Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


“Zo helpt poëzie”

Dovnload 177.07 Kb.

“Zo helpt poëzie”



Datum25.07.2017
Grootte177.07 Kb.

Dovnload 177.07 Kb.






Syllabus Poëzie

Literatuur Nederlands


(6 Atheneum)

Zo helpt poëzie”

(2005)

Poëzie
Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:

mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt

verdrietje, en het helpt niet;

zoals je een hand op haar hete voorhoofdje

5 legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,

en het helpt niet:


zo helpt poëzie.

Herman de Coninck

Uit: Met een klank van hobo (1980)

De laatste brief


De wereld scheen vol lichtere geluiden

en een soldaat sliep op zijn overjas.

Hij droomde lachend dat het vrede was

omdat er in zijn droom een klok ging luiden.


5 Er viel een vogel die geen vogel was

niet ver van hem tussen de warme kruiden.

En hij werd niet meer wakker want het gras,

werd rood, een ieder weet wat dat beduidde.


Het regende en woei. Toen herbegon

10 achter de grijze lijn der horizon

het bulderen - goedmoedig - der kanonnen.
Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef,

bevrijdde zich het laatste wat hij schreef:

liefste de oorlog is nog niet begonnen.
Bertus Aafjes

Uit: Gedichten (1947 )

In droefenis
Geen die het mensenhart begrijpt.

De mei was in de bloesembomen

toen mij de liefste werd ontnomen.

Geen die het mensenhart begrijpt:

5 De tranen wilden mij niet komen.
Geen die het mensenhart begrijpt:

het weer had 's nachts zijn keer genomen,

ik zag de wereld wit berijpt.

En ik liet vrij mijn tranen stromen.

10 Geen die het mensenhart begrijpt.

Ida Gerhardt

Uit: De adelaarsvarens (1988)

*

… zag jij misschien dat ik naar jou,



dat ik je zag en dat ik zag hoe jij

naar mij te kijken zoals ik naar jou

en dat ik hoe dat heet zo steels,

5 zo en passant en ook zo zijdelings-

dat ik je net zo lang bekeek tot ik

naar je staarde en dat ik staren bleef.

Ik zag je toen en ik wist in te zien

dat in mijn leven zoveel is gezien

10 zonder dat ik het ooit eerder zag:

dat kijken zoveel liefs vermag.

Joost Zwagerman

Uit: De ziekte van jij (1988)

M iddelbaar onderwijs
Het mooiste meisje van de klas

verschikt onwennig bij haar schouder

een bandje van haar bustehouder;

ze draagt dat rare ding maar pas.


5 De meester, achter brilleglas,

ziet toe, ontroerd en denkt: "Wat zou d'r

gebeuren als zij tien jaar ouder

en ik eens tien jaar jonger was?"


Ach, hij vergeet hoe hij verdorde

10 en hoe haar leven net begint.

In stilte wordt door hem bemind

de schone vrouw, die zij zal worden.


Dan praat ze wat, het lieve kind,

en streng roept hij haar tot de orde.


Driek van Wissen

Uit: Het mooiste meisje van de klas (1979)

*

mijn moeder is mijn naam vergeten,



mijn kind weet nog niet hoe ik heet.

hoe moet ik mij geborgen weten?


noem mij, bevestig mijn bestaan,

5 laat mijn naam zijn als een keten.

noem mij, noem mij, spreek mij aan,

o, noem mij bij mijn diepste naam.


voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Neeltje Maria Min

Uit: Voor wie ik liefheb wil ik heten (1966)

Eindexamen


Alle vlaggen. Met een gehuurde

bus de dochter naar haar kamer

rijden. Wind. Geen klaagrecht:
die het vuur van hun liezen

5 in aarde brengen, geen dochter

hebben, een rotmeid, een
rotmeid. Met bloedende vuisten

op het plaveisel hiertegen zijn.


(Het ingelijste kind met zich-

10 zelf het huis in zien gaan.)


Alle vuur aan de hemel,

het asfalt een rivier die

de grazige bocht achterlaat

omdat dat zo gaat. Alle


15 stomme waterstromen, weg-

waaiende woorden, alle gras.

Anna Enquist

Uit: Een nieuw afscheid (1994)


*

Wij die elkaar tot bloedens toe

op alle zwakke plekken kwetsten,

wij beiden zijn ten langen leste

de onbesliste vete moe.
5 Het laatste licht faalt in het westen,

mijn lieve vijandin, zie hoe

ik mij van wapentuig ontdoe;

dit is uiteindelijk het beste.


Het heeft alleen zo lang geduurd:

10 de bitterheid waarmee we streden

heeft voor ons alletwee voorgoed
zowel de toekomst als het heden

volledig in de war gestuurd.-

Zeg nu maar hoe het verder moet.

Jean Pierre Rawie

Uit: Het meisje en de dood (1979)

*

Nadat we meer dan tweeënhalf jaar samen waren



en elk vertrouwen in elkaar hadden verwoest,

stonden we weer onder eenzelfde straatlantaren

te vrijen alsof alles nog beginnen moest.
5 Ondanks mijzelf hield ik mezelf voorbeeldig koest;

ik wilde haar zoals ze nu weer was bewaren.

Want wat er - ook door mij - geluld wordt en gesmoesd,

zij was de mijne eens en ik was eens de hare.


Zo'n zeer weemoedig herdersuur te elfder ure

10 was in zijn soort natuurlijk vreselijk pathetisch,

maar ach wij wisten wel dat het niet verder kon.
De vrede zou dan ook niet al te lang meer duren,

of van ons beiden zei er één weer iets of deed iets

waarop de strijd godlof weer als vanouds begon.
Jean Pierre Rawie

Uit: Het meisje en de dood (1979)

Liefde is
Ach! Hoeveel kopjes trok ik van dit zakje thee?

In hoeveel verzen heb ik jouw gezicht bezongen?

Ja, hoeveel maal verdween de zon in zee?

En hoeveel teer bleef achter in mijn longen?


5 Op hoeveel fietsen reed ik dagelijks naar je toe?

En hoeveel smoesjes zijn er in je opgerezen?


Zoveel, dat thans statistisch is bewezen:

‘De liefde is toch zo een droef gedoe…’


Lévi Weemoedt

Uit: Geduldig lijden (2000)

En jezus schreef in ’t zand
Jezus schreef met Zijn vinger in het zand.

Hij bukte Zich en schreef in 't zand, wij weten

niet wat Hij schreef, Hij was het zelf vergeten,

verzonken in de woorden van Zijn hand.


5 De schriftgeleerden, die Hem aan de tand

hadden gevoeld over een vrouw, van hete

hartstochten naar een andere man bezeten,

de schriftgeleerden stonden aan de kant.


Zondig niet meer, zei Hij, ik oordeel niet.

10 Ga heen en luister, luister naar het lied.

En Hij stond recht. De woorden lieten los
van hun figuur en brandden in de blos

waarmee zij heenging, als een kind zo licht.

Zo geestelijk schreef Jezus Zijn gedicht.
Gerrit Achterberg

Uit: En Jezus schreef in ’t zand 1947

140 POND

Ik ben Van Hattum en ik weet,


dat 140 pond zo heet,
maar dat de naam direct vervalt,
als het leven wijkt uit de Gestalt.

  1. Dan ligt, onder de naam van lijk,
    die honderdveertig pond te kijk;
    Gij zijt bij het défilé misschien:
    alleen ik zelf zal het niet zien.

    Da's vreemd: ik zie, wat Gij niet ziet;



  1. wat Gij dán ziet, zie ik weer niet.
    Enfin... de honderdveertig pond
    is nog springlevend en gezond.

    En ik geniet graag 's levens gunst


    én om mij zelf én om de kunst;

  1. hoe meer ik drink, hoe meer ik eet,
    hoe meer gewicht Van Hattum heet.

    Jac. van Hattum



uit: De pothoofdplant 1936

De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.

Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden

die elkaar vroeger schenen te vermijden,

worden weer buren. Een minuut of tien

5 dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,

mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd -

laat mij daar midden uit de oneindigheid

een stem vernemen dat mijn oren klonken.


Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer

10 kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.

Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

Martinus Nijhoff

Uit: Nieuwe gedichten (1934)
De moeder het water

Ik ging naar moeder om haar terug te zien.

Ik zag de vreemde vrouw. Haar blik was wijd en

leeg, als keek zij naar de verre overzijde

van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien
5 - toen ik daar stond op het gazon, pilsje gedronken

in de kantine van het verpleeghuis, de tijd

ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid -

misschien zou 't goed zijn als nu Psalmen klonken.


Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer-

10 loos stond in 't gras, alleen haar dunnen haren

bewogen nog een beetje in de wind, als voer
zij over stille waatren naar een oneindig daar en

later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer

Hem Zijn belofte na te komen, haar te bewaren.

Rutger Kopland

Uit: Tot het ons loslaat (1997)

Egidius, waer bestu bleven?


Egidius, waer bestu bleven?

Mi lanct na di, gheselle mijn.

Du coors die doot, du liets mi tleven!
Dat was gheselscap goet ende fijn,

5 Het sceen teen moeste gestorven sijn. één van ons móest blijkbaar sterven

Nu bestu du in den troon verheven,

Claerre dan der zonnen scijn:

Alle vruecht es di ghegheven.
Egidius, waer bestu bleven?

10 Mi lanct na di, gheselle mijn.

Du coors die doot, du liets mi tleven!
Nu bidt vor mi, ic moet noch sneven

Ende in der weerelt liden pijn.

Verware mijn stede di beneven! bewaar een plek voor mij naast jou

15 Ic moet noch zinghen een liedekijn;

Nochtan moet emmer ghestorven sijn. toch zal ook ik eens sterven
Egidius, waer bestu bleven?

Mi lanct na di, gheselle mijn.

Du coors die doot, du liets mi tleven!
Anonymus, 15e eeuw

Egidius
Ik zag je nooit, de laatste jaren.

Jij was in wetenschap verdiept,

het kunst- en vliegwerk dat je schiep,

en ik in kranten en in jonge klare.

5 Toch was je bij me als ik riep,

en soms vanzelf. Niet te bedaren

was ons plezier wanneer de zware

ernst van anderen werd uitgesliept.
Maar nu je dood bent mis ik je, altijd.

10 Misschien omdat de mooglijkheid

je ooit terug te zien ontbreekt.

Misschien omdat ik 's nachts soms weet

dat je jezelf niet had vermoord

als ik je angst had aangehoord.

J. Eijkelboom

Uit: Wat blijft komt nooit terug (1979)

De idioot in het bad
Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,

haast dravend en vaak hakend in de mat,

lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,

gaat elke week de idioot naar 't bad.


5 De damp die van het warme water slaat

maakt hem geruster: witte stoom…

En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,

bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.


De zuster laat hem in het water glijden,

10 hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst

hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst

en om zijn mond gloort langzaam aan een groot verblijden.


Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,

zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,

15 zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden

komen als berkestammen door het groen opdoemen.


Hij is in dit groen water nog als ongeboren,

hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,

hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren

20 en hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.


En elke keer, dat hij uit 't bed gehaald wordt,

en stevig met een handdoek drooggewreven

en in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord

stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.


25 En elke week wordt hij opnieuw geboren

en wreed gescheiden van het veilig water-leven

en elke week is hem het lot beschoren

opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.


M. Vasalis

Uit: Parken en woestijnen (1940)

Twee koningskinderen
Als alle mensen op hun handen liepen

En ankers bleven drijven op de Rijn,

Als oesters ongehoorde dingen riepen

En naalden onds doorstaken zonder pijn,


5 Als kangoeroes in hemelbedden sliepen

En mummies konden zingen in hun schrijn,

Als piramiden soepel konden zwiepen

En modderbaden geurden naar jasmijn,


Als reuzen gingen zwemmen in 't ondiepe

10 En er geen einde kwam aan dit refrein,

Dan hoorde ik een raamkozijn zacht piepen

En kuste jij me, dwars door het gordijn.


Gerrit Komrij

Uit: De os op de klokketoren (1981)

LXXXIV
O, spreek mij niet van liefde,

Van vriendschap een van trouw;

Die zijn al sinds lang overleden,

‘k Ben er al van in den rouw


5 Neen, spreek mij van ‘s menschen ellende,

Van al zijn kommer en nood,

En hoe hij zijn broeders leven

Verbittert, - dan lach ik mij dood!


Piet Paaltjens

Uit: Snikken en Grimlachjes (1867)

Jael
De vrouw wenkt vriendelijk de man naar binnen.

Hoognodig wankelt hij naar even rust.

Een vechter die een slokje water lust

en hij heeft haast: men kan niet alles winnen.


5 Hij gaat languit en mag dan zelf verzinnen

wat of hij drinken wil, in slaap gesust.

Zij buigt naar hem, haast of ze hem bekust

en slaat een tentpin door zijn slaap naar binnen.


Een spierenkronkel en dan is hij dood.

10 Zij heeft de pin vaak in de grond geslagen

maar nog niet eerder met een man eraan.
De handen rusten op haar moederschoot.

Nu wachten tot de jager op komt dagen:

ontspannen bij de ingang blijven staan.

Menno van der Beek

Uit: Vergezocht (1999)

Zeehond graag


Het liefst zou mevrouw Despina zeehond zijn.

Springen, poon verschalken, applaus

voor lenig spek dat overheerlijk

de kant op kletst, dik verpakt geraamte,

5 grootogige boksbal vol vis, lekkerbek.

Binnenin zat mevrouw Despina, veilig

in glad vel, waterafstotend vermomd

als onhoekig dier, elegant toegerust voor

poolstorm en schotsen. Lachend heft ze

10 haar snor boven water, poseert voor

verrekijkers, zont op een zandplaat.

Gooit het leven haar juichend de lucht in

stuitert ze op zeewaardige kussens

haar vrolijk vet maakt elke landing zacht.


Marjoleine de Vos

Uit: Zeehond graag (2000)

November
Het regent en het is november:

Weer keert het najaar en belaagt

Het hart, dat droef, maar steeds gewender,

Zijn heimelijke pijnen draagt.


5 En in de kamer, waar gelaten

Het daaglijks leven wordt verricht,

Schijnt uit de troosteloze straten

Een ongekleurd namiddaglicht.


De jaren gaan zoals ze gingen

10 Er is allengs geen onderscheid

Meer tussen dove erinneringen

En wat geleefd wordt en verbeid.


Verloren zijn de prille wegen

Om te ontkomen aan de tijd:

15 Altijd november, altijd regen,

Altijd dit lege hart, altijd.


J.C. Bloem

Uit: Media Vita (1931)


De Dapperstraat


Natuur is voor tevredenen of legen.

En dan: wat is natuur nog in dit land?

Een stukje bos, ter grootte van een krant,

Een heuvel met wat villaatjes ertegen.


5 Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,

De in kaden vastgeklonken waterkant,

De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand

Door zolderramen, langs de lucht bewegen.


Alles is veel voor wie niet veel verwacht.

10 Het leven houdt zijn wonderen verborgen

Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.
Dit heb ik bij mijzelve overdacht,

Verregend, op een miezerige morgen,

Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

J.C. Bloem

Uit: Quiet though sad (1947)

Visser van Ma Yuan


onder wolken vogels varen

onder golven vliegen vissen

maar daartussen rust de visser
golven worden hoge wolken

5 wolken worden hoge golven

maar intussen rust de visser

Lucebert


Uit: Van de afgrond en de luchtmens 1953

Marc groet 's morgens de dingen


Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem

ploem ploem

dag stoel naast de tafel

dag brood op de tafel

5 dag visserke-vis met de pijp

en

dag visserke-vis met de pet



pet en pijp

van het visserke-vis

10 goeiendag
Daa-ag vis

dag lieve vis

dag klein visselijn mijn
Paul van Ostaijen

Uit: Nagelaten Gedichten 1925

Melopee
Onder de maan schuift de lange rivier

Over de lange rivier schuift moede de maan

Onder de maan op de lange rivier scuift dekano naarzee
Langs het hoogriet

5 langs de laagwei

schuift de kano naar zee

schuift met de schuivende maan de kano naar zee

Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man

Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee


Paul van Ostaijen

Uit: Nagelaten Gedichten 1926


Dichter groet ’s morgens de dingen
Dag kruk, dag zeikerds, dag café,

hé fiets, ha slot, ga nou eens open,

juist. Zeg voorwiel, blijf eens recht,

0 handen, hou dat stuur nou vast,

5 dag schots en scheve sterrenbeelden,

vlieg toch niet zo snel voorbij,

dag harde koude kinderhoofdjes

blauwgroen in mijn ribbenkast-

ha die voordeur, leeg portiek,

10 hoi trap, daar kom ik, stommel stommel,

antwoordapparaat vol ruis,

we zijn weer thuis. Dag twijfelaar,

wat ben je koud en leeg

zo zonder haar.


Ingmar Heytze

Uit: Aan de bruid 2000

Jongenswraak
Ze wordt van mollig tot gezet,

een roos van vlees in spijkerbroek.

Haar botten raken langzaam zoek.

Haar billen zwemmen in hun vet


5 Haar boezem zakt tot dun beslag.

Haar navel trekt zich langzaam terug.

Haar schouderbladen plooien zich

tot reuzel op haar onderrug.


Ze kweekte vlinders in mijn buik,

10 nu gaat ze zelf de pop weer in

en vreet zich tot een larve.

In haar kraagje broedt een onderkin.


Een oud recept voor zoete wraak:

haar afscheidsbrief, een goede schaar,

15 een voodoopop, een emmer klei,

twee lokken van dat blonde haar.

Ingmar Heytze

Uit: Sta op en wankel (1999)


Voor wie dit leest


Gedrukte letters laat ik U hier kijken,

maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,

mijn hete hand uit dit papier niet steken;

wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.


5 O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.

Kom, leg Uw hand op dit papier, mijn huid;

verzacht het vreemde door de druk verstenen

van het geschreven woord, of spreek het uit.


Menige verzen heb ik al geschreven,

10 ben menigen een vreemdeling gebleven

en wien ik griefde weet ik niets te geven:

liefde is het enige.


Liefde is het meestal ook geweest

die mij het potlood in de hand bewoog

15 tot ik mij slapende voorover boog

over de woorden die Gij wakkerleest.


Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn

en door de letters heen van dit gedicht

kijken in Uw lezende gezicht

20 en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.


Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,

zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven;

en laat Uw blik hun innigste niet raken

tenzij Gij door de liefde zijt gedreven.


25 Lees dit dan als een lang verwachte brief,

en wees gerust, en vrees niet de gedachte

dat U door deze woorden werd gekust:

ik heb je zo lief.


Leo Vroman

Uit: In Amerika 1946 – 1948

*
Zie je ik hou van je,

ik vin je zoo lief en zoo licht-

je oogen zijn zoo vol licht,

ik hou van je, ik hou van je.


5 En je neus en je mond en je haar

en je oogen en je hals waar

je kraagje zit en je oor

met je haar ervoor.


Zie je ik wou graag zijn

10 jou, maar het kan niet zijn,

het licht is om je, je bent

nu toch wat je eenmaal bent.


O ja ik hou van je,

ik hou zoo vrees’lijk van je,

15 ik wou het heelemaal zeggen-

Maar ik kan het toch niet zeggen.


H.Gorter

Uit: Verzen (1890)


*
Wie slaat de bloesem uit dit dode hout?

Wie weeft een nylon zweetdoek door de takken?

IJskoud het lekkerst schijnt niet te bestaan,

Een vroege salamander moet verrekken.

5 Er is in de oktoberstorm meer leven

Dan in de kille vlagen van april.

Is dit geboorte van nieuw leven?

De discusschijf van de placenta wordt gemangeld

Tot ijzig mos onder de uitslag van de rijp.

10 De winterslaap wordt wreed verstoord door groeikracht,

De huiver doet het tere groen verstijven.

Men tilt een blad op en daar staat geschreven

In taal die slechts de wormen is gegeven,

Dood, dood, en nog eens dood, en even leven.
Jan Wolkers

Uit: Jaargetijden 2000

Een hard gelag
Stel toch dat op de Jongste Dag

De graven waarlijk opengapen

En ieder uit de dood ontslapen

Hier 't eeuwig leven vieren mag:


5 Al zwaaien ze de zegevlag

En zijn ze rein als witte schapen,

't Is voor Gods maagden en Gods knapen

Al dadelijk een hard gelag,


Althans voor hen - hoe velen niet! -

10 Die om hun zerk een smeedhek hebben,

Met roestig spieswerk rijk versierd,
Waar tot hun eindeloos verdriet

Te midden van de spinnewebben

Nergens een poortje in openkiert.
Hendrik van Teylingen

Uit: Huis te Vraag 1998

Meneer Van Dalen
Meneer Van Dalen was een man die alles zag zoals het was.

Hij zei dan ook: je moet het zien zoals het is.

Toen hij als jongetje van zeven jaar De schone slaapster las,

toen schudde hij zijn kleine hoofd en vond het mis.

5 En toen hij later dan-zoals dat vaak met jonge mannen gaat-

de schone slaapster eens zag lopen op 't Rokin,

en nachtegalen hoorde zingen midden in de Kalverstraat,

vond hij het aardig maar hij trapte er niet in.

Hij was reëel, hij was gezond en hij rook altijd ergens lont.

10 Hij bleef met allebei zijn voeten op de grond.


Meneer Van Dalen was een man die alles deed zoals het moest

en daarom trouwde hij de dochter van zijn baas.

Hij kende positief het enig middel tegen hoest

en hij at 's morgens maar één boterham. Met kaas.

15 En toen z'n vrouw ineens eens riep: 'Nou heb ik dertienjaar gesloofd,

ik wil zo graag... ik wou zo graag... ik weet niet wat...

desnoods naakt dansen in de wouden met een steelpan op mijn hoofd,

maar iets... of anders word ik gek... ik ben het zat...'

toen nam hij haar één keer uit eten, maar hij maakte 't niet te bont.

20 Hij bleef met allebei zijn voeten op de grond.


Als z'n twee jongetjes een vuurtje maakten buiten bij de heg

en als de vlammetjes weerkaatsten in hun ogen,

dan trapte hij het vuurtje uit en joeg de jongetjes daar weg,

omdat dat dingen zijn die jongetjes niet mogen.

25 En toen ze ouder werden en nog iets behielden van die gloed

en het verboden vuur in hun pupillen blonk,

toen zei hij: 'Jongens, ik ben ouder, ik weet beter hoe het moet.'

Hij trapte 't vuur uit tot de allerlaatste vonk.

Hij trapte alle vuurtjes uit die hij in zijn omgeving vond.

30 Hij bleef met allebei zijn voeten op de grond.


Zo was meneer Van Dalen en dat lag zo in zijn lijn.

Hij was de man die alle dingen ziet zoals ze zijn.

Nu is meneer Van Dalen dood. Zijn klokje is nu rond.

Hij ligt met allebei zijn voeten onder de grond.


Annie M.G. Schmidt

Uit: Huishoudpoëzie en meer 1957



Liedjes

De man in de wolken


Hoe de man in de wolken eigenlijk heette

En waar hij vandaan kwam, was onbekend.

In het dorp beneden wou ook niemand dat weten

De man in de wolken, zo stond hij bekend.

5 De man in de wolken kwam nooit naar beneden

Alleen, maar volmaakt gelukkig was hij

En dat had een bijzondere reden

Aan de muur van zijn huis hing een prachtschilderij.

De man in de wolken kon er uren naar kijken

10 In schoonheid gingen zijn dagen voorbij.

Een hoger geluk kon hij niet bereiken

Dan kijken en kijken naar het prachtschilderij.

En vaak zag je mensen naar boven toe lopen

Naar de man in de wolken met het prachtschilderij.

15 De deur van zijn huis stond voor iedereen open

Kom er maar in, zei hij altijd gastvrij.

En iedereen gaf hem omdat het zo hoorde

Een brood of wat wijn, als een soort van entree.

Dat was door de jaren gewoonte geworden

20 Voor de man in de wolken nam je iets mee.

En op een stoel naast de man in de wolken gezeten

Werd alles opeens zo helder als glas.

Het prachtschilderij deed je even vergeten

Hoe treurig en lelijk het leven soms was.


25 Het was een landschap zo mooi, zo schitterend leeg

Zo moest het geweest zijn toen de wereld begon.

Je kon zien hoe alles een vorm en een kleur kreeg

In het licht van een eindeloos opgaande zon.


Op een dag kreeg de man in de wolken bezoek

30 Van een vreemdeling die hem een hand gaf en zei

U schijnt de bezitter te zijn van een doek

Dat beneden bekend staat als het prachtschilderij.

De man in de wolken zei komt u maar binnen.

De vreemdeling ging voor het landschap staan

35 En raakte vervolgens totaal buiten zinnen.

Het is niet geloven. hoe komt u hieraan

Een meesterwerk en kijk toch eens even

Compleet met lijst en signatuur.

Meneer, u bent binnen voor de rest van uw leven

40 Hier hangt een gigantisch fortuin aan de muur.


De man in de wolken wilde vergeten

Wat de vreemdeling hem die dag had verteld

Maar er was iets veranderd, alleen door te weten

Dat schoonheid was uit te drukken in geld.

45 Tegen bezoekers zei hij steeds vaker

Raak het niet aan, kom niet te dichtbij.

Hij veranderde langzaam in een bewaker

Een voorzichtige man met een prachtschilderij.

En toen kwam de angst en kwamen in dromen

50 Dieven die schreeuwden kom hier met dat doek.

En zo is het slot op zijn voordeur gekomen

En kreeg de man in de wolken steeds minder bezoek.


Het was een landschap zo mooi, zo schitterend leeg

Zo moest het geweest zijn toen de wereld begon.

55 Je kon zien hoe alles een vorm en een kleur kreeg

In het licht van een eindeloos opgaande zon.


De man in de wolken dacht soms nog even

Terug aan de tijd toen het prachtschilderij

Nog aan iedereen troost en warmte kon geven.

60 Maar zo mocht hij niet denken. die tijd was voorbij.

Hij moest het beschermen, desnoods met zijn leven

Dat was hij aan de schoonheid van het landschap verplicht.

Een diefstal zou hij zichzelf nooit vergeven

Dus deed hij alles wat dicht kon nog dichter dan dicht.

65 Maar toch werd hij banger, geen nacht die voorbijging

Of hij hoorde de dieven en ze vonden het vast

Want ze wisten dat het bij hem aan de muur hing

En toen sloot hij het landschap op in een kast.

Maar de plek waar het prachtschilderij had gehangen

70 Werd leger en leger en op den duur

Werd de man in de wolken gek van verlangen

En hing hij het landschap terug aan de muur.

Die nacht heeft hij uren en uren gekeken

Naar de vormen, de kleuren en de opgaande zon

75 Maar de glans was verloren, de schoonheid geweken

Alsof hij niet goed meer kijken kon.

Toen opeens zag hij alles zo helder als glas

Daar hing in een lijst zijn angst aan de muur

Die nacht in de wolken begreep hij dat pas

80 En smeet hij het prachtschilderij in het vuur.

De man in de wolken zag het landschap verkleuren

En de opgaande zon in vlammen opgaan.

Toen stond hij op, deed het slot van zijn deur

En verbaasd bleef de man in de wolken toen staan.


85 Hij zag een landschap zo mooi, zo schitterend leeg

Zo moest het geweest zijn toen de wereld begon.

Hij zag hoe alles een vorm en een kleur kreeg

In het licht van een prachtige opgaande zon.


Koos Meinderts

Uit: De man in de wolken 1991

Een oorlog tegelijk
Er is oorlog in Soedan, waarom dat ben ik even kwijt

En Azerbeidzjan strijdt om iets in een al jarenlange strijd

De Turken vechten, dacht ik, onterecht in Koerdistan

En er is ook nog ergens oorlog om in het noorden van Iran

5 'k Snap er niets meer van wanneer ik naar die beelden kijk

Waarom doen we voortaan niet gewoon een oorlog tegelijk?


Een oorlog tegelijk

Een oorlog tegelijk

Eén giro, twee partijen

10 En dan verder geen gezeik

Gewoon gezellig, leuk, weer net als vroeger

Met het Derde Rijk

Een oorlog tegelijk
Ik raak de draad volledig kwijt als ik naar Harmen Siezen kijk

15 Van wie is dat stadhuis in puin, en waarvoor vocht dat lijk?

Is die vrouw nou echt vermoord, of stelt ze zich maar aan?

Wie is fout en wie is goed en wie heeft wat gedaan?

Ik heb medelijden, plichtsbesef en oude kleren zat ,:1

't Is alleen dat ik zo graag wil weten waar en hoe en wat


20 Waarom doen we voortaan niet gewoon

Een oorlog tegelijk?

Gewoon weer een partij de goede

En de ander door het slijk

Typisch weer zo'n frisse kijk

25 Van Jeroen van Merrewijk

Een oorlog tegelijk

De Koerden mogen oorlog voeren tot aan 16 maart

Daarna veegt China tot in juni Tibet van de kaart

In juni, juli en augustus zijn de Tamils aan de beurt

30 In september wordt Somalië door rassenhaat verscheurd

De hele herfst en winter is er oorlog in het GOS

Met Kerstmis winterpauze en dan barst de hel weer los

Tussen twee gevechten door een leuke spot voor Dental Floss

Herhaling van de hoogtepunten 's avonds bij de NOS
35 Een oorlog tegelijk

Een oorlog tegelijk

Waarom doen we voortaan niet gewoon

Een oorlog tegelijk?

Jeroen van Merwijk

Uit: Wat zijn de vrouwen groot 1992

Meneer Alzheimer
Meneer Alzheimer, ik wil even met u praten

Met mij gaat het nog goed, ik ben niet oud

In mijn gelei hierboven zitten nog geen gaten

Maar op een dag, en dat laat mij niet koud

5 Ben ik dit lied allang vergeten

Dan weet ik niet wat ik vanavond zong

Maar nu wil ik daar niets van weten

Want nu ben ik nog goed... en bij... en jong

Genoeg om even iets aan u te vragen

10 Mijn probleem is echt niet al te groot

Het gaat over mijn laatste dagen

Als u toeslaat, zo vlak voor mijn dood

Wilt u een beetje, een beetje selecteren

Zodat ik de mooie dingen wel onthou

15 Dus als ik in mijn stoel zit weg te teren

Dat ik nog even mag denken aan mijn vrouw

Met wie ik zoveel jaren heb gevreeën

Met wie ik zoveel uren heb gewoond

Dat ik nog een beetje weet hoe we het deden

20 Omdat mijn eigen lijf mij dat dan nooit meer toont

Ach ik wil best mijn hele boel vergeten

Ik weet zo al twaalf vrouwen op een rij

Van zeker drie zou ik de naam al niet meer weten

En de rest verzuipt ook in de grijze brij

25 Er is meer dan genoeg om mee te nemen

Pak mijn angsten, mijn wanhoop en verdriet

Pak ze, ik zal ze echt nooit claimen

Maar al het mooie, neem dat niet

Pak mijn geld, mijn leugens en mijn ruzies

30 En mijn iets te vaak verongelijkte toon

Maar laat aan mij een paar illusies

En de liefde voor mijn dochter en mijn zoon

En één ding mag u zeker pakken

Daarvoor ben ik nou eenmaal veel te laf

35 Misschien hoor ik daarom bij de slappe zakken

Maar ik smeek u: neem mij mijn doodsangst af

Zodat ik mooi en stil de wereld kan verlaten

Met een knipoog naar de mijnen, zonder angst

Meneer Alzheimer, valt daarover te praten?

40 Want voor doodgaan ben ik levenslang het bangst

Dus dat ik mooi en stil de wereld kan verlaten

Met een knipoog naar de mijnen, zonder angst

Meneer Alzheimer, valt daarover te praten?

Want voor doodgaan ben ik levenslang het bangst


Youp van ’t Hek

Uit: Ergens in de verte 1993

Ontgroening
Met onze naam op ons voorhoofd geschreven, tas onder de arm, stonden wij

Een matje en een slaapzak op de fiets gebonden, te wachten in een bange rij


Op de orders die ons werden toegeschreeuwd, ze waren maar een paar jaar ouder dan ik

De leiders met de flesjes in hun hand en in hun ogen die wezenloze blik


5 Kutfeut, kutfeut, kutfeut, bek dicht
En daar stonden wij, amper 18 jaar, net als onze vaders en hun vaders daarvoor

En we zopen tot we niet meer konden om lid te worden van het corps

Doodsbang om op te vallen, kroop ik door de modder en de hei

Likte de schoenen van een oudejaars, die boerde in mijn oor en daarna zei:


10 Kutfeut, kutfeut, kutfeut, bek dicht
Ze zeggen het is maar een spel, het kan geen kwaad. Nou ze genoten veel teveel

De fascistjes die dronken op de tafel stonden en die nu rechter zijn, directeur of advocaat


En na vijf nachten zonder slaap, knielde ik voor iedere eikel die het vroeg

Zong mijn stem aan flarden: elke vrouw is een hoer, elke vrouw is een groef


15 En we kropen door het glas en het bier en wie niet dronken was was een knor

En we kotsten tot we niet meer konden, om lid te worden van het corps


Kutfeut, kutfeut, kutfeut, kutfeut, kutfeut, kutfeut, bek dicht
Ze zeggen het is maar een spel, de directeur en advocaat

En spreken schande bij de borrel van het tuig bij voetbal, maar het maakt weinig uit

20 Of je iemand doodschopt of hem te veel jenever drinken laat
En toen het eindelijk voorbij was, zwoer ik dat ik nooit zou worden als zij

Nooit een jakhals die schreeuwde naar die bange wezels in de rij


Maar toen het jaar daarna zo'n kutfeut uit het Gooi mij aankeek met een hulpeloze blik

Pakte ik mijn flesje, boerde in zijn oor en schreeuwde ik


25 Kutfeut, kutfeut, kutfeut, bek dicht

Arthur Umbgrove

Uit: Twee straten verder 1998
MAN VAN MOMENTEN
Hij vertelt graag een mop waar niemand om lacht,

lacht te hard om ’n verhaal dat niet als leuk is bedacht.

Zijn gulp staat open, hij zit vaak aan zijn zak.

Het liefst gooit hij koffie over jouw witte pak.


5 Stapt vrolijk in de stront, loopt binnen bij de buren,

zegt dat het stinkt, is het soms de hond?

De schoenen omhoog en ze komen bij de zijne,

roept-ie in extase: “O jee, het zijn de mijne!”


Hij is de man van momenten, gênante momenten,

10 geniet van het schaamrood, een dodelijke blik.

De man van momenten, genante momenten,

slaat graag de plank genadeloos mis.


Zegt van een mongool: “Het is net zijn vader,”

vraagt aan twee homo’s: “Wie is de vrouw?”

15 En als hij zingt, zingt hij vals en met opzet verkeerd.

Roept op een crematie: ”Gefeliciteerd!”


Loopt op het strand met zijn lul uit zijn broek,

zegt tegen een meisje: ”Neem een lik van mijn ijsje.”

Stapt op het toneel en zingt Mooi Banaan.

20 Zegt tegen een Turk: “Jij goed Marokkaan.”


Hij is de man van momenten, gênante momenten,

geniet van het schaamrood, een dodelijke blik.

De man van momenten, gênante momenten,

slaat graag de plank genadeloos mis.


25 Hij schreeuwt: “M’n geld!” en wijst een neger aan.

De gretige massa begint al te slaan,

Ziet de bloedende zwarte en zegt op zijn gemak:

“ ’k wou alleen even zeggen: Ik heb het hier in mijn zak.”


Een anorexia-patient vindt hij lekker slank.

30 Noemt iedere Duitser Anne of Frank.

Vertelt zonder schroom dat hij graag in bed plast

en belt aan bij de rabbi: “Ik ben de man van het gas.”

Hij is de man van momenten, gênante momenten,

geniet van het schaamrood, een dodelijke blik.

35 De man van momenten, gênante momenten,

slaat graag de plank genadeloos mis.




NUHR


Uit: Niet uit het raam lezen


  • Liedjes

  • Dovnload 177.07 Kb.