Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Zaalberg en Otlet een hoofdstuk uit de geschiedenis van Belgisch-Nederlandse innovatie op archiefgebied

Dovnload 36.83 Kb.

Zaalberg en Otlet een hoofdstuk uit de geschiedenis van Belgisch-Nederlandse innovatie op archiefgebied



Datum05.05.2019
Grootte36.83 Kb.

Dovnload 36.83 Kb.



Eric Ketelaar

Zaalberg en Otlet – een hoofdstuk uit de geschiedenis van Belgisch-Nederlandse innovatie op archiefgebied 1


Gepubliceerd in: Gustaaf Janssens - Griet Maréchal - Frank Scheelings (red.), Door de archivistiek gestrikt. Liber amicorum prof. dr. Juul Verhelst (Brussel 2000) 157-164.

Van jongs af aan houd ik van Brusselse kermis. Waarom de Zaandamse Verkadefabriek dat koekje zo noemt, weet ik niet. Evenmin weet ik of de Zaandamse gemeentesecretaris Zaalberg, toen hij in 1904 naar Brussel reisde om er Otlet te ontmoeten, een pakje Brusselse kermis bij zich had. Voedsel kreeg hij: “la nourriture spirituelle” (in Zaalberg’s woorden) van het Institut International de Bibliographie (IIB). 2 Het was niet de eerste en ook niet de laatste keer dat op archiefgebied een Nederlander zich door Belgen liet inspireren en voeden.


In 1890 had Johan Zaalberg de functie van gemeentesecretaris van Franeker voor die van Zaandam verruild. Daar pakte hij de wanorde in het 19e-eeuwse archief aan.3 De oude stukken werden chronologisch geordend: ingekomen stukken ingebonden, uitgaande stukken afgeschreven in brievenboeken; indicateurs zorgden voor de toegang. Maar Zaalberg vond dat er voor de toekomst een ander systeem moest komen. Op zoek naar voorbeelden kreeg hij de “Katechismus der Registratur- und Archivkunde” (1883) van G. Holtzinger in handen. Daarin stond de sinds het begin van de 18e eeuw in Duitsland gepractiseerde Sachaktenregistratur beschreven: de stukken over één zaak werden bijeengebonden in één dossier; de dossiers volgens een systematisch registratuurplan geordend.4 Ter vervanging van het inbinden (de Fadenheftung) had de Duitse firma Stolzenberg ‘klasseur-omslagen’ met een snelhechtmechaniek in de handel gebracht. Deze Stolzenberger Briefrangschikker was ook in Nederland - zeker vanaf 1898 - te koop bij de importeur F.W. Salomons te Amsterdam.5 Begin 1900 zag Zaalberg zo’n Stolzenberger omslag. Van Salomons kreeg Zaalberg referenties in de Elzas waar hij bij de gemeenten Colmar en Mülhausen (Mulhouse) informeerde naar de toepassing van het dossierstelsel, zoals dat beschreven werd in een in 1904 gepubliceerd handboek: F. Michalski, “Leitfaden für das Registraturwesen und den allgemeinen Geschäftsgang der deutschen Stadtverwaltungen” (Leipzig 1904). De Zaandamse registratuur werd volgens dit Duitse stelsel ingericht met behulp van de Stolzenberger mappen; deze werden horizontaal opgeborgen in eveneens door Stolzenberg geleverde ladenkasten. De laden en dossiers waren toegankelijk via een registratuurplan (Zaalberg gebruikte ook de termen index en indicateur) dat Zaalberg, op aanbeveling van J.C. Beth (adjunct-commies bij het Haagse Rijksarchief), op kaartsysteemkaarten zette.
Kaartsystemen waren toen vrij nieuw. De oorsprong lag in Amerika, waar vanaf omstreeks 1889 het Library Bureau toepassing van de in bibliotheken gebruikelijke fiches in kantoren propageerde.6 Oprichter van het Library Bureau was Melvil Dewey, bibliothecaris, voorvechter van standaardisatie van methoden, van maten, van de Amerikaanse taal. Dewey’s partner Herbert Davidson wist de voor bibliotheekcatalogi ontworpen kaartsysteemtechniek ook aan verzekeraars en andere ondernemingen te slijten. In 1891 pochte de catalogus van het Library Bureau: “There is hardly a library article on our list that is not also used in offices.” Net als vergelijkbare ondernemingen als Globe-Wernicke en Gaylord ontwikkelde het LB ook ladenkasten en verscheidene innovaties voor de systemen, waaronder de stang vanaf de voorkant van de kaartenbak, de tabkaart (patent 1896) enz. Voortbouwend op het kaartsysteem ontwierp het LB de vertical file (1892), het staande dossier, ter vervanging van horizontale dossierberging (in loketkasten) en van (op hun korte zijde staande) dossierdozen in boekvorm. Vertical filing systems en de complete lijn van schakelbare dossierladenkasten verdubbelden de omzet van LB. Maar het LB verkocht niet alleen hardware, maar ook software: opberg- en indexsystemen, waaronder decimale stelsels gebaseerd op de door Dewey in 1876 ontworpen bibliotheekcode.
Zaalberg wist dat alles nog niet toen hij in 1904 zijn systeem beschreef in een artikel voor de Gemeentegids. Die weigerde publicatie. Maar redacteur mr. H.J. Romeyn, commies-griffier bij de Eerste Kamer, attendeerde Zaalberg op een net verschenen publicatie van het Institut International de Bibliographie te Brussel.7 In 1895 hadden Paul Otlet en Henri La Fontaine het IIB gesticht.8 Het voornaamste doel was de samenstelling van een universeel bibliografisch repertorium: een kaartsysteem van uittreksels (uiteindelijk 15 miljoen fiches!9) uit alle boeken en tijdschriften die er in de hele wereld sinds de uitving van de boekdrukkunst waren verschenen. Daarmee zou het geheel van de wetenschappelijke, literaire en artistieke productie van alle tijden en uit alle landen ontsloten worden. Voor de ordening van de fiches (op het door Dewey gepropageerde standaardformaat) maakte het IIB gebruik van Dewey’s decimale index. 10 Otlet en La Fontaine breidden Dewey’s code uit o.a. met tekens voor de relaties tussen de door een decimale notatie weergegeven begrippen. Zo onstond de Universele decimale classificatie (UDC), waarvan de eerste editie tussen 1899 en 1905 verscheen.
Otlet – grondlegger van de documentaire informatiewetenschap - zag in dat de methode van het IIB niet alleen geschikt was voor het bibliografische apparaat, maar ook voor de ‘documentation administrative’, waarmee Otlet aanduidde wat de Duitsers ‘Registraturwesen’ noemden. In 1901 publiceerde Otlet in het Bulletin van het IIB de tekst van een causerie voor de Unité Sténographique de Belgique: “Comment classer les pièces et documents des sociétés industrielles”. Deze tekst werd ook afzonderlijk uitgegeven in 1901 en het volgend jaar als Publication no. 2 van het Comité d’Etude des Travaux d’Administration. Het was die publicatie die Romeyn onder ogen kreeg. Hierin bepleitte Otlet een dossierstelsel, waarop de toegang gevormd werd door twee kaartsystemen: een op de alfabetische orde van de rubrieken en een op de decimale orde gerangschikt.
Decimale rangschikking: dat leek Zaalberg de oplossing voor het probleem van de ordening der dossiers. Hij pakte meteen de trein naar Brussel om met Otlet en zijn IIB kennis te maken. Voor Otlet was Zaalberg het middel om het IIB en de UDC bekendheid in Nederland en praktische toepassing te geven. Samen met Zaalberg wilde Otlet werken aan een ‘code décimal administrative’. Zaalberg kreeg door Otlet en La Fontaine aansluiting bij de internationale documentatiebeweging en daarmee prestige en inspiratie. De innovaties van Otlet en Zaalberg kwamen op het goede moment. De in Amerika in de jaren zeventig begonnen schaalvergroting van industriële, handels- en transportondernemingen noodzaakte tot nieuwe managementmethoden, waarvoor informatie, communicatie, standaardisatie en documentatie onmisbaar waren. Dewey en zijn concurrenten speelden daarop in. Ook Otlet en Zaalberg voelden aan welke kansen er lagen om documentatie en registratuur te leggen in de visible hand van de managerial control. 11 Daarmee waren zij ook wegbereiders voor de latere zegetocht van het scientific management. 12
Op 1 januari 1905 begon Zaalberg in Zaandam met de zaaksgewijze ordening. Om het oudere archief te laten aansluiten maakte hij alle banden met ingekomen stukken (vanaf de invoering van de gemeentewet van 1851) los en werden uit de notulen en brievenboeken afschriften getypt. Het archief van voor 1850 werd ten geschenke aangeboden aan de provincie! De firma Salomons droeg aan het voorbeeldproject bij door de schenking van een aantal Stolzenberger registratuurkasten.13 Salomons’ concurrent, de firma Blikman & Sartorius, schonk de kaartenkastjes en een rangschikkast. Zo kon Zaalberg op de in 1906 in Amsterdam gehouden tentoonstelling van de Nederlandse Bond van gemeenteambtenaren (“een etalage van bestuurlijke vernieuwing”) trots zijn registratuursysteem tonen.14 Daar was, op verzoek van de organisatoren, ook een stand van IIB.

De nieuwe methoden wekten veel belangstelling, ook navolging. De Nederlandsche Vereeniging voor gemeente-belangen belegde haar algemene vergadering in 1906 in Zaandam, waar Zaalberg zijn registratuurstelsel voorstelde. De vereniging had al een registratuurcommissie benoemd met als leden o.a. Romeyn, de Zaandamse burgemeester jhr. C.A. Elias en de Rotterdamse gemeentearchivaris E. Wiersum. Navolgers waren o.a. F.J. de Zee, gemeentesecretaris van Rauwerdehem, zijn collega’s in Bloemendaal en Watergraafsmeer A.J. van der Flier en J.P. van Amstel en fabrikanten van kantoorinrichting als Fles & Co (Numeralph-systeem), Ruys’ Handelsvereeniging, enz. Tussen alle concurrenten was het moeilijk kiezen, moest de redacteur van het Weekblad voor den Nederlandschen Bond van gemeente-ambtenaren in 1911 bekennen: “Naar de beste methode voor het inrichten van de archieven zoekt men nog steeds”.15 Tegenstand tegen decimale code, losbladige systemen en kartotheken was er ook. De schoorvoetend op gang gekomen samenwerking tussen het IIB en de Haagse Koninklijke Bibliotheek (uitvloeisel van een bezoek dat Otlet en La Fontaine in 1907 aan de minister van Binnenlandse Zaken brachten) sneuvelde onder de kritiek dat bibliothecarissen zich niet met documentatie, maar slechts met de eigen boekencollectie hadden in te laten.16 Van eenzelfde aard was het onbegrip onder rijks- en gemeentearchivarissen: opgesloten in het oud-archief en afgezonderd van de behoeften van de moderne administratie hadden zij slechts oog voor de ontoepasbaarheid van de nieuwe systemen op in het verleden gevormde archieven. 17


De Zaandamse resultaten waren een goede propaganda voor de IIB methoden. Daarom nodigde Otlet Zaalberg en zijn burgemeester Elias uit voor de in 1908 in Brussel gehouden Conférence internationale de Bibliographie et de Documentation. Daar presenteerde Otlet zelf een rapport over "La documentation en matière administrative"18 (waarin hij koppeling tussen dossiers en een bibliografische documentatie voorstelde), terwijl Zaalberg verslag deed van de ontwikkeling in Zaandam. Net als in zijn lezing voor de Nederlandsche Vereeniging voor gemeente-belangen kwam Zaalberg er rond voor uit dat hij methoden en systemen uit Duitsland en Oostenrijk gecombineerd had met die van het IIB. Ook noemde hij het voorbeeld van W.H. Williams. Deze medewerker van de Baltimore and Ohio Railroad Company was in Brussel geweest en had, op basis van de UDC, een decimale code voor spoorwegen ontworpen. Vele spoorwegondernemingen namen het in 1902 door Williams in zijn ‘Railroad correspondence file’ gepubliceerde systeem over.19 Zaalberg maakte duidelijk dat hij nog niet goed wist hoe de decimale code zou moeten worden toegepast: hetzij overname van de UDC, hetzij een afzonderlijk decimaal systeem voor de gemeenteadministratie (zoals Williams er een voor de spoorwegen had bedacht) of voor elke administratie een eigen decimale code.

In Brussel kondigde Zaalberg ook de oprichting aan van de Vereeniging Het Nederlandsch Registratuurbureau. Otlet had daarop aangedrongen, omdat hij niet met particulieren, wel met een organisatie wilde samenwerken. Het NRB zou verbonden zijn met het IIB en wellicht de eerste schakel van een internationale documentaire unie kunnen vormen. Dat zou geen aparte organisatie moeten zijn: Elias en Zaalberg waren, net als Otlet, er voorstander van dat het IIB zou worden een Union International de Bibliographie et de Documentation.


Tot het NRB, opgericht 16 januari 1909, onder voorzitterschap van J.C. de Marez Oyens, oud-minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, traden overheden en bedrijven toe: de gemeente Zaandam uiteraard als eerste, gevolgd door de afdeling Openbare Werken van de gemeente Utrecht, de Bataafsche Petroleum Maatschappij, de Koninklijke Paketvaart Maatschappij enz. Het NRB deed internationaal mee, zoals in 1910, op de wereldtentoonstelling te Brussel. Op het daar gehouden Congrès international des sciences administratives hield Elias een referaat over gemeentelijke registratuur volgens het decimale stelsel, zoals dat in Zaandam zou worden ingevoerd. Want al was de registratuur in Zaandam inmiddels zaaksgewijs ingericht, 20 pas in 1911 begon Zaalberg met de decimale index.
Zaalberg combineerde de functies van NRB-directeur en gemeentesecretaris van Zaandam, maar in 1912 moest hij (na enige tijd overspannen te zijn geweest) kiezen: hij ging door met het NRB. Zijn werk bestond in propaganda, het adviseren van gemeenten, bedrijven en andere organisaties bij het opzetten van registratuur- en documentatiesystemen. Net als Dewey verkocht Zaalberg systemen én hardware; daartoe sloot hij in 190921 een contract af met Blikman & Sartorius, die in 1907 het Fortuna Kaart- en Vertikaal Rangschiksysteem – het eerste systeem van Nederlands fabrikaat - op de markt had gebracht. Van juli 1914 tot augustus 1915 werkte Zaalberg in de Koninklijke Bibliotheek aan de crisisdocumentatie, opgezet door de bibliothecaris W.G.C. Byvanck, die eens Zaalberg’s geschiedenisleraar op de HBS was geweest. Ondertussen adviseerde Zaalberg de BPM, de KPM en andere klanten van het NRB.
Inmiddels waren de contacten met Brussel verbroken, als gevolg van de Wereldoorlog. Otlet verbleef in Frankrijk en in Zwitserland, werkend voor de wereldvrede. Zaalberg bleef dus verstoken van Otlet’s inspiratie en dat juist in een periode waarin Zaalberg zich teweer moest stellen tegen toenemende tegenstand tegen hun beider decimale code. In het voortbouwen aan de UDC ging Zaalberg verder dan voor de praktijk van de archiefordening noodzakelijk was, aldus later Zaalberg’s opvolger P. Noordenbos. Als goede leerling van Otlet hield Zaalberg vast aan het beginsel van één wereldwijde code voor bibliotheek en registratuur, terwijl velen een voor de ‘administratieve documentatie’ aangepaste code wensten.22 Bovendien wekten de manier waarop het NRB met praktische bezwaren omging en Zaalberg’s afhankelijkheid van het IIB, veel verzet, zo bleek op het in december 1918 gehouden congres van de NRB-leden. 23
Na de oorlog trachtten Zaalberg en Otlet de gelederen weer te sluiten. Op 15 juni 1919 organiseerden ze een bespreking in Roosendaal, waaraan behalve Zaalberg, Otlet en Elias, ook de Maastrichtse burgemeester Van Oppen en zijn Heerlense collega Waszink deelnamen. Als vervolg op de bespreking maakte Otlet nog een rapport ter verdediging van het gebruik van de UDC in de registratuur. Maar de praktijk was sterker dan de leer. En die praktijk dwong Zaalberg tot afstand. Hij slaagde erin het NRB te laten overnemen door de Vereeniging van Nederlandsche gemeenten (VNG) - wat de belanghebbenden met een zucht van verlichting vernamen. Per 1 januari 1922 werden de contracten van het NRB met 52 gemeenten en Zaalberg’s decimale index (‘het gele boekje’) overgenomen door het Registratuurbureau van de VNG. Het internationale, door Otlet en La Fontaine geïnspireerde, gedachtengoed van het NRB (‘enfant ainé de l’Institut International de Bibliographie’ noemde Zaalberg zich24) was in 1921 overgenomen door het toen opgerichte Nederlandsch Instituut voor Documentatie en Registratuur (NIDER). Zaalberg was hierbij wel betrokken, maar werd overvleugeld door de organisatorische en intellectuele talenten van F. Donker Duyvis. Deze nam ook de nationale vertegenwoordiging van het IIB over. Toen dan ook wel Zaalberg maar niet het NIDER in 1923 werd uitgenodigd voor het tweede Congrès international des sciences administratives te Brussel, reageerde het NIDER gepikeerd als ‘centre officiel hollandais pour la documentation et l’enregistrement’, wat Otlet deed verzuchten “Les Hollandais aiment bien les formes”. Die vormelijkheid kende Otlet zeker niet van Zaalberg, die zich steeds weer door Otlet en La Fontaine liet enthousiasmeren: “C’est un besoin de ma vie,” schreef Zaalberg aan het IIB, “d’être inspiré de temps en temps par l’enthusiasme, qui sort de vous tous”. 25
Inspiratie uit den vreemde, zo leert deze geschiedenis, is essentieel voor innovatie, ook op archiefgebied. Daarom is het belangrijk om naast de nationale ontwikkeling ook die in het buitenland en de wederzijdse beïnvloeding te kennen. Bovendien heeft men voor een beoordeling van wat op vaderlandse bodem gebeurde en gebeurt, ook een externe maatstaf nodig. Die is te vinden in de vergelijking met wat er buiten de landsgrenzen geschiedt. Maar na de archivografische vergelijking moet gezocht worden naar de archivologische verklaring. Deze verklaring speurt naar de sociale, religieuze, culturele, politieke en economische factoren die in archivalisering en archivering bepalend zijn en zijn geweest voor de verschillen. Zulk een vergelijkende archiefwetenschap26 kan inspireren tot verdere innovatie op archiefgebied: van Zaandam tot Brussel, in Europa en in de wereld.


1 In 1982 heeft P. Schneiders in zijn (helaas beperkt verspreide) dissertatie De bibliotheek- en documentatiebeweging 1880-1914; bibliografische ondernemingen rond 1900 (Amsterdam 1982) de samenwerking tussen Zaalberg en Otlet behandeld in het kader van de documentatiebeweging die zowel archief- als bibliotheekwezen heeft beïnvloed. M.A. Vos te Gouda heeft in 1994 en 1995 onderzoek gedaan naar Zaalberg en Otlet; aan haar werkstuk heb ik enkele gegevens ontleend.


2 Briefkaart van Zaalberg aan La Fontaine, 31 december 1921, Mundaneum (Bergen), dossier Zaalberg. Ik dank de directeur van het Mundaneum J.F. Füeg voor zijn naspeuringen in de collecties. Het valt op dat Zaalberg zowel in het Frans als in het Nederlands correspondeerde met La Fontaine; vgl. Schneiders, De bibliotheek- en documentatiebeweging, 164.


3 Zaalberg, J.A., Het nieuwe registratuur-stelsel bij de gemeente-administratiën (Amsterdam [1908]; Zaalberg, J.A. De reorganisatie van de registratuur der gemeente Zaandam (Haarlem [1913]; Van den Berg, C. “Vier pioniers. III. Johan Zaalberg”, Bibliotheekleven 48 (1963) 430-433; Ketelaar, E. “Recordkeeping Systems and Office Technology in Dutch Public Administration, 1823-1950”, Jahrbuch für europäische Verwaltungsgeschichte/Yearbook of European Administrative History 9 (1997) 218-220. In het archief van het Registratuurbureau 1909-1976 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten te ‘s-Gravenhage, inv. nr. 1.1 bevindt zich het manuscript van een door Zaalberg in 1930 samengestelde “Geschiedenis van de invoering der administratieve documentatie volgens het decimale stelsel in Nederland door het Ned. Registratuurbureau”, die ook als autobiografisch document van waarde is.


4 Papritz, J. “Die Geschichte der Schriftgutorganisation in den Kanzleien”, Nederlands Archievenblad 62 (1957-1958) 10-11.


5 De Groot, W.D. “Het Zaandamse stelsel”, Overheidsdocumentatie 5 (1951) 351-352.


6 Flanzraich, G.L. The role of the Library Bureau and Gaylord Brothers in the development of library technology, 1876-1930 (diss. Columbia University 1990); Wiegand, W.A. Irrepressible reformer: a biography of Melvil Dewey (Chicago – London 1996).


7 Overheidsdocumentatie 4 (1950) 236, 252. In de Gemeentegids van 1 juli 1903 had de redactie een uiteenzetting van Dewey’s decimale stelsel gegeven.


8 Rayward, W. B. The universe of information. The work of Paul Otlet for documentation and international organisation (Moscow 1975); Cent ans de l’Office International de Bibliographie (Mons 1995).


9 Schneiders, P. Bibliotheek en documentatie. Handboek ten dienste van de opleidingen (Deventer 1977) 32.


10 Vann, S.K. (ed.), Melvil Dewey, his enduring presence in librarianship (Littleton 1978) 189-191; Stevenson, G. – Kramer-Greene, J. (eds.), Melvil Dewey: the man and the classification (Albany 1983) 169-173.



11 Chandler, A.D., The visible hand. The managerial revolution in American business (Cambridge – London 1977); Yates, J., Control through communication. The rise of system in American management (Baltimore – London 1989).


12 Bloemen, E.S.A., Scientific management in Nederland 1900-1930 (Amsterdam 1988).


13 Enige van deze kasten staan nu in het Museum Scryption te Tilburg, dat aan de Stolzenberger archiefkast en de zaakgewijze ordening door Zaalberg een vouwblad gewijd heeft.


14 Randeraad, N. “Een etalage van bestuurlijke vernieuwing, De tentoonstelling op gemeentelijk administratief gebied in 1906”, Amstelodamum 82 (1995) 141-151; Ketelaar, Recordkeeping systems.



15 Elenbaas, J.N., Weekblad voor den Nederlandschen Bond van gemeente-ambtenaren 10 (1911) nr. 542.


16 Schneiders, De bibliotheek- en documentatiebeweging, 139; Schneiders, P. Nederlandse bibliotheekgeschiedenis. Van librije tot virtuele bibliotheek (Den Haag 1997) 219-220.


17 Schneiders, De bibliotheek-en documentatiebeweging, 161-163. De in noot Error: Reference source not found genoemde brochure van Zaalberg uit 1908 was grotendeels een reactie op de kritiek van de Vereeniging van Archivarissen in Nederland die in 1907 het decimaal classificatiesysteem ongeschikt had bevonden “omdat het strijdig is met het wezen van een archief als een organisch geheel”. S. Muller kwam later tot beter inzicht, maar werd

door . R. Fruin ervan weerhouden zich met de moderne administratie in te laten: Noordenbos, P., Overheidsdocumentatie (Alphen aan den Rijn 198513) 35-38.




18 Een gedeeltelijke vertaling van Otlet’s concept-rapport publiceerde Zaalberg in zijn Het nieuwe registratuur-stelsel.


19 Yates, Control through communication, 59; Flanzraich, The role of the Library Bureau, 368.


20 Weekblad voor den Nederlandschen Bond van gemeente-ambtenaren 10 (1911) nr. 494.


21 Niet 1907, zoals vermeld in Van den Ende, J. (red.), “Kantoor en informatietechnologie”, Techniek in Nederland in de twintigste eeuw 1 (Zutphen 1998) 222. Mededeling van M.A. Vos, die het archief van Blikman & Sartorius inventariseerde en in 1994 voor het keuzevak archiefwetenschap aan de Universiteit Leiden een werkstuk schreef over “Het Nederlandsch Registratuurbureau en kantoortechnologie 1890-1930”.


22 Dit verschil van opvatting leidde o.a. in 1922 tot oprichting van de Nederlandsche Vereeniging tot bevordering van de administratieve documentatie N.A.D. die het stelsel van Zaalberg als vrijwel waardeloos brandmerkte. De oprichters waren C.G. van der Boom en E.P. Weber (beiden werkzaam bij het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie) alsmede J. Boon, registrator der gemeente Zaandam – nota bene de gemeente waar Zaalberg zijn systeem als eerste had toegepast. Van der Boom publiceerde, met zijn collega H. Icke Het decimale stelsel van Melvil Dewey toegepast op agenda, index & archief van departementen van algemeen bestuur en andere rijksinstellingen (Den Haag – Amsterdam 1920).


23 Coster, H.P “Hoe de zorg voor de nieuwste gemeente-archieven bij de Vereeniging van Nederlandsche gemeenten gekomen is (enkele persoonlijke herinneringen)”, Overheidsdocumentatie Jubileumnummer 1947, 12-13; Noordenbos, P. “De uniformiteit in de gemeentelijke archief-ordening na 25 jaren”, ibidem, 14-15.


24 Zie noot Error: Reference source not found.


25 Zie noot Error: Reference source not found.


26 Ketelaar, E. “The Difference Best Postponed ? Cultures and Comparative Archival Science”, Archivaria 44 (1997) 142-148.



Dovnload 36.83 Kb.