Fielding en Hedley, 1998).

In sommige ontwikkelde landen treden nu een groot aantal verschillende SOA’s op als een resultaat van onveilige seksuele geslachtsgemeenschap tijdens het internationale reizen (Mårdh, 2001). Uit onderzoek onder internationale backpackers in Sydney en Cairns kwam naar voren dat meer dan de helft van de backpackers seks heeft gehad met een nieuwe partner in de drie voorafgaande dagen van het onderzoek (Egan, 2004). Hierbij heeft de helft van de ondervraagden geslachtsgemeenschap gehad zonder het gebruik van een condoom, waarvan zelfs 25 procent nooit een condoom heeft gebruikt met zijn of haar laatste partner tijdens het reizen. Een andere uitkomst van dit onderzoek was dat 39 procent van deze backpackers casual seks heeft gehad met iemand die ze die dag of nacht hadden ontmoet. Egan concludeert dat de anonimiteit, de wens om vrienden of reiskameraden te maken en de verminderde remming die samengaat met het backpacken, zorgt dat mensen eerder toegeven in casual seks zonder condooms te gebruiken. Backpackers zullen dus eerder betrokken zijn in risicovolle seksuele activiteiten, omdat zij weg zijn uit hun eigen normale omgeving en vaak in omstandigheden verkeren die anonieme promiscuïteit toelaten. Ander onderzoek wijst ook op het feit dat de betrekkelijk ongestructureerde en recreatieve wijze van reizen kan aanzetten tot bepaalde seksuele gedragingen die breekt met de algemene normen van de thuisomgeving (Bloor, 1995; Eiser & Ford, 1995; Shields, 1990; Wickens, 1997). Voor mannen denken wij dat in dit geval het spreekwoord: “als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel”, zal gelden. Voor vrouwen kan ook van invloed zijn dat wanneer zij weg zijn uit hun eigen normale omgeving, vaak geen nee durven te zeggen en dus het onveilige seksuele gedrag maar toelaten. Een van de redenen is dat zij bijvoorbeeld de gezelligheid niet willen verpesten.

Ook alcohol- en drugsgebruik wordt gezien als een verklaring voor seksueel risicogedrag (Eiser & Ford, 1995; Mewhinney et al., 1995; Wickens, 1997; Egan, 2004; Weinhardt & Carey, 2001). De verontrustende hoge consumptie van alcohol onder backpackers vermindert de sociale remming wat eraan bijdraagt dat veel van de veiligheidsmaatregelen die men in het thuisland automatisch zal gebruiken als men nadenkt over seks met een nieuwe partner als backpacker juist laat vallen (Egan, 2004). Een groot aantal algemene samenwerkingsstudies suggereren ook een directe correlatie tussen patronen van alcoholgebruik en risicovol seksueel gedrag; dit wil zeggen, individuen die rapporteren heftiger en meer frequent alcohol te gebruiken, neigen ook tot het rapporteren van meer onveilige seks (Weinhardt & Carey, 2001).

Een andere reden wat het onveilige seksuele gedrag van backpackers kan verklaren is het gebrek aan informatie over risico en preventieve maatregelen. Uit onderzoek uit Australië komt naar voren dat backpackers een slechte risicoinschatting hebben (Egan, 2004). Tevens bleek weinig van de backpackers in Australië risico’s geassocieerd met casual seks te begrijpen. Ze schatten het risico verbonden aan casual seks zelfs als laag in. Ook bleek er weinig waardering te bestaan voor de algemene gezondheid, zowel onder henzelf als de algemene gezondheid van de algemene populatie (Egan, 2004).

Wij denken dat een goede voorspeller van het seksuele onveilige gedrag, met name het aantal partners van de backpacker, de reismotieven van de backpacker zijn. In dit verslag worden twee groepen reismotieven onderscheiden. De eerste groep backpackers valt onder de groep culturele motieven. Deze backpackers komen naar Australië om bijvoorbeeld het land te bekijken, te genieten van de flora en fauna, meer van de wereld te zien of om uit te rusten. De andere groep backpackers bezitten de seksueel getinte reismotieven. Deze backpackers gaan reizen om plezier te hebben en feest te vieren en richten zich op het ontmoeten van nieuwe mensen of een nieuwe seksuele partner. Een aantal van deze reizigers zal als doelmotief het benutten van seksuele mogelijkheden met mensen van verschillende rassen en nationaliteiten kunnen hebben (Hedley & Abdullah, 1996). Backpackers met seksuele motieven en dus veelal wisselende contacten hebben een hoog risico voor het oplopen van SOA’s, waaronder HIV, omdat zij seksuele relaties aangaan met personen die een hoge mogelijkheid bezitten voor het dragen en overdragen van deze ziektes.

Een andere mogelijke reden waardoor backpackers meer casual seks en onveiliger seks zouden kunnen hebben, is de aanwezigheid van stress. Backpackers kunnen stress krijgen door de aanwezigheid van een nieuwe omgeving, te weinig rust, verandering in weer en eten, er alleen voor staan en de verscheidene nieuwe dingen die op hen af komen. Er zijn verschillende copingsstrategieën om je in een periode van stress beter te gaan voelen. Een hiervan is het hebben van (onveilige) geslachtsgemeenschap.

Ook de sociale cognities van backpackers die een rol spelen bij het uitvoeren van onveilig seksueel gedrag zijn van belang. Met behulp van sociale cognities (gedachteninhouden) kan gedrag voorspeld worden op basis van het oordeel van een persoon over de consequenties die verbonden zijn aan het gedrag. Een voorbeeld hiervan is de attitude van een persoon ten opzichte van condoomgebruik. Wanneer een persoon bijvoorbeeld vindt dat geslachtsgemeenschap met condooms minder plezierig is dan zonder condooms, zal deze persoon eerder geslachtsgemeenschap hebben zonder het gebruik van condooms.

Een laatste verklaring in het hebben van onveilige seks in Australië zijn de contextuele factoren. Steeds meer leggen onderzoekers de nadruk op de invloed die de context heeft op seksueel risicogedrag (Black, 1997; Eiser & Ford, 1995; Herold & Mewhinney, 1993; Mewhinney, Herold & Maticka-Tyndale, 1995; Shields, 1990; Wickens, 1997). Deze onderzoeken hebben een aantal factoren geïdentificeerd die een significante invloed hebben op casual seks en condoomgebruik. Deze factoren omvatten onder andere de voorafgaande seksuele ervaring en de ervaring van het gebruiken van condooms en de mate waarin situationele factoren invloed hebben op het seksuele gedrag en het condoomgebruik (o.a. alcohol, drugs, anonimiteit, het dragen van condooms, etc). Onder contextuele factoren in dit verslag vallen [1] het seksuele gedrag in het thuisland; [2] lengte van verblijf; [3] de mate van stress; [4] alcohol- en/of drugsgebruik, en; [5] de reismotieven.

1.3 De probleemstelling

Niet eerder is er onderzoek uitgevoerd dat de sociale cognities en het seksuele risicogedrag van backpackers in verband brengt met de stress en motieven die men oploopt in de context van de tijdelijke subcultuur waarin zij zich bevinden. Dit onderzoek toetst de seksuele houdingen en gedragingen van backpackers in Australië en het onveilige seksuele gedrag wat hieruit voortvloeit en wordt gekeken of dit seksuele risicogedrag samenhangt met de motieven van de backpacker en de stress die men ondervindt van de nieuwe cultuur waarin zij zich tijdelijk bevinden. De term “backpackers” wijst specifiek naar die respondenten die langer dan 30 dagen reisden, terwijl toeristen worden gedefinieerd als reizigers die korter dan 30 dagen reisden.

De probleemstelling van dit onderzoek is:
Hoe is het gesteld met het onveilige seksuele gedrag van backpackers aan de oostkust van Australië en welke factoren zijn hierop van invloed met in het bijzonder het alcoholgebruik, de motieven die men heeft om te gaan backpacken, de stress die men hier ondervindt en de sociale cognities van de backpacker?
In het volgende hoofdstuk zal met behulp van de theorie van gepland gedrag en de protectie motivatie theorie inzicht verkregen worden in de werking van gedrag en gedragsverandering door middel van de werking van sociale cognities. Vervolgens wordt in dit hoofdstuk ook beschreven hoe contextuele factoren en de motieven van backpackers van invloed kunnen zijn op onveilig seksueel gedrag. Tenslotte zullen de vraagstellingen besproken worden.

In hoofdstuk 3 wordt de methode van het onderzoek besproken door middel van de beschrijving van de respondenten, de procedure van afname van de vragenlijsten en de omschrijving van de vragenlijsten.

Hoofdstuk 4 beschrijft de resultaten van het onderzoek. Allereerst worden de kenmerken van de respondenten weergegeven. Hierna worden er vergelijkingen gemaakt tussen het onveilige seksuele gedrag van mannelijke en vrouwelijke backpackers. Vervolgens wordt gekeken naar factoren die het onveilige seksuele gedrag van de backpacker beïnvloeden en tenslotte wordt gekeken of de intentie tot het gebruik van condooms, het condoomgebruik zelf en het aantal partners van backpackers verklaart en voorspelt kunnen worden door middel van contextuele factoren en sociale cognities. Hoofdstuk 5 geeft tenslotte de conclusie en discussie van het onderzoek weer, gevolgd door de referenties en de bijlagen.


Hoofdstuk 2. Sociale cognities en onveilig seksueel gedrag

Om te kunnen begrijpen waarom de backpackers in Australië een hoge risicogroep zijn voor onveilig seksueel gedrag, is het belangrijk om eerst inzicht te krijgen in de werking van gedrag en gedragsverandering. De basis van het besluit tot risicogedrag bestaat uit twee zaken: hoe een persoon besluit tot dit risicogedrag en waarom hij van gedrag verandert. De werking van gedrag en gedragsverandering staat hieronder beschreven in de Theorie of Planned Behariour, ofwel de theorie van gepland gedrag.




2.1 Theorie van gepland gedrag

De Theorie van gepland gedrag voorspelt en verklaart gedrag. Volgens deze theorie is de intentie van een persoon de beste voorspeller van het gedrag van deze persoon. De intentie om gedrag wel of niet uit te voeren wordt hoofdzakelijk beïnvloedt door de attitude en de sociale normen van een persoon. Hiernaast is er nog een derde beïnvloedende factor op de gedragsintentie, namelijk de waargenomen gedragscontrole (figuur 1). Deze waargenomen gedragscontrole is te vergelijken met de eigen effectiviteit (self-efficacy).



Figuur 1. Theorie van gepland gedrag



2.1.1 Attitude tegenover gedrag


Attitude is de eerste determinant van de gedragsintentie. Een attitude is een individu’s positieve of negatieve gevoel geassocieerd met de uitvoer van een specifiek gedrag. Een individu heeft over het algemeen een gunstige houding tegenover condoomgebruik als hij/zij gelooft dat het resultaat van het gebruiken van condooms zal leiden tot positieve uitkomsten. Deze positieve uitkomsten zijn bijvoorbeeld dat men niet ziek wordt. Aan de andere kant, als het individu gelooft dat vooral negatieve uitkomsten zullen resulteren uit het gebruiken van condooms, bijvoorbeeld een minder lekker gevoel tijdens de seks, dan zal de persoon een negatieve houding hebben tegenover het gebruik van condooms (Fishbein & Ajzen, 1975).

2.1.2 Sociale norm (subjective norm)


De sociale norm wordt bepaald door de maatgevende opvattingen van een dichtbijstaand persoon die denkt hoe die persoon bepaald gedrag wel of juist niet moet uitvoeren, gekoppeld met de motivatie van iemand om aan deze opvattingen gehoor te geven. Dichtbijstaande personen zijn individuen welke voorkeuren over een persoons gedrag in dit domein belangrijk zijn voor hem/haar (Eagly and Chaiken, 1993). Sociale normen zijn ook een functie van opvattingen, maar opvattingen van een ander soort; namelijk, de persoonsopvattingen dat specifieke individuen of groepen individuen denken dat hij het gedrag wel of juist niet moet uitvoeren. Belangrijk hierbij zijn de opvattingen van een individu over de sociale normen van anderen (normative beliefs) en de motivatie om aan deze opvattingen gehoor te geven (motivation to comply) (Ajzen & Fishbein, 1980).

2.1.3 Waargenomen gedragscontrole of eigen effectiviteit


De laatste determinant van gedragsintentie is de waargenomen gedragscontrole. Deze verwijst naar iemands inschatting over hoe moeilijk of makkelijk het voor hem of haar is om het gedrag uit te voeren. De eigen effectiviteit is de persoonlijke inschatting van een persoon over zijn vaardigheden om gewenst gedrag uit te kunnen voeren (Bandura, 1977). Van alle gedachten die het menselijk functioneren beïnvloeden, zijn eigen effectiviteit opvattingen het meest vereist om bepaalde vormen van gedragsuitvoering te bereiken. Opvattingen over de eigen effectiviteit verschaffen de fundering voor menselijke motivatie, welzijn en persoonlijke volbrenging. De factoren die het gedrag beïnvloeden zijn geworteld in de kernopvatting dat een individu de capaciteit heeft om dat gedrag tot stand te brengen. Personen met een lage eigen effectiviteit neigen te geloven dat dingen moeilijker zijn, dan dat ze in werkelijkheid zijn. Dit creëert stress en een beperkte visie over hoe het beste een probleem aan te pakken. In tegenstelling zetten mensen met een sterk gevoel van eigen effectiviteit hun aandacht en inspanning naar de eisen van de situatie en zijn aangespoord door obstakels van grotere inspanning.

Door vragen te stellen over de eigen effectiviteit van het condoomgebruik van een persoon, kan worden nagegaan of deze persoon een sterke of misschien wel lage eigen effectiviteit heeft. Wanneer een persoon bijvoorbeeld een lage eigen effectiviteit heeft, kan het dus zijn dat deze persoon wel graag condooms wil gebruiken, maar geen sterke wil heeft en zich dus gauw laat ompraten of overhalen om geen condooms te gebruiken tijdens de seks. De moeilijkheden zijn hier dus om een duidelijke eigen mening te laten horen aan een persoon die je misschien nog maar net kent. Opvattingen over de eigen effectiviteit kunnen dus de keuzes die mensen maken en dus de manier van handelen beïnvloeden.



2.1.4 Intentie om het gedrag uit te voeren


Volgens de theorie van gepland gedrag wordt de intentie om bepaald gedrag uit te voeren, bijvoorbeeld het gebruik van condooms, dus door drie factoren beïnvloed, namelijk de attitude die een persoon heeft tegenover het condoomgebruik, de sociale norm en de waargenomen gedragscontrole of eigen effectiviteit. Het kan dus mogelijk zijn dat een persoon weet dat zijn vrienden en familie hem aanmoedigen om condooms te gaan gebruiken (sociale norm), hij ook gelooft dat hij beter condooms kan gebruiken tijdens seksueel contact en dit gedrag ook zou kunnen volhouden (eigen effectiviteit), maar een heel negatieve houding heeft ten opzichte van het gebruik van condooms. Hij heeft dus liever seksueel contact zonder condooms, omdat hij dit bijvoorbeeld veel lekkerder vindt dan wanneer hij wel condooms zou gebruiken. Het kan echter ook gebeuren dat iemand een positieve houding heeft ten opzichte van het gebruik van condooms en ook gelooft dat hij het steeds gebruiken van condooms kan volhouden, maar denkt dat zijn sociale groep het hier niet mee eens is. Volgens de theorie van gepland gedrag bestaat er dan een grote kans dat hij geen intentie tot condoomgebruik zal vormen.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • 1.3 De probleemstelling
  • Hoofdstuk 2. Sociale cognities en onveilig seksueel gedrag
  • 2.1 Theorie van gepland gedrag
  • 2.1.1 Attitude tegenover gedrag
  • 2.1.2 Sociale norm (subjective norm)
  • 2.1.3 Waargenomen gedragscontrole of eigen effectiviteit
  • 2.1.4 Intentie om het gedrag uit te voeren

  • Dovnload 381.6 Kb.